Hof van Cassatie: Arrest van 11 Mei 1998 (België). RG C970075F

Date :
11-05-1998
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19980511-12
Numéro de rôle :
C970075F

Résumé :

Feitelijke grondslag mist het middel dat op een onjuiste uitlegging van de bestreden beslissing berust.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 4 april 1997 gewezen door het Hof van Beroep te Bergen;
Over het eerste middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 246, 251 en 260 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (afgekort, WIB 1964), 1349, 1353 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 149 van de Grondwet,
doordat het arrest vaststelt: - dat de administratie voor het aanslagjaar 1984 onder het artikel 520321 ten laste van de verweerders een eerste aanslag heeft ingekohierd; - dat zij op 18 november 1986 aan verweerder een bericht van wijziging heeft gezonden, aangezien zij van oordeel was dat verweerders inkomsten met 600.000 frank moesten worden verhoogd; - dat de administratie op 12 december 1986, d.w.z. vóór het verstrijken van de bij artikel 251, WIB (1964) bepaalde termijn van één maand, onder het artikel 6712555 een aanvullende aanslag bij het artikel 520321 heeft ingekohierd; dat die aanvullende aanslag evenwel wegens een procedurefout bij beslissing van 23 februari 1987 nietig werd verklaard; - dat de administratie, na die nietigverklaring, op 7 april 1987 onder artikel 720021 een nieuwe aanvullende aanslag bij het artikel 520321 heeft ingekohierd en - dat de verweerders de administratie (verweten hebben) dat zij zich op artikel 260, WIB (1964) had beroepen, met als enig doel het op 31 december 1986 ingetreden verval te voorkomen; dat het arrest vervolgens beslist dat, "gelet op die feiten moet worden aangenomen dat de administratie, die niet verantwoordt waarom de rechten van de Schatkist wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn in gevaar verkeren, niet kon beschikken over de buitengewone termijn voor de vaststelling van een nieuwe aanslag op grond dat een onwettige aanslag, die zij vastgesteld had vóór het verstrijken van de in artikel 259, eerste lid, WIB (1964) vastgestelde gewone termijn van drie jaar, was nietig verklaard, aangezien de nog resterende gewone termijn niet is aangewend om de aanvullende aanslag regelmatig in te kohieren; dat de belastingplichtigen bijgevolg terecht betogen dat artikel 260, WIB (1964) ten onrechte is toegepast"; dat het arrest de onder het artikel 720021 vastgestelde aanvullende aanslag nietig verklaart,
terwijl de nieuwe, op grond van artikel 260, WIB (1964), vastgestelde aanslag weliswaar onwettig is, als blijkt dat de administratie op dat artikel een beroep heeft gedaan met het oogmerk om het verval te voorkomen en een aanvullende termijn, nl. die van artikel 260, WIB (1964), te verkrijgen; het hof van beroep evenwel, wanneer het kennisneemt van verweerders grief betreffende dat opzet, moet nagaan of dat opzet behoorlijk is bewezen, en of daarbij alle, bij artikel 246, WIB (1964) toegelaten bewijsmiddelen, met inbegrip van de feitelijke vermoedens zijn gebruikt, op de wijze bepaald in het gemeen recht, dat zijn de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek; dat het feitelijk vermoeden de gevolgtrekking is die de magistraat afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit; het bestaan van de feiten waarop het hof van beroep zijn beslissing grondt, weliswaar op onaantastbare wijze door dat hof wordt vastgesteld en de gevolgtrekkingen die het als vermoeden daaruit afleidt, weliswaar aan diens oordeel en beleid overgelaten worden, maar het hof het wettelijk begrip "feitelijk vermoeden" niet mag miskennen of verdraaien, en, inzonderheid, uit de feiten die het vastgesteld heeft, geen gevolgtrekkingen mag maken die op grond van die feiten niet kunnen worden verantwoord; de loutere bewering van een procespartij dat een feit bestaat, in de regel niet kan gelden als bewijs van het bestaan van dat feit; het hof van beroep bijgevolg, nu het vaststelt, enerzijds, dat de administratie de aanslag nr. 720021 (lees : 6712555) voor het aanslagjaar 1984 ten kohiere heeft gebracht vóór het verstrijken van de bij artikel 251, WIB (1964), bepaalde termijn van één maand, en, anderzijds, dat verweerder de ter vervanging van die aanslag vastgestelde aanslag betwist, op grond dat die aanslag volgens hem alleen vastgesteld was met de bedoeling om het verval te voorkomen, maar het aangevoerde feit alleen maar stelt zonder het bewijzen, niet zonder de in het middel aangegeven wetsbepalingen te schenden kon afleiden dat de administratie niet aangaf waarom de rechten van de Schatkist wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn in gevaar verkeerden :
Overwegende dat het arrest met betrekking tot het aanslagjaar 1984 vaststelt dat de administratie op 18 november 1986 aan de verweerders een bericht van wijziging heeft gezonden; dat zij, zonder te wachten tot de bij artikel 251, derde lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1964) bepaalde termijn van één maand verstreken was, een aanvullende aanslag heeft ingekohierd; dat die aanslag bij een beslissing van de directeur nietig verklaard werd en dat de administratie vervolgens een nieuwe aanvullende aanslag vastgesteld heeft op grond van artikel 260 van dat wetboek;
Overwegende dat het arrest beslist "dat gelet op die feiten moet worden vastgesteld dat de administratie, die niet verantwoordt waarom de rechten van de Schatkist wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn in gevaar verkeren, niet kon beschikken over de buitengewone termijn voor de vaststelling van een nieuwe aanslag op grond dat een onwettige aanslag, die zij vastgesteld had vóór het verstrijken van de in artikel 259, eerste lid, WIB (1964) vastgestelde gewone termijn van drie jaar, was nietig verklaard, aangezien de nog resterende gewone termijn niet is aangewend om de aanvullende aanslag regelmatig in te kohieren";
Overwegende dat uit die overwegingen blijkt dat het arrest zijn beslissing dat de aanslag nr. 6712555 is ingekohierd is gebracht om de verjaring ervan te voorkomen, niet verantwoordt door verweerders bewering zonder meer over te nemen; dat het arrest, zonder op dat punt te worden bekritiseerd, zijn beslissing grondt, enerzijds, op het feit dat de administratie niet verantwoordt waarom de rechten van de Schatkist in gevaar zouden verkeren en, anderzijds, op het feit dat de nog resterende gewone termijn niet is aangewend om de aanvullende aanslag regelmatig in te kohieren;
Dat het middel feitelijke grondslag mist;
Over het tweede middel, gesteld als volgt: miskenning van het beginsel volgens hetwelk de wettelijke bepalingen inzake inkomstenbelastingen de openbare orde raken en, voor zoveel nodig, schending van artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het beginsel van de eenjarigheid van de belasting, zoals het voortvloeit uit de artikelen 20, 2°, b, 26, tweede lid, 2°, 27, § 1, tweede lid, 2°, 32 ter en 265 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964 (afgekort : WIB 1964) en schending van de artikelen 164 en 167, § 1, 3°, b, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1964 (afgekort : KB/WIB 1964), alsook van artikel 278, WIB (1964),
doordat het arrest erop wijst: - dat, wat de aanslagjaren 1984 en 1985 betreft, de administratie de belastingplichtige medegedeeld heeft dat zijn belastbare inkomsten verhoogd zouden worden met 600.000 frank voor elk van die jaren, uit hoofde van de voordelen die voortvloeien uit het gebruik van een voertuig dat toebehoort aan de vennootschap waarin de belastingplichtige de functie van bestuurder uitoefende; - dat de verweerders, wat dat betreft, zich beroepen op een eerder over een bedrag van 270.000 frank gesloten akkoord en op het feit dat de administratie het gebruik van voornoemd voertuig voor privé-doeleinden niet bewijst; - en dat de administratie dat eerder gesloten akkoord niet betwist, maar betoogt dat zij, nu het om voordelen van alle aard gaat, zij de waarde ervan kan aanpassen met inaanmerkingneming van de gegevens en andere feiten die zij vaststelt, en aldus erop wijst dat het door de voornoemde vennootschap in leasing genomen voertuig gratis ter beschikking is gesteld van de belastingplichtige, de bestuurder van de vennootschap, die geen bijzondere functies uitoefent en niet bewijst dat hij voor de vennootschap werkelijke arbeid verricht; dat het arrest vervolgens beslist dat een tussen de administratie en de belastingplichtige gesloten akkoord, in de regel, alleen voor de toekomst kan worden gewijzigd en dat het op de opmerking van de administratie, volgens welke er uitsluitend over de bedrijfslasten maar niet over de voordelen in natura een akkoord kan worden gesloten, antwoordt dat er ook over louter feitelijke kwesties akkoorden kunnen worden gesloten en dat de raming van de belastbare grondslag, die een raming inhoudt van de verschillende bestanddelen ervan, aldus kan leiden tot een samenloop van wilsuitingen waarvan de gevolgen beperkt zijn; dat het hof (van beroep) van oordeel is dat er, met toepassing van dat algemeen beginsel, een individueel akkoord kan worden gesloten over het bedrag van een voordeel van alle aard; dat het hof van beroep meent dat, aangezien de belastingplichtigen, zonder op dat punt te worden tegengesproken, aangevoerd hebben dat het voertuig in 1983 en 1984 onder dezelfde voorwaarden is gebruikt als tijdens de voorbije aanslagjaren, er geen enkele reden bestond om het daarover gesloten akkoord te betwisten; dat de opzegging ervan alleen voor de toekomst gevolgen kon hebben en dat de grief van de verweerder bijgevolg gegrond is, dat het voordeel van alle aard voor beide litigieuze aanslagjaren niet op een hoger bedrag dan 270.000 frank kon worden geraamd,
terwijl de wettelijke bepalingen betreffende de vaststelling van de belasting de openbare orde raken en er over de toepassing ervan, behoudens uitdrukkelijke afwijking in de belastingwet, geen overeenkomsten kunnen worden gesloten tussen de belastingplichtige en de administratie der directe belastingen; de belasting immers wordt vastgesteld krachtens de wettelijke bepalingen die op het beschouwde aanslagjaar van toepassing zijn en niet krachtens overeenkomsten die tussen de belastingplichtige en de fiscus gesloten worden; artikel 265, WIB (1964), overigens bepaalt dat de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting gevestigd wordt op de inkomsten welke de belastingplichtige behaald of verkregen heeft gedurende het belastbaar tijdperk, en de artikelen 164 en 167, § 1, 3°, b, KB/WIB (1964) bepalen dat, wat de personenbelastingen betreft, de tijdens het belastbaar tijdperk aan de belastingplichtige betaalde of toegekende inkomsten tot de inkomsten van dat tijdperk behoren; het beginsel van de eenjarigheid van de belasting, dat voortvloeit uit de artikelen 20, 2°, b, 26, tweede lid, 2°, 27, § 1, tweede lid, 2°, en 265, WIB (1964), veronderstelt dat, als het voordelen van alle aard betreft die anders dan in geld verkregen zijn, het bedrag van die voordelen bepaald moet worden tot beloop van de werkelijke waarde die zij voor de beschouwde belastbare periode hebben, zonder acht te slaan op de feiten die de administratie bij het onderzoek van de voor vroegere aanslagjaren ingediende belastingaangiften kan hebben aangenomen; het hof van beroep, als het met toepassing van artikel 278, WIB (1964), kennisneemt van een voorziening tegen een beslissing van de directeur der belastingen, wegens het feit dat belastingzaken de openbare orde raken, aldus zelf, in feite en in rechte, binnen de perken van het aanhangig gemaakte geschil, de bewijswaarde moet beoordelen van de aan het hof regelmatig voorgelegde gegevens van de zaak, teneinde de belastingschuld te bepalen en, in casu, het bestaan van voordelen van alle aard en van de werkelijke waarde ervan voor de betrokken jaren moet vaststellen; het hof van beroep bijgevolg, nu het beslist dat de administratie voor de toekomst gebonden was door het vroegere over de voordelen van alle aard gesloten individuele akkoord, en dat, aangezien het voertuig tijdens de litigieuze jaren onder dezelfde voorwaarden was gebruikt als tijdens de voorgaande aanslagjaren, er geen enkele reden was om het daarover gesloten akkoord te betwisten, en nu het de werkelijke waarde dat voornoemd voordeel voor de betrokken aanslagjaren heeft, niet zelf raamt en evenmin nagaat of het ten gevolge van het vroeger akkoord in aanmerking genomen bedrag wel degelijk overeenstemde met die werkelijke waarde voor de betrokken aanslagjaren, de in het middel aangegeven wettelijke bepalingen en rechtsbeginselen schendt :
Overwegende dat het arrest vaststelt dat de administratie het bedrag van de inkomsten van verweerder verhoogd heeft met 600.000 frank per aanslagjaar, uit hoofde van voordelen die voortvloeien uit het gebruik van een voertuig dat toebehoorde aan de vennootschap waarin hij de functie van bestuurder uitoefende, dat de verweerders zich beriepen op een eerder met de administratie over een bedrag van 270.000 frank gesloten akkoord, en dat het bestaan van dat akkoord door de administratie niet ontkend wordt;
Overwegende dat het hof van beroep, zonder dienaangaande bekritiseerd te worden, oordeelt dat het akkoord betrekking had op een feitelijke kwestie, namelijk de raming van een voordeel in natura;
Overwegende dat uit het arrest niet blijkt dat voornoemd akkoord ook maar het geringste voorbehoud bevat of door dwaling of enig ander wilsgebrek is aangetast, of dat er na het sluiten van voornoemd akkoord nieuwe gegevens zijn ontdekt;
Overwegende dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur het recht op rechtszekerheid omvatten; dat die beginselen bindend zijn voor de administratie van Financiën;
Dat het recht op rechtszekerheid onder meer impliceert dat de burger vertrouwen moet kunnen stellen in wat alleen als een vaste beleids- en bestuursregel kan worden opgevat; dat de overheidsdiensten bijgevolg, in de regel, de burger niet mag beschamen in de gerechtvaardigde verwachtingen die zij bij hem hebben gewekt;
Dat het hof van beroep, door te overwegen dat de administratie voor de litigieuze aanslagjaren gebonden was door het akkoord over de raming van een voordeel in natura, zijn beslissing naar recht verantwoordt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.