Hof van Cassatie: Arrest van 12 Maart 1992 (België). RG 9085
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-19920312-13
- Numéro de rôle :
- 9085
Résumé :
In geval van overdracht van een handelshuurovereenkomst, met toepassing van art. 11 Handelshuurwet, moet de opzegging door de verhuurder noodzakelijk aan de overnemer worden gericht; niet naar recht verantwoord is de beslissing van het vonnis, waarin een opzegging waarvan aan de overdrager kennis is gegeven, geldig wordt verklaard op grond dat de overnemer kennis ervan heeft kunnen nemen.
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
HET HOF; - Gelet op het bestreden vonnis, op 16 mei 1990 door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dinant in hoger beroep gewezen;
Over het middel : schending van artikel 3, vijfde lid, van de regels betreffende de handelshuur in het bijzonder, in het Burgerlijk Wetboek ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 30 april 1951 en gewijzigd bij de wetten van 29 juni 1955 en 5 juli 1963, alsook van de artikelen 1101, 1102, 1108, 1134, eerste en tweede lid, 1165 en 1709 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden vonnis vaststelt "dat (de eiseres) Eliane Billy door de overdracht van 14 juni 1984 huurster werd van het litigieuze pand; dat terzelfder tijd (de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen persoon) Anne-Marie Dequesnes (lees : Dequesne) die hoedanigheid verloor, doch op grond van de wet hoofdelijk met de overneemster gehouden was tot de nakoming van de huurverplichtingen", dat "de overdracht aan de verhuurders was aangezegd op 20 augustus 1984; dat de verhuurders dus klaarblijkelijk ten gevolge van een vergissing op 18 december 1987 kennis gaven van een opzegging aan de overdraagster en een afschrift daarvan bij aangetekende brief zonden aan de overneemster"; dat het daarna beslist dat "de (aan de eiseres) Eliane Billy op 18 december 1987 ter kennis gebrachte opzegging geldig was en dat de huur aldus eindigde op 31 december 1988"; dat het die beslissing hierop grondt dat de wezenlijke bestanddelen van de opzegging zijn : het feit dat de verhuurder zijn wil te kennen geeft om een einde te maken aan het contract, alsook het feit dat de huurder kennis kan krijgen van die beslissing", "dat het niet kan worden betwist dat, ook al was de opzegging gericht aan de gewezen huurster van het pand, de huidige huurder daarvan onverwijld kennis kreeg in de bij artikel 3, vijfde lid, van de Handelshuurwet bepaalde vormen" en "dat aldus de vergissing waarvan boven sprake geen enkel gevolg had voor de geldigheid van de opzegging en bij de huurster geen twijfel kon doen rijzen omtrent het voornemen van de verhuurders om een einde te maken aan de huurovereenkomst",
terwijl inzake huur de door de verhuurder gegeven opzegging een eenzijdige akte is waarbij hij aan de huurder zijn voornemen te kennen geeft om aan het tussen hen bestaande contract een einde te maken; de opzegging noodzakelijk moet worden gericht aan de huurder zelf; de verhuurder het huurcontract enkel mag ontbinden op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Handelshuurwet, wanneer hij de opzegging ter kennis brengt van de partij aan wie de opzegging wordt gericht; de opzegging dus krachtens die wetsbepaling van dwingend recht diende te worden gericht aan eiseres zelf, aangezien alleen zij de hoedanigheid van huurder bezat; uit de omstandigheid dat eiseres kennis heeft gekregen van een zogenaamde "opzegging", die verkeerdelijk aan een derde was gestuurd, niet kan worden afgeleid dat de verhuurder haar persoonlijk en rechtsgeldig kennis heeft gegeven van een opzegging; het bestreden vonnis derhalve, nu het de aangetekende brief waarbij het huurcontract eenzijdig een einde werd gemaakt op 18 maart 1987 als een geldige opzegging, door verweerder, verhuurder, gegeven aan eiseres, huurster, beschouwt en daaraan de wettelijke gevolgen van artikel 3, vijfde lid, van de Handelshuurwet verbindt, ofschoon die brief door hen verkeerdelijk was gestuurd aan de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen persoon, die geen huurder meer was, en daarvan alleen een afschrift dezelfde dag bij aangetekende brief was gezonden aan eiseres, de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt :
Overwegende dat luidens artikel 11.I, eerste lid, van de wet van 30 april 1951 houdende de regels betreffende de handelshuur in het bijzonder, de overnemer rechtstreekse huurder wordt van de verhuurder;
Overwegende dat het vonnis vaststelt dat "(eiseres) door de overdracht op 14 juni 1984 huurster werd van het litigieuze pand", dat "de overdracht aan de (verweerders) was aangezegd op 20 augustus 1984" en dat "zij de (tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij) kennis gaven van een opzegging en een afschrift daarvan bij aangetekende brief zonden aan de overneemster";
Overwegende dat de opzegging de akte is waarbij een partij aan de wederpartij ter kennis brengt dat zij aan het huurcontract een einde wil maken; dat die akte, wanneer zij van de verhuurder uitgaat, noodzakelijk moet worden gericht aan de huurder, die immers de enige houder is van het huurrecht; dat in geval van overdracht van een handelshuurovereenkomst met toepassing van artikel 11 van de wet van 30 april 1951 de opzegging ter kennis moet worden gebracht van de overnemer;
Overwegende dat de rechtbank, door te beslissen dat de opzegging geldig was op grond dat de overneemster kennis had kunnen nemen van de aan de overdraagster ter kennis gebrachte opzegging, de in het middel vermelde wetsbepalingen schendt;
Dat het middel gegrond is;
Om die redenen, vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het uitspraak doet over de indexering van de huurprijzen en over de onroerende voorheffing voor de jaren 1986 en 1987; verklaart het arrest bindend voor Anne-Marie Dequesne; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis; houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter; verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen, zitting houdende in hoger beroep.
Over het middel : schending van artikel 3, vijfde lid, van de regels betreffende de handelshuur in het bijzonder, in het Burgerlijk Wetboek ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 30 april 1951 en gewijzigd bij de wetten van 29 juni 1955 en 5 juli 1963, alsook van de artikelen 1101, 1102, 1108, 1134, eerste en tweede lid, 1165 en 1709 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden vonnis vaststelt "dat (de eiseres) Eliane Billy door de overdracht van 14 juni 1984 huurster werd van het litigieuze pand; dat terzelfder tijd (de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen persoon) Anne-Marie Dequesnes (lees : Dequesne) die hoedanigheid verloor, doch op grond van de wet hoofdelijk met de overneemster gehouden was tot de nakoming van de huurverplichtingen", dat "de overdracht aan de verhuurders was aangezegd op 20 augustus 1984; dat de verhuurders dus klaarblijkelijk ten gevolge van een vergissing op 18 december 1987 kennis gaven van een opzegging aan de overdraagster en een afschrift daarvan bij aangetekende brief zonden aan de overneemster"; dat het daarna beslist dat "de (aan de eiseres) Eliane Billy op 18 december 1987 ter kennis gebrachte opzegging geldig was en dat de huur aldus eindigde op 31 december 1988"; dat het die beslissing hierop grondt dat de wezenlijke bestanddelen van de opzegging zijn : het feit dat de verhuurder zijn wil te kennen geeft om een einde te maken aan het contract, alsook het feit dat de huurder kennis kan krijgen van die beslissing", "dat het niet kan worden betwist dat, ook al was de opzegging gericht aan de gewezen huurster van het pand, de huidige huurder daarvan onverwijld kennis kreeg in de bij artikel 3, vijfde lid, van de Handelshuurwet bepaalde vormen" en "dat aldus de vergissing waarvan boven sprake geen enkel gevolg had voor de geldigheid van de opzegging en bij de huurster geen twijfel kon doen rijzen omtrent het voornemen van de verhuurders om een einde te maken aan de huurovereenkomst",
terwijl inzake huur de door de verhuurder gegeven opzegging een eenzijdige akte is waarbij hij aan de huurder zijn voornemen te kennen geeft om aan het tussen hen bestaande contract een einde te maken; de opzegging noodzakelijk moet worden gericht aan de huurder zelf; de verhuurder het huurcontract enkel mag ontbinden op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Handelshuurwet, wanneer hij de opzegging ter kennis brengt van de partij aan wie de opzegging wordt gericht; de opzegging dus krachtens die wetsbepaling van dwingend recht diende te worden gericht aan eiseres zelf, aangezien alleen zij de hoedanigheid van huurder bezat; uit de omstandigheid dat eiseres kennis heeft gekregen van een zogenaamde "opzegging", die verkeerdelijk aan een derde was gestuurd, niet kan worden afgeleid dat de verhuurder haar persoonlijk en rechtsgeldig kennis heeft gegeven van een opzegging; het bestreden vonnis derhalve, nu het de aangetekende brief waarbij het huurcontract eenzijdig een einde werd gemaakt op 18 maart 1987 als een geldige opzegging, door verweerder, verhuurder, gegeven aan eiseres, huurster, beschouwt en daaraan de wettelijke gevolgen van artikel 3, vijfde lid, van de Handelshuurwet verbindt, ofschoon die brief door hen verkeerdelijk was gestuurd aan de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen persoon, die geen huurder meer was, en daarvan alleen een afschrift dezelfde dag bij aangetekende brief was gezonden aan eiseres, de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt :
Overwegende dat luidens artikel 11.I, eerste lid, van de wet van 30 april 1951 houdende de regels betreffende de handelshuur in het bijzonder, de overnemer rechtstreekse huurder wordt van de verhuurder;
Overwegende dat het vonnis vaststelt dat "(eiseres) door de overdracht op 14 juni 1984 huurster werd van het litigieuze pand", dat "de overdracht aan de (verweerders) was aangezegd op 20 augustus 1984" en dat "zij de (tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij) kennis gaven van een opzegging en een afschrift daarvan bij aangetekende brief zonden aan de overneemster";
Overwegende dat de opzegging de akte is waarbij een partij aan de wederpartij ter kennis brengt dat zij aan het huurcontract een einde wil maken; dat die akte, wanneer zij van de verhuurder uitgaat, noodzakelijk moet worden gericht aan de huurder, die immers de enige houder is van het huurrecht; dat in geval van overdracht van een handelshuurovereenkomst met toepassing van artikel 11 van de wet van 30 april 1951 de opzegging ter kennis moet worden gebracht van de overnemer;
Overwegende dat de rechtbank, door te beslissen dat de opzegging geldig was op grond dat de overneemster kennis had kunnen nemen van de aan de overdraagster ter kennis gebrachte opzegging, de in het middel vermelde wetsbepalingen schendt;
Dat het middel gegrond is;
Om die redenen, vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre het uitspraak doet over de indexering van de huurprijzen en over de onroerende voorheffing voor de jaren 1986 en 1987; verklaart het arrest bindend voor Anne-Marie Dequesne; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis; houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter; verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen, zitting houdende in hoger beroep.