Hof van Cassatie: Arrest van 12 December 1996 (België). RG F960034F

Date :
12-12-1996
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19961212-1
Numéro de rôle :
F960034F

Résumé :

De voorwaarden en het voorwerp van de voorziening voor het hof van beroep inzake inkomstenbelastingen, alsmede de rol van dat rechtscollege, zijn in de bijzondere bepalingen van de artt. 377 tot 385 WIB (1992) vastgelegd; artikel 1138, 2°, GerW. is op die rechtspleging niet van toepassing.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 24 november 1995 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 149 van de Grondwet, 1138, 2°, 1138, 3° van het Gerechtelijk Wetboek en 375 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en van het algemeen beschikkingsbeginsel,
doordat het arrest het bezwaarschrift van de eisers verwerpt op grond met name dat "onder voorbehoud van het subsidiaire argument betreffende het aantal kinderen, die te dezen een uitkering tot onderhoud hadden kunnen of moeten betalen aan de ouders (van eiser) - welk argument niet in aanmerking kan worden genomen, maar waarvan de verwerping geen invloed heeft op de relevantie van de beslissing - het hof (van beroep) de overige gronden van de bestreden beslissing alleen maar kan overnemen (...); dat uit de enkele, aan het bestuur overgezonden verantwoordingsstukken niet blijkt dat de vermoedelijke staat van behoeftigheid van de ouders van verzoeker de toekenning van een hoger bedrag noodzakelijk zou hebben gemaakt (...)",
terwijl, ...
tweede onderdeel, volgens het algemeen beschikkingsbeginsel en artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, de partijen over hun vordering in rechte beschikken, zodat de rechter de oorzaak van de eis niet kan wijzigen en niet ultra petita uitspraak kan doen; de eisers te dezen het hof van beroep niet hebben gevraagd uitspraak te doen over het bestaan van de staat van behoeftigheid; de eisers daarentegen in hun verzoekschrift hadden gepreciseerd dat de behoeftige toestand van de begunstigden van de uitkering niet opnieuw ter discussie diende te worden gesteld, aangezien het door de belastingambtenaar op 8 maart 1989 verzonden wijzigingsbericht die staat van behoeftigheid geenszins betwistte; verweerder derhalve het hof van beroep niet kon vragen die staat van behoeftigheid te onderzoeken, in welk geval hij de aard zou wijzigen van het betwiste gegeven waarover de eisers oorspronkelijk verweer moesten voeren voor de belastingambtenaar; het hof van beroep dus, nu het nagaat of de begunstigden van de uitkering behoeftig waren, ultra petita uitspraak doet :
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat de voorwaarden en het voorwerp van de voorziening voor het hof van beroep inzake inkomstenbelastingen, alsmede de rol van dat rechtscollege zijn vastgelegd in de bijzondere bepalingen van de artikelen 377 tot 385 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992); dat artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek op die rechtspleging niet van toepassing is;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
OM DIE REDENEN,
ongeacht de door de eisers na de memorie van de Belgische Staat ingediende memorie van wederantwoord, die ten onrechte "memorie van antwoord" wordt genoemd, en die op de griffie van het Hof is ingekomen op 7 juni 1996,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt de eisers in de kosten.