Hof van Cassatie: Arrest van 10 November 2006 (België). RG C060274N

Date :
10-11-2006
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
8 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20061110-2
Numéro de rôle :
C060274N

Résumé :

Wanneer de rechtbank het tijdstip waarop de gefailleerde wordt geacht te hebben opgehouden te betalen vervroegt tot een tijdstip voor het vonnis van faillietverklaring, moet zij vaststellen dat de koopman op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en dat zijn krediet is geschokt op dat tijdstip waarop zij de staking van betaling vaststelt (1). (1) Zie I. VEROUGSTRAETE, Manuel de la faillite et du concordat, Brussel, Kluwer, 2003, p. 302, nr 458 en p. 401, nr 666; A. ZENNER, Dépistage, faillite et concordats, Brussel, Larcier, 1998, p. 236, nr 303, en p. 736, nr 1035; B. WINDEY, "Art. 12, Faillissementswet", in Handels- en economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Kluwer, afl. 9 (oktober 1998) nr 3.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
1. Nr. C.06.0274.N
T.M.,
2. eiseres,
3. vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
4. tegen
1. F.Y. in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Equator, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd was te 8500 Kortrijk, Beheerstraat 19,
2. EQUATOR, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8500 Kortrijk, Beheerstraat 19, failliet verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk van 23 november 1998,
5. verweerders.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
6. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent.
7. Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht.
8. Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
9. De eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.
10. Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest verklaart de uitgebreide vordering van verweerder q.q. tegen eiseres om eiseres zowel uit hoofde van de oprichtersaansprakelijkheid als de bestuurdersaansprakelijkheid te doen veroordelen om het volledig passief van de BVBA Equator aan te zuiveren en om zodoende aan verweerder q.q. de som van 159.808,72 euro te betalen, ontvankelijk op de volgende gronden: Art. 807 Ger. W. vereist dat een nieuwe vordering, ingesteld lopende het geding, berust op een feit of akte die in de inleidende dagvaarding wordt aangevoerd (Cass., 28 april 1994, R. W. 1994-95, 812-815). In de dagvaarding voert de curator diverse feiten aan die hem toelieten de bestuurdersaansprakelijkheid van de gefailleerde in te roepen (zie pag.
2, alinea's 8 tot 11 van de dagvaarding). Waar de oprichtersaansprakelijkheid aansluit bij de bestuursaansprakelijkheid van een gefailleerde oprichter-bestuurder, verklaart het hof van beroep, mede uit proces-economische redenen en de vaststelling dat de rechten van verdediging van eiseres gerespecteerd werden en worden, de uitbreiding van de vordering ontvankelijk. Volgens art. 123, 7°, Venn. W. (thans art. 229, 5°, W. Venn.) zijn de oprichters aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap indien het maatschappelijk kapitaal bij de oprichting kennelijk ontoereikend was voor de normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over ten minste twee jaar, indien het faillissement binnen de drie jaar na de oprichting wordt uitgesproken. De voorwaarde dat het faillissement moet worden uitgesproken binnen de drie jaar na oprichting, is vervuld. De vennootschap werd opgericht op 16 mei 1997 en bij vonnis van 23 november 1998 reeds failliet verklaard. De eiseres is de enige oprichter. Het belangrijkste moment bij de beoordeling of het kapitaal bij de oprichting kennelijk ontoereikend was, is het financieel plan (stuk 23 curator). Terecht vroeg de eerste rechter voorafgaand advies aan een expert tot boekhoudkundige analyse van dit plan. Krachtens art. 133bis Venn. W. (thans art. 265 W. Venn.) kunnen bestuurders persoonlijk al dan niet hoofdelijk aansprakelijk worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de vennootschap tot beloop van het tekort, indien vaststaat dat een door hen begane kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement. Ook hier kan de door de eerste rechter gevraagde onderzoeksmaatregel i.v.m. de door de curator voorgehouden fouten worden bijgetreden.
Grieven
Eerste onderdeel
Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd kan worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Die bepaling is krachtens het artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ook van toepassing in hoger beroep.
De termen feit of akte doelen op de oorzaak van de vordering.
Verweer q.q. had in de dagvaarding op grond van artikel 12 van de Faillissementswet gevorderd om het tijdstip waarop de BVBA Equator had opgehouden te betalen te vervroegen tot 14 juli 1998 op grond van liquiditeitsproblemen die als volgt werden aangevoerd op pagina 2, in de alinea's 8 tot 11, van de dagvaarding: de BVBA EQUATOR kon haar schulden slechts gedeeltelijk voldoen door op onrechtmatige wijze over te gaan tot liquidatie van de vennootschap (alinea 8); de aldus gecreëerde beschikbare geldsommen kunnen bezwaarlijk als normale liquiditeiten aanzien worden (alinea 9); in juni-juli 1998 werd beslist om al het personeel te ontslaan waaronder Tinne Vallaeys wat wijst op een onderneming in moeilijkheden (alinea 10); de zaakvoerster van de gefailleerde liet op 15.09.98 aan de raadsman van T.V. weten dat zij geprobeerd heeft zijn cliënte zoveel mogelijk te bevoordelen, bekentenis die eveneens wijst op een onderneming in moeilijkheden (alinea 11).
Hieruit volgt dat het aan de oorspronkelijke vordering van verweerder q.q. ten grondslag liggende feit bestond uit de staking van betaling door de BVBA EQUATOR op 14 juli 1998.
Dit feit volstond echter niet om de eiseres als zaakvoerster of als gewezen zaakvoerster aansprakelijk te verklaren krachtens artikel 133 bis Vennootschappenwet (thans artikel 265 Wetboek van Vennootschappen) wegens een door haar begane kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement vermits deze aansprakelijkheidsvordering voortspruit uit een andere oorzaak dan de staking van betaling op 14 juli 1998 en vermits deze nieuwe aansprakelijkheidsvordering tegen de eiseres evenmin virtueel begrepen was in de oorspronkelijke vordering maar daar volstrekt van verschilt zowel qua voorwerp als qua oorzaak.
Het bestreden arrest heeft de nieuwe vordering van verweerder q.q. om eiseres als bestuurder aansprakelijk te doen verklaren, dan ook ten onrechte ontvankelijk verklaard nu die nieuwe vordering niet gegrond was op een rechtsfeit of rechtshandeling aangevoerd in de dagvaarding (schending van de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek).
Tweede onderdeel
Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd kan worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Die bepaling is krachtens het artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ook van toepassing in hoger beroep.
De termen feit of akte doelen op de oorzaak van de vordering.
Verweerder q.q. had in de dagvaarding op grond van artikel 12 van de Faillissementswet gevorderd om het tijdstip waarop de BVBA Equator had opgehouden te betalen te vervroegen tot 14 juli 1998 op grond van liquiditeitsproblemen die als volgt werden aangevoerd op pagina 2, in de alinea's 8 tot 11, van de dagvaarding:
de BVBA EQUATOR kon haar schulden slechts gedeeltelijk voldoen door op onrechtmatige wijze over te gaan tot liquidatie van de vennootschap (alinea 8); de aldus gecreëerde beschikbare geldsommen kunnen bezwaarlijk als normale liquiditeiten aanzien worden (alinea 9); in juni juli 1998 werd beslist om al het personeel te ontslaan waaronder Tinne Vallaeys wat wijst op een onderneming in moeilijkheden (alinea 10); de zaakvoerster van de gefailleerde liet op 15.09.98 aan de raadsman van T.V. weten dat zij geprobeerd heeft zijn cliënte zoveel mogelijk te bevoordelen, bekentenis die eveneens wijst op een onderneming in moeilijkheden (alinea 11).
Hieruit volgt dat het aan de oorspronkelijke vordering van de verweerder q.q. ten grondslag liggende feit bestond uit de staking van betaling door de BVBA EQUATOR op 14 juli 1998.
Dit feit volstond echter niet om eiseres als oprichter aansprakelijk te verklaren krachtens artikel 123, 7°, Vennootschappenwet (thans artikel 229, 5°, Wetboek van Vennootschappen) voor de verbintenissen van de vennootschap naar een verhouding die de rechter vaststelt indien het maatschappelijk kapitaal bij de oprichting kennelijk ontoereikend was voor de normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over ten minste twee jaar. Deze aansprakelijkheidsvordering spruit immers voort uit een andere oorzaak dan de staking van betaling op 14 juli 1998 en verschilt volstrekt zowel qua voorwerp als qua oorzaak van de oorspronkelijke vordering tot vervroeging van het tijdstip van de staking van betaling.
Het bestreden arrest heeft de nieuwe vordering van de verweerder q.q. om de eiseres als oprichter aansprakelijk te doen verklaren, dan ook ten onrechte ontvankelijk verklaard nu die nieuwe vordering niet gegrond was op een feit of rechtshandeling aangevoerd in de dagvaarding en de aansluiting op een andere vordering dan de oorspronkelijke vordering niet volstaat om de nieuwe vordering ontvankelijk te verklaren (schending van de artikelen 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek).
11. Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 11, 962 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest verklaart de uitgebreide vordering van verweerder q.q. tegen eiseres om eiseres zowel uit hoofde van de oprichtersaansprakelijkheid als de bestuurdersaansprakelijkheid te veroordelen om het volledig passief van de BVBA EQUATOR aan te zuiveren en om zodoende aan verweerder q.q. de som van 159.808,72 euro te betalen, ontvankelijk en het stelt S.L. aan als deskundige met opdracht aan de hand van de boekhoudkundige en andere stukken advies uit te brengen nopens:
- het feit of het maatschappelijk kapitaal bij de oprichting van de vennootschap kennelijk ontoereikend zou zijn geweest voor een normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid gedurende twee jaar;
- de vereffening van de activa vóór faillissement: gebeurde dit tegen marktverantwoorde voorwaarden in de gegeven omstandigheden?
- werd de gelijkheid van de schuldeisers gerespecteerd bij die vereffening, en zo niet: wie werd bevoorrecht en voor hoeveel?
- in zoverre bepaalde verantwoordelijkheden zouden zijn aangetoond bij bovenvermelde punten of andere punten n.a.v. de vragen van partijen: aan wie zijn zij toe te schrijven? Zijn deze fouten als kennelijk en grof te beschouwen en waren zij rechtstreeks dan wel onrechtstreeks aanleiding tot het faillissement, op de volgende gronden: Volgens art. 123, 7°, Venn. W. (thans art. 229, 5°, W. Venn.) zijn de oprichters aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap indien het maatschappelijk kapitaal bij de oprichting kennelijk ontoereikend was voor de normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over ten minste twee jaar, indien het faillissement binnen de drie jaar na de oprichting wordt uitgesproken. De voorwaarde dat het faillissement moet worden uitgesproken binnen de drie jaar na oprichting, is vervuld. De vennootschap werd opgericht op 16 mei 1997 en bij vonnis van 23 november 1998 reeds failliet verklaard. De eiseres is de enige oprichter. Het belangrijk instrument bij de beoordeling of het kapitaal bij de oprichting kennelijk ontoereikend was, is het financieel plan (stuk 23 curator). Terecht vroeg de eerste rechter voorafgaand advies aan een expert tot boekhoudkundige analyse van dit plan. Krachtens art. 133bis Venn.
W. (thans art. 265 W. Venn.) kunnen bestuurders persoonlijk al dan niet hoofdelijk aansprakelijk worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de vennootschap tot beloop van het tekort, indien vaststaat dat een door hen begane kennelijke grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement. Ook hier kan de door de Eerste Rechter gevraagde onderzoeksmaatregel i.v.m. de door de curator voorgehouden fouten worden bijgetreden. (...) In casu heeft de eerste rechter zijn rechtsmacht niet overgedragen aan de deskundige (art. 11, 1°, Ger. W.). De opdracht is boekhoudkundig-technisch omschreven en de juridische kwalificatie komt uiteraard aan de rechter toe (Cass., 12 december 1985, R.W. 1986-87, 276). In het bestreden vonnis heeft de eerste rechter accountant S.L. aangesteld als deskundige om de door de curator voorgehouden onregelmatigheden te onderzoeken. Het hof bevestigt deze onderzoeksmaatregel, zodat de zaak voor verdere behandeling terug naar de eerste rechter moet worden verstuurd (art. 1068 Ger. W.). De opmerkingen van eiseres inzake het vellen van "juridische" oordelen door de deskundige, behoren tot het debat ten gronde na expertise voor de eerste rechter.
Grieven
Enig onderdeel
Artikel 11 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechters hun rechtsmacht niet kunnen overdragen en artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter deskundigen kan gelasten vaststellingen te doen of een technisch advies te geven. Uit deze bepalingen volgt dat de rechter aan de deskundige geen andere opdracht kan geven dan vaststellingen te doen of een technisch advies uit te brengen en dat hij aan de deskundige bijgevolg geen opdracht kan geven advies uit te brengen over de gegrondheid van de vordering zelf.
Met bevestiging van het vonnis a quo hebben de appelrechters de deskundige echter niet alleen gelast met technische vaststellingen maar zij gaven de deskundige bovendien opdracht advies uit te brengen over de kwestie aan wie de verantwoordelijkheden betreffende het gebeurlijk ontoereikend kapitaal en betreffende de vereffening van activa v66r faillissement toe te schrijven zijn, of deze fouten als kennelijk en grof te beschouwen zijn, of zij rechtstreeks dan wel onrechtstreeks aanleiding waren tot het faillissement en of het maatschappelijk kapitaal bij de oprichting kennelijk ontoereikend zou geweest zijn voor een normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid gedurende twee jaar. De appelrechters gaven de deskundige aldus opdracht om advies uit te brengen over de gegrondheid van de vordering zelf zodat zij hun beslissing niet naar recht hebben verantwoord (schending van de artikelen 11, 962 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek).
12. Derde middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 2 en 12 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden arrest bepaalt het tijdstip van staking van betaling van de gefailleerde vennootschap, de BVBA Equator op 14 juli 1998 op de volgende gronden: Het principe is dat de staking van betaling geldt met ingang van de dag van het faillissement (art. 12, 1°, Faill. W.). Art. 12, 2°, Faill. W. bepaalt dat het tijdstip van staking van betaling door de rechtbank kan worden vervroegd, wanneer ernstige en objectieve omstandigheden ondubbelzinnig aangeven dat de betalingen reeds voor het vonnis van faillietverklaring waren opgehouden. Het vonnis moet deze omstandigheden expliciet vermelden. Indien de curator een vordering instelt om te doen vaststellen dat de gefailleerde heeft opgehouden te betalen op een ander tijdstip dan het vonnis van faillietverklaring, dan moet hij bewijzen op welk ogenblik de gefailleerde zijn betalingen heeft gestaakt. Een handelaar bevindt zich in een situatie van staking van betaling wanneer hij zich in de blijvende onmogelijkheid bevindt om zijn schulden te voldoen (Gent, 27 april 1995, T.R.V. 1995, 604-612).
Ten onrechte stelt eiseres dat op het ogenblik van de vaststelling van het tijdstip van staking van betaling, het voor de toepassing van art.12, 2°, Faill. W. eveneens vereist zou zijn dat het krediet toen reeds aan het wankelen was. Deze voorwaarde wordt door de wet immers nergens gesteld en moet door de curator in het kader van art. 12, 2°, Faill. W. dan ook niet worden aangetoond. Dit artikel beoogt enkel de gelijkheid onder de schuldeisers en vereist niet dat de faillissementsvoorwaarden vervuld zijn. (...) Het is dan ook terecht dat de eerste rechter de datum van staking van betaling heeft vervroegd naar 14 juli 1998 bij toepassing van art. 12, 2°, Faill. W.
Grieven
Enig onderdeel
De gefailleerde wordt overeenkomstig artikel 12, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 geacht op te houden te betalen vanaf het vonnis van faillietverklaring of vanaf de dag van zijn overlijden wanneer de faillietverklaring nadien is uitgesproken.
Dit tijdstip mag krachtens artikel 12, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 door de rechtbank alleen worden vervroegd wanneer ernstige en objectieve omstandigheden ondubbelzinnig aangeven dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden.
Het instellen van een verdachte periode vereist niet alleen het bewijs dat de handelaar zijn betalingen duurzaam gestaakt heeft maar ook dat zijn krediet ernstig geschokt was en vereist derhalve het bewijs dat de faillissementsvoorwaarden reeds vervuld waren vóór het vonnis van faillietverklaring zodat de datum van ophouden van betaling bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 geen andere datum is dan deze waarop de faillissementsvoorwaarden vervuld waren in de zin van artikel 2 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997.
Het enkel feit dat de voorwaarde van het geschokt krediet niet vermeld is in artikel 12, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 doet hieraan geen afbreuk vermits die voorwaarde evenmin vermeld is in artikel 9, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 die de koopman verplicht binnen een maand nadat hij heeft opgehouden te betalen, daarvan aangifte te doen terwijl ook die aangifte enkel verplicht is wanneer tevens het krediet van die koopman geschokt is in de zin van artikel 2 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 ook al is die voorwaarde niet gesteld in het voormeld artikel 9, eerste lid.
Het bestreden arrest heeft dan ook ten onrechte beslist dat het voor de toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 niet vereist is dat het krediet reeds aan het wankelen was op het ogenblik van de vaststelling van het tijdstip van staking van betaling en het heeft op die grond dan ook niet wettelijk beslist dat de eerste rechter de datum van staking van betaling terecht heeft vervroegd naar 14 juli 1998 bij toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 (schending van de artikelen 2 en 12 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997).
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Eerste onderdeel
1. Op grond van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.
2. Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek vereist niet dat de nieuwe vordering, wanneer zij berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, uitsluitend op dat feit of die akte berust.
3. De dagvaarding vermeldt als feiten:
- dat (de tweede verweerster) haar schuld aan de bank slechts gedeeltelijk heeft kunnen voldoen door op onregelmatige wijze over te gaan tot liquidatie van de vennootschap door verkoop van de stock, de personenwagen, de machines, de computer;
- dat (de eiseres) daarenboven op 15 september 1998 aan de raadsman van mevrouw V. mededeelde dat zij geprobeerd heeft zijn cliënte zoveel mogelijk te bevoordelen vooraleer in vereffening te zullen gaan, vereffening die er nooit gekomen is, bekentenis die eveneens wijst op een onderneming in moeilijkheden.
4. De vordering gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid die eerste verweerder bij tegensprekelijke conclusies tegen eiseres heeft ingesteld, onder verwijzing naar artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, berust onder meer op deze feiten.
5. Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
3. De vordering uit hoofde van oprichtersaansprakelijkheid die eerste verweerder, onder verwijzing naar artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek, bij tegensprekelijke conclusies tegen eiseres heeft ingesteld, vertoont geen enkel verband met de in het eerste onderdeel aangehaalde feiten die in de dagvaarding zijn vermeld. Deze vordering berust derhalve niet op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd.
4. Nu het arrest deze vordering ontvankelijk verklaart, ondanks de betwisting door eiseres, schendt het artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek.
5. Het onderdeel is gegrond.
Tweede middel
6. Het door de rechter bevolen deskundigenonderzoek mag enkel tot doel hebben feitelijke vaststellingen te doen of technisch advies te geven.
7. De rechters in eerste aanleg vroegen de deskundige onder meer om advies uit te brengen nopens:
- het feit of het maatschappelijk kapitaal bij de oprichting van de vennootschap kennelijk ontoereikend zou zijn geweest voor een normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid gedurende twee jaar,
- in zoverre bepaalde verantwoordelijkheden zouden zijn aangetoond bij bovenvermelde punten of andere punten naar aanleiding van de vragen van partijen: aan wie zijn zij toe te schrijven? Zijn deze fouten als kennelijk en grof te beschouwen en waren zij rechtstreeks dan wel onrechtstreeks aanleiding tot het faillissement?
8. De rechters gelasten de aangestelde deskundige aldus niet enkel vaststellingen te doen of technisch advies te geven, maar dragen hem op om advies uit te brengen over de gegrondheid van de vordering zelf.
9. Door de opdracht van de deskundige, ondanks de betwisting door eiseres zonder meer te bevestigen, schendt het bestreden arrest de in het middel aangewezen bepalingen.
10. Het middel is gegrond.
Derde middel
11. De gefailleerde wordt op grond van artikel 12, eerste lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 geacht op te houden te betalen vanaf het vonnis van faillietverklaring of vanaf de dag van zijn overlijden wanneer de faillietverklaring nadien is uitgesproken. Dit tijdstip mag, op grond van het tweede lid van voormeld artikel, door de rechtbank alleen worden vervroegd wanneer ernstige en objectieve omstandigheden ondubbelzinnig aangeven dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden; deze omstandigheden moeten in het vonnis worden vermeld.
12. De uitdrukking "dat de betalingen voor het vonnis hebben opgehouden", gebruikt in artikel 12, tweede lid, van die wet, verwijst naar de faillissements-voorwaarden vermeld in artikel 2, eerste lid, van dezelfde wet, waarvan de kern hierin bestaat dat de koopman definitief heeft opgehouden te betalen, wat meteen noodzakelijk inhoudt dat hij over geen krediet meer beschikt. Het feit dat de koopman nog over krediet zou beschikken zou verhinderen dat de koopman definitief heeft opgehouden te betalen.
13. Dit heeft tot gevolg dat voor de toepassing van artikel 12, tweede lid, de rechter moet vaststellen dat de koopman op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en dat zijn krediet is geschokt op het tijdstip waarop de rechtbank de staking van betaling vaststelt.
14. De appelrechters oordelen dat, voor de toepassing van artikel 12, tweede lid, van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, niet vereist is dat op het ogenblik van de vaststelling van het tijdstip van staking van betaling het krediet reeds aan het wankelen was.
15. Aldus verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.
16. Het middel is gegrond.
13. Dictum
14. Het Hof,
15. Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre het de vordering gebaseerd op bestuurdersaansprakelijkheid ontvankelijk verklaart.
16. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
17. Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij.
18. Houdt de kosten aan en laat de betwisting daaromtrent aan de feitenrechter over.
19. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Eric Dirix, Albert Fettweis en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 10 november 2006 uitgesproken door voorzitter Christian Vandewal, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.