Hof van Cassatie: Arrest (België). RG P.18.0243.N

Date :
12-03-2019
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20190312-1
Numéro de rôle :
P.18.0243.N

Résumé :

Samenvatting 1

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. P.18.0243.N

LE PALAIS DE CHINE bvba, met zetel te 7780 Komen (Komen-Waasten), Vestingstraat 9,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Emmanuel Aspeele, advocaat bij de balie West-Vlaanderen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 9 februari 2018.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 4 Grondwet, de artikelen 1, 1°, 1, 4°, 41, § 1 en § 2 en 58 Taalwet Bestuurszaken en de artikelen 11 en 40 Taal-wet Gerechtszaken, zoals hier toepasselijk: het bestreden vonnis oordeelt ten on-rechte dat de eiseres gehouden was te antwoorden op een Nederlandstalig ver-zoek tot inlichtingen in de zin van artikel 67ter Wegverkeerswet, hoewel zij in het Franse taalgebied is gevestigd en de Nederlandse taal niet machtig is; de ei-seres was op het ogenblik van het verzenden van dit verzoek nog niet verdacht van het misdrijf waarvoor een proces-verbaal werd opgesteld; op loutere brief-wisseling, verzonden in het kader van een strafonderzoek is de Taalwet Be-stuurszaken en niet artikel 11 Taalwet Gerechtszaken van toepassing.

2. Krachtens artikel 11, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken worden de proces-sen-verbaal betreffende de opsporing en de vaststelling van misdaden, wanbe-drijven en overtredingen, alsook de processen-verbaal van fiscale aangelegenhe-den in het Franse taalgebied in het Frans, in het Nederlandse taalgebied in het Nederlands en in het Duitse taalgebied in het Duits gesteld.

Artikel 67ter, eerste lid, Wegverkeerswet, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat wanneer een verkeersovertreding wordt begaan met een motorvoertuig inge-schreven op naam van een rechtspersoon, die rechtspersoon de identiteit moet meedelen van de bestuurder of de houder van het voertuig op het ogenblik van de feiten. Artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet, zoals hier toepasselijk, voegt hieraan toe dat die mededeling moet gebeuren binnen een termijn van 15 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de vraag om inlichtingen gevoegd bij het af-schrift van het proces-verbaal, werd verstuurd.

3. Uit deze bepalingen in hun samenhang gelezen, volgt dat een schriftelijke vraag tot inlichtingen in de zin van artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet een opsporingshandeling vormt die in de taal van het proces-verbaal dat de ge-pleegde verkeersovertreding vaststelt, dient te worden opgesteld.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Het bestreden vonnis stelt vast dat de inbreuk is gepleegd in Menen waar de streektaal het Nederlands is en oordeelt aldus naar recht dat het proces-verbaal met het antwoordformulier correct in het Nederlands werd opgesteld.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. Voor het overige vereist het middel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek en artikel 67ter Wegverkeerswet, zoals hier toepasselijk: het bestreden vonnis oordeelt dat het voor de schuldigverkla-ring aan voormeld artikel 67ter volstaat dat het verzoek tot inlichtingen is ver-zonden; het laat hierbij na te antwoorden op eiseres' verweer dat de afgifte aan de post noch de eigenlijke verzending is bewezen en motiveert ook niet waaruit het bewijs van verzending blijkt; tevens gaat het bestreden vonnis uit van het vermoeden dat een verzonden verzoek tot inlichtingen de bestemmeling ook be-reikt zonder hierbij te antwoorden op eiseres' argumenten tot weerlegging van dit vermoeden; verder miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van eiseres' beroepsbesluiten door te oordelen dat haar verweer voorbijgaat aan het herinne-ringsschrijven van 16 juli 2016 waarop de eiseres evenmin zou hebben gerea-geerd; in deze besluiten heeft de eiseres immers de ontvangst van elk verzoek tot inlichtingen ontkend.

7. Het bestreden vonnis oordeelt dat:

  • - de eiseres in besluiten betwist dat zij enig verzoek heeft ontvangen om de identiteit van de bestuurder van het voertuig mee te delen en drie hypotheses formuleert die dit gebrek aan ontvangst kunnen verklaren;

  • - de schuldigverklaring aan het door artikel 67ter Wegverkeerswet bedoelde misdrijf niet het bewijs vereist dat de vraag om inlichtingen ook werd ont-vangen door de houder van het kenteken van het voertuig of door de houder van het voertuig en het aan de partij die beweert de vraag tot inlichtingen niet te hebben ontvangen, toekomt om de feitelijke elementen aan te geven die de-ze beweringen aannemelijk maken;

  • - de door de eiseres hiertoe aangevoerde feitelijke elementen niet overtuigen.

  • Met deze redenen beantwoorden de appelrechters het in het middel aangevoerde verweer van de eiseres, zonder dat zij alle argumenten tot staving van dit ver-weer dienden te ontmoeten en verantwoorden zij eiseres' schuldigverklaring naar recht.

    In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

    8. De appelrechters oordelen op onaantastbare wijze dat het verweer van de eiseres dat zij het verzoek tot inlichtingen niet heeft ontvangen, niet overtuigt.

    In zoverre het middel opkomt tegen deze onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter, is het niet ontvankelijk.

    9. Met het in het middel vermelde oordeel geeft het bestreden vonnis geen uitlegging van eiseres' beroepsconclusie. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen.

    In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

    Derde middel

    10. Het middel voert schending aan van de artikelen 6, 7.1 en 13 EVRM, de ar-tikelen 10, 11, 12, 13 en 14 Grondwet en artikel 67ter Wegverkeerswet, zoals hier toepasselijk, alsook miskenning van het wettigheidsbeginsel in strafzaken en de algemene rechtsbeginselen van het vermoeden van onschuld, het recht van verdediging, het recht op een behoorlijke toegang tot de rechter en het recht op een eerlijk proces: het bestreden vonnis leidt uit voormeld artikel 67ter ten on-rechte het vermoeden af dat gewone postzendingen de bestemmeling bereiken tenzij deze met feitelijke elementen aantoont dat zijn bewering dat hij het ver-zoek tot inlichtingen niet heeft ontvangen, aannemelijk is; dit vermoeden is in strijd met de werkelijkheid vermits er regelmatig gewone postzendingen verlo-ren gaan zonder dat de reden hiervoor kan worden achterhaald; er is geen nood-zaak om bij de vervolging van voormeld artikel 67ter toepassing te maken van dit vermoeden aangezien er, zonder overdreven kosten of inspanningen van de overheid, alternatieven zijn om het bewijs van ontvangst te verzekeren; dit ver-moeden is in de praktijk onweerlegbaar; het bewijs of het aannemelijk maken van de niet-ontvangst van een gewone postzending is in de regel immers niet mogelijk.

    De eiseres verzoekt het Hof volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: "Is artikel 67ter Wegverkeerswet van 16/3/1968, in de versie zo-als van toepassing op 15/5/2016, in die zin geïnterpreteerd dat de persoon die op grond van dit artikel vervolgd wordt, vermoed wordt de vraag om inlichtingen, gevoegd bij het afschrift van het proces-verbaal, zoals bedoeld in dit wetsartikel, ontvangen te hebben of minstens het bewijs moet leveren van feitelijke omstan-digheden, eigen aan de zaak, waardoor het aannemelijk is dat dit bericht hem niet werd overgemaakt, bestaanbaar met het wettigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 12 en 14 Grondwet en artikel 7.1 EVRM en het vermoeden van onschuld en het recht op toegang tot de rechter en recht op een eerlijk proces, neergelegd in artikel 13 Grondwet en artikel 6 en 13 EVRM, voor zoveel als nodig juncto het verbod tot discriminatie, neergelegd in artikel 10 en 11 Grondwet."

    11. Het middel dat ervan uitgaat dat de vraag tot inlichtingen, verzonden bij gewone postzending, de eiseres niet heeft bereikt, vereist een onderzoek van fei-ten waarvoor het Hof niet is bevoegd en is niet ontvankelijk.

    12. De prejudiciële vraag heeft betrekking op een grief die om de in het ant-woord op dit middel gegeven reden welke vreemd is aan het onderwerp van de prejudiciële vraag, niet ontvankelijk is.

    De prejudiciële vraag dient niet te worden gesteld.

    Ambtshalve onderzoek

    13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

    Dictum

    Het Hof,

    Verwerpt het cassatieberoep.

    Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

    Bepaalt de kosten op 71,01 euro.

    Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 12 maart 2019 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.