Hof van Cassatie: Arrest van 13 Februari 1992 (België). RG F1133F

Date :
13-02-1992
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19920213-9
Numéro de rôle :
F1133F

Résumé :

Aangezien belastingzaken de openbare orde raken, moet het hof van beroep in feite en in rechte en binnen de perken, van het aan zijn oordeel onderworpen geschil, zelf de bewijswaarde toetsen van de bij het hof aangebrachte gegevens; het is daarbij niet gebonden door de vroegere houding van het bestuur, noch door de resultaten van de administratieve fase betreffende vroegere belastingjaren.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 18 december 1990 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het middel : miskenning van het karakter van openbare orde van de wettelijke bepaling inzake de inkomstenbelastingen, schending van de artikelen 71, alinéa 1, 3°, en alinéa 2, en 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en, voor zover nodig, van artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek, en ook miskenning van het beginsel van de annualiteit van de belasting, dat volgt uit de artikelen 71, alinéa 2, en 265 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen,
doordat het arrest, in het kader van een geschil over de aftrek van onderhoudsrenten die verweerder voor het belastingjaar 1983 aanvoert, vaststelt, enerzijds, "dat (verweerder), als bewijs van de betaling van die rente, overlegt vier aankoopberichten van Engelse ponden (in de loop van het jaar 1982)" en, anderzijds, "dat hij, zonder te worden tegengesproken, betoogt dat zijn belastingcontroleur (sedert 1978) de bankborderellen, tot staving van de aankoop van ponden voor het betalen van die rente, als voldoende bewijs van het bestaan ervan heeft aanvaard, gelet op de uitleg van (verweerder) dat hij zijn moeder (die in Groot-Brittannië verblijft) de verplaatsing wilde besparen en haar daarom de deviezen bij aangetekende brief toestuurde", en het arrest vervolgens beslist dat (eiser) die "de aftrek van de rente niet heeft aanvaard op grond dat (verweerder) de werkelijke en periodieke betaling van de bedragen aan de uitkeringsgerechtigde, ter uitvoering van de verplichting uit artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek, niet aantoonde", "niet a posteriori een handelwijze (van verweerder) kon afwijzen die de belastingcontroleur gedurende verschillende jaren had gedoogd, terwijl deze daarvan op de hoogte moest zijn",
terwijl de westbepalingen inzake het vaststellen van de belastingen van openbare orde zijn en over hun toepassing, behoudens uitdrukkelijk in de belastingwet bepaalde uitzondering, geen enkele overeenkomst tussen de belastingplichtige en het bestuur van de belastingen kan worden gesloten; naar luid van artikel 71, alinéa 1, 3°, en alinéa 2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, "de tachtig honderdsten van de renten of kapitalen die de belastingplichtige regelmatig heeft betaald of toegekend aan personen die geen deel uitmaken van zijn gezin, (...en) ter uitvoering van een verplichting op grond van de artikelen (...) 205 (...) van het Burgerlijk Wetboek", "(...) in mindering worden gebracht van de inkomsten van het belastbaar tijdperk waarin zij werkelijk werden betaald"; die wetsbepaling geen enkele regeling bij overeenkomst van de daarbij ingestelde belastingaftrek bepaalt; het bestuur van de rechtstreekse belastingen, omdat artikel 71, alinéa 1, 3°, en alinéa 2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, dat betrekking heeft op het vaststellen van de belastingen, van openbare orde is, moet nagaan of de belastingplichtige genoegzaam naar recht bewijst dat de renten waarvan hij voor een bepaald belastingjaar de aftrek vraagt, aan de in de voormelde wetsbepaling gestelde vereisten beantwoorden; het daartoe de bewijswaarde moet onderzoeken van de gegevens die de belastingplichtige overlegt om aan te tonen dat de aangevoerde rechten voldoen aan de vereisten van artikel 71, alinéa 1, 3°, en alinéa 2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen; dat onderzoek een verplichting uitmaakt voor het bestuur van de rechtstreekse belastingen waaraan het niet op geldige wijze kan ontkomen onder aanvoering dat het dat onderzoek reeds heeft gedaan in de loop van vroegere belastingjaren; het beginsel van de annualiteit van de belastingen, dat voortvloeit uit de bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, en inzonderheid uit de artikelen 71, alinéa 2, en 265 van het Wetboek van de Inkomstenbelasti
ngen, eveneens vereist dat dit onderzoek wordt gedaan telkens de belastingplichtige zijn onderhoudsrenten voor een bepaald belastbaar tijdperk wil doen aftrekken; omdat de materie inzake inkomstenbelastingen van openbare orde is, het hof van beroep waarbij op grond van artikel 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen een voorziening tegen een beslissing van de directeur of van een door hem gedelegeerde ambtenaar aanhangig is, evenzo zelf, binnen de perken van het aan zijn oordeel onderworpen geschil, de bewijswaarde van de regelmatig aangebrachte gegevens van de zaak moet toetsen om de belastingschuld te bepalen; daaruit volgt dat het arrest, door eiser het voordeel van de aftrek van de litigieuze onderhoudsrenten toe te kennen, zonder zelfs de bewijswaarde te onderzoeken van de gegevens die de belanghebbende tot staving van de werkelijke en periodieke betaling van die rente overlegt, en alleen op grond dat "(eiser) niet a posteriori een handelwijze (van verweerder) kon afwijzen die de belastingcontroleur gedurende verschillende jaren had gedoogd, terwijl deze daarvan op de hoogte moest zijn", het karakter van openbare orde van de belastingwetten miskent en de artikelen 71, alinéa 1, 3°, en alinéa 2, en 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen schendt, en, voor zover nodig, artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek, evenals het beginsel van de annualiteit van de belastingen dat voortvloeit uit de artikelen 71, alinéa 2, en 265 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen :
Overwegende dat het arrest om, niettegenstaande de betwisting door het bestuur, aan te nemen dat van de belastbare netto-inkomsten van verweerder het bedrag van een onderhoudsrente mag worden afgetrokken dat hij, naar eigen zeggen, in de loop van het jaar 1982 aan zijn in Groot-Brittannië verblijvende moeder zou hebben betaald, erop wijst dat verweerder tot staving van de betaling van die rente vier aankoopberichten van Engelse ponden uit 1982 overlegt en vaststelt dat de controleur van de belastingen reeds in 1978 die bankborderellen had aanvaard "als voldoende bewijs voor het bestaan van de uitkering", dat die handelwijze door de administratie gedurende de volgende belastingjaren werd gevolgd en dat het bestuur van de belastingen dus een dergelijke handelwijze, die gekend was en gedurende verschillende jaren door de controleur van de belastingen niet werd betwist, niet a posteriori kon afwijzen;
Overwegende dat het hof van beroep, aangezien belastingzaken de openbare orde raken, in feite en in rechte en binnen de perken van het aan zijn oordeel onderworpen geschil, zelf de bewijswaarde moet toetsen van de bij het hof aangebrachte gegevens; dat het daarbij niet gebonden is door de eerdere houding van het bestuur, noch door de resultaten van de administratieve fase betreffende vroegere belastingjaren;
Overwegende dat het hof van beroep, door te oordelen zoals het heeft gedaan, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt;
Dat het middel gegrond is;
Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest in zoverre het "de aftrek aanneemt van een bedrag van 67.485 frank dat als rente tot levensonderhoud is betaald"; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Luik.