Hof van Cassatie: Arrest van 10 Maart 2015 (België). RG P.14.0357.N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20150310-3
- Numéro de rôle :
- P.14.0357.N
Résumé :
De in artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet bedoelde immuniteit van de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde geldt slechts ten aanzien van de getroffene van het arbeidsongeval of zijn rechthebbenden; het begrip "rechthebbenden" heeft enkel betrekking op de personen die de vergoedingen kunnen genieten waarin die wet voorziet, maar geldt niet ten aanzien van personen die niet kunnen genieten van de vergoedingen krachtens de Arbeidsongevallenwet (1). (1) Cass. 21 mei 2002, AR P.00.1635.N, AC 2002, nr. 307 met concl. van procureur-generaal du Jardin.
Arrêt :
Nr. P.14.0357.N
MARC VAN ZELE ebvba, met zetel te 9240 Zele, Dommekensstraat 17,
beklaagde,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
1. VERZEKERINGSKAS ARBEIDSONGEVALLEN SECUREX, met ze-tel te 9000 Gent, Verenigde Natieslaan 1,
burgerlijke partij,
2. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1470 Brussel, Vorstlaan 25,
gedwongen tussengekomen partij,
vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,
verweersters.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 16 januari 2014.
De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.
Procureur-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Tweede onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 13 en 46, en voor zoveel als nodig 47 Arbeidsongevallenwet en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wet-boek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de immuniteit niet geldt voor de begrafeniskosten die de eerste verweerster heeft vergoed aan de ouders van het slachtoffer en voor de kapitalen die zij heeft uitgekeerd aan C G voor de kinderen.
2. Artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet bepaalt de gevallen waarin, ongeacht de uit die wet voortvloeiende rechten, de getroffene of zijn rechthebbenden een rechtsvordering inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid kunnen instellen. De in deze bepaling bedoelde immuniteit van de werkgever, zijn lasthebber of aange-stelde geldt slechts ten aanzien van de getroffene van het arbeidsongeval of zijn rechthebbenden. Het begrip "rechthebbenden" heeft enkel betrekking op de per-sonen die de vergoedingen kunnen genieten waarin die wet voorziet. De immuni-teit geldt niet ten aanzien van personen die niet kunnen genieten van de vergoe-dingen krachtens de Arbeidsongevallenwet.
3. De appelrechters stellen, met overname van de redenen van het beroepen vonnis, vast dat:
- de eerste verweerster de arbeidsongevallenverzekeraar is van de eiseres;
- R A, werknemer van de eiseres, op 2 december 2005 om het leven kwam bij het uitvoeren van herstellingswerken aan het dak van de loods van de eiseres;
- de eerste verweerster een bedrag van 2.242,04 euro uitbetaalde aan de ouders van het slachtoffer voor de begrafeniskosten.
4. De appelrechters oordelen dat:
- het arbeidsongeval niet opzettelijk werd veroorzaakt zodat geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 46, § 1, 1°, Arbeidsongevallenwet;
- de eiseres geen aanspraak kan maken op de immuniteit bepaald in artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet.
5. De appelrechters die ervan uitgaan dat de ouders aan wie de eerste verweer-ster de begrafeniskosten heeft betaald, geen rechthebbenden zijn en de eiseres veroordelen tot vergoeding van de begrafeniskosten aan de eerste verweerster als gesubrogeerde in de rechten van de ouders, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is in zoverre gegrond.
6. De appelrechters stellen, met overname van de redenen van het beroepen vonnis, vast dat:
- de eerste verweerster de beide kinderen van het slachtoffer heeft erkend als rechthebbenden;
- de eerste verweerster voor de geleden schade aan de kinderen een bedrag van respectievelijk 65.302,37 euro en 75.760,02 euro uitbetaalde;
- C G sedert 16 maart 1992 samenwoonde met het slachtoffer en het koppel op het ogenblik van het ongeval één kind had terwijl zij zwanger was van het tweede kind.
7. De appelrechters oordelen dat:
- het arbeidsongeval niet opzettelijk werd veroorzaakt zodat geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 46, § 1, 1°, Arbeidsongevallenwet;
- de eiseres geen aanspraak kan maken op de immuniteit bepaald in artikel 46, § 1, Arbeidsongevallenwet;
- de eerste verweerster gerechtigd is op terugbetaling van de bedragen die zij heeft uitgekeerd aan C G voor de beide kinderen, met dien verstande dat haar vordering begrensd is tot haar gemeenrechtelijke schade.
8. De appelrechters die de eiseres veroordelen tot terugbetaling van de uitga-ven van de eerste verweerster als gesubrogeerde in de rechten van de rechtheb-bende kinderen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is in zoverre gegrond.
Tweede middel
Eerste onderdeel
9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1134 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 8, tweede lid, 11 en 77 Wet Landverzeke-ringsovereenkomst zoals hier van toepassing: de appelrechters maken ten onrechte toepassing van artikel 5 c van de polisvoorwaarden omdat de formulering van de als grove schuld beschouwde tekortkomingen niet nauwkeurig is.
10. Krachtens artikel 8, tweede lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst, zoals hier van toepasisng, dekt de verzekeraar de schade veroorzaakt door de schuld, zelfs de grove schuld, van de verzekeringnemer, van de verzekerde of van de be-gunstigde, maar kan hij zich van zijn verplichtingen bevrijden voor de gevallen van grove schuld die op uitdrukkelijke en beperkende wijze in de overeenkomst zijn bepaald.
11. De appelrechters stellen vast dat artikel 5 van de algemene polisvoorwaar-den stipuleert: "Is uit de verzekering gesloten, (...) c) schade veroorzaakt door grove schuld m.n.: - elke tekortkoming aan wetten, regels of gebruiken die de ac-tiviteiten van de verzekerde onderneming reglementeren en waarbij voor iedere met de materie vertrouwde persoon duidelijk moest zijn dat hieruit haast onvermijdelijk schade moest ontstaan - (...) - Er kan slechts sprake zijn van grove schuld voor zover de verzekeringnemer, zijn organen of leidinggevende aangestelden op de hoogte waren en niet het nodige hebben gedaan om aan de situatie te verhelpen".
12. De appelrechters die oordelen dat door de verwijzing naar "elke" tekortko-ming aan wetten, regels of reglementen, de grove schuld voldoende nauwkeurig omschreven is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.
Het onderdeel is gegrond.
Overige grieven
13. De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de verweersters elk tot de helft van het cassatieberoep.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Bepaalt de kosten op 211,22 euro waarvan 176,22 euro verschuldigd is.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 10 maart 2015 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van procureur-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
V. Kosynsky
A. Lievens P. Hoet
F. Van Volsem G. Jocqué P. Maffei