Hof van Cassatie: Arrest van 14 September 2004 (België). RG P040705N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20040914-2
- Numéro de rôle :
- P040705N
Résumé :
Het hof van assisen stelt onaantastbaar vast of een beschuldigde al dan niet bijgestaan is door een raadsman en moet, in bevestigend geval, waarborgen dat die raadsman effectief zijn bijstand kan verlenen ter vrijwaring van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijk proces van de beschuldigde; de rechter oordeelt onaantastbaar of aan die vereisten is voldaan.
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Nr. P.04.0705.N
B. H. J. M.,
eiser, beschuldigde, aangehouden,
met als raadsman Mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent,
ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Nathalie Buisseret, advocaat bij de balie te Brussel voor Mr. Hans Rieder,
tegen
1. A. K.,
2. A. D.,
3. K. A.,
4. K. A. O.,
5. K. A. O.,
6. A. K. en A. D., beiden reeds vermeld, in hun hoedanigheid van bestuurders van de goederen van hun minderjarig kind K. A. O.,
7. L. A. (geboren A.),
8. DE SCHEPPER Raf, advocaat, met kantoor te Reet (Rumst), Molenstraat 1, in hoedanig van voogd ad hoc van A. K.,
verweerders, burgerlijke partijen, die woonst kiezen bij hun raadsman Mr. Tom De Meester, advocaat bij de balie te Antwerpen.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep B 811 is gericht tegen het arrest, op 22 maart 2004 (voormiddag) gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen;
Het cassatieberoep B 813 is gericht tegen het arrest, op 22 maart 2004 (namiddag) gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen.
De cassatieberoepen B 993 en B 1062 zijn gericht tegen het arrest, op 31 maart 2004 gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen.
De cassatieberoepen B 1038 en B 1063 zijn gericht tegen het arrest, op 2 april 2004 gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen.
Het cassatieberoep B 1059 is gericht tegen het arrest, op 23 maart 2004 gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen.
Het cassatieberoep B 1060 is gericht tegen het arrest, op 30 maart 2004 (voormiddag) gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen.
Het cassatieberoep B 1061 is gericht tegen het arrest, op 30 maart 2004 (namiddag) gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen.
Het cassatieberoep B 1064 is gericht tegen alle processen-verbaal van de terechtzitting van de derde sessie van het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen en de daarin vermelde beslissingen en handelingen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser stelt in een memorie zeven middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
IV. Beslissing van het Hof
A. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
Overwegende dat de arresten van 22 maart 2004 geen eindbeslissingen zijn; dat de cassatieberoepen B 811 en B 813 die tegen die arresten werden ingesteld respectievelijk op 22 en 23 maart 2004, dit is vóór het eindarrest van 31 maart 2004, voorbarig zijn;
Dat die cassatieberoepen niet ontvankelijk zijn;
Overwegende dat het cassatieberoep B 1062 is ingesteld tegen het arrest van 31 maart 2004 waartegen het cassatieberoep B 993 reeds op 8 april 2004 was ingesteld;
Overwegende dat het cassatieberoep B 1063 is ingesteld tegen het arrest van 2 april 2004 waartegen het cassatieberoep B 1038 reeds op 8 april 2004 was ingesteld;
Dat de cassatieberoepen B 1062 en B 1063 niet ontvankelijk zijn;
Overwegende dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 tot 15 maart 2004 (voormiddag) de arresten van 5 maart 2004 inhoudt; dat het eerste arrest het adres van bepaalde kandidaat gezworenen verbetert en bepaalde opgeroepen gezworenen met toepassing van artikel 243 Gerechtelijk Wetboek vrijstelt; dat het tweede arrest beveelt dat buiten de twaalf werkende gezworenen nog twee plaatsvervangende gezworenen zullen worden uitgeloot die het debat zullen bijwonen; dat dit proces-verbaal eveneens de twee arresten uitgesproken op 15 maart 2004 inhoudt;
Overwegende dat de twee arresten van 5 maart 2004 louter administratieve handelingen betreffen waarin de beschuldigde geen recht van tussenkomst heeft en die niet aan zijn toezicht zijn onderworpen mits hij, zoals te dezen, zijn recht van wraking kan uitoefenen op een lijst met het vereiste aantal gezworenen die zitting kunnen nemen;
Dat tegen die arresten geen cassatieberoep openstaat;
Overwegende dat, voor het overige, dit proces-verbaal van de terechtzitting met uitzondering van de arresten van 15 maart 2004, geen beslissing inhoudt die uitspraak doet over een geschil en die vatbaar is voor cassatieberoep;
Overwegende dat behoudens de tussenarresten van 22 maart, 23 maart, 30 maart, 31 maart en 2 april 2004, waartegen reeds de cassatieberoepen B 811, B 813, B 993, B 1038, B 1059, B 1060, B 1061, B 1062 en B 1063 zijn ingesteld, het proces-verbaal van de terechtzitting vanaf 15 maart 2004 (namiddag) geen beslissing inhoudt waarbij het hof van assisen uitspraak doet over enig geschil, die vatbaar is voor cassatieberoep;
Dat het cassatieberoep B 1064, behoudens in zoverre het gericht is tegen de twee tussenarresten van 15 maart 2004, niet ontvankelijk is;
B. Onderzoek van de middelen
1. Eerste middel
1.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat het arrest van 23 maart 2004 niet zegt dat eisers raadsman ter terechtzitting van 15 maart 2004 verklaard heeft dat hij kennis had van de omvang en de moeilijkheden van zijn taak, maar wel dat hij zich bereid heeft verklaard zijn taak op te nemen met kennis van de omvang en van de moeilijkheden ervan en wetende dat de procesvoering vanaf 22 maart 2004 zou worden verdergezet;
Dat het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist;
1.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat uit de voor het hof van assisen op 23 maart 2004 neergelegde conclusie blijkt dat eiser vorderde de zaak onbepaald uit te stellen na vastgesteld te hebben dat eiser geen raadsman meer had; dat hij daartoe aanvoerde dat zijn raadsman een grond van verschoning als bedoeld in artikel 446, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek heeft doordat hij wegens gebrek aan voldoende tijd en faciliteiten de gelegenheid niet gekregen heeft om kennis te nemen van de volledige inhoud van het strafdossier en om een verdediging in rechte op te bouwen zodat hij zijn ambt niet meer vrij kon uitoefenen ter verdediging van het recht en van de waarheid en bijgevolg in eer en geweten eisers verdediging niet kon waarnemen;
Overwegende dat het hof van assisen onaantastbaar vaststelt of een beschuldigde al dan niet bijgestaan is door een raadsman en, in bevestigend geval, moet waarborgen dat die raadsman effectief zijn bijstand kan verlenen ter vrijwaring van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijk proces van de beschuldigde; dat de rechter onaantastbaar oordeelt of aan die vereisten is voldaan;
Overwegende dat het arrest van 22 maart 2004 (voormiddag), naar hetwelke het arrest van 23 maart 2004 verwijst, vaststelt dat de verdediging wordt waargenomen door een raadsman die reeds geruime tijd optreedt en zittingen van dit hof heeft gevolgd en een tweede raadsman die ter terechtzitting aanwezig is en die in de gelegenheid werd gesteld zich gedurende een week voor te bereiden; dat het op grond van de feitelijke omstandigheden die het vermeldt, oordeelt dat eiser zijn verdediging sedert geruime tijd heeft kunnen voorbereiden, er geen aanwijzing bestaat dat hij niet al zijn argumenten zal kunnen doen gelden en geen omstandigheden voorliggen die als een hinder voor het voeren van zijn verdediging naar voor komen;
Overwegende dat het arrest van 23 maart 2004 verder oordeelt dat:
- het recht op een eerlijk proces beoordeeld wordt in het kader van het geheel van het proces en de procesvoering voor het hof van assisen mondeling is zodat de beschuldigde in staat is tegenspraak te voeren over al wat ter zitting wordt gezegd;
- eisers raadsman die op de zitting van 23 maart 2004 aanwezig was, zich op 15 maart 2004 bereid heeft verklaard zijn taak op te nemen met kennis van de omvang en de moeilijkheden ervan en wetende dat de procesvoering vanaf 22 maart 2004 zou worden verdergezet;
- het hof van assisen zich niet inlaat met de organisatie van de verdediging maar enkel vermag vast te stellen dat in de loop van de week die werd vrijgelaten om de pro deo advocaat die ter zitting verschijnt, toe te laten zich voor te bereiden, er kennelijk samenwerking was met een andere raadsman;
- geen enkel gegeven wordt aangehaald waaruit een aantasting van de regel dat een advocaat vrij zijn ambt moet kunnen uitoefenen, blijkt;
Overwegende dat het hof van assisen aldus oordeelt dat eiser een raadsman heeft die effectief bijstand kan verlenen, beschikt heeft over voldoende tijd en faciliteiten om zijn zaak voor te bereiden zonder dat het eerlijke karakter van het proces in het gedrang komt en dat de behandeling van de zaak dient te worden verdergezet; dat het, zonder schending van de artikelen 6.1, 6.3.b en 6.3.c EVRM, de beslissing naar recht verantwoordt;
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
Overwegende, voor het overige, dat uit wat voorafgaat blijkt dat het onderdeel, in zoverre het aanvoert dat het hof van assisen in de arresten van 22 en 23 maart 2004 ervan uitgaat of ermee rekening houdt dat de op de zitting aanwezige raadsman van eiser zijn enige raadsman is, berust op een onvolledige lezing van de verscheidene tussenarresten, mitsdien feitelijke grondslag mist;
1.3. Derde onderdeel
Overwegende dat het onderdeel afgeleid is uit de in het vorige onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden;
Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;
1.4. Vierde onderdeel
Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat eisers raadsman in de onmogelijkheid werd gesteld om zijn beroep vrij uit te oefenen ter verdediging van het recht en de waarheid; dat het onderdeel in zoverre opkomt tegen het onaantastbare oordeel van het tegendeel door het hof van assisen, of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, mitsdien niet ontvankelijk is;
Overwegende dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting vanaf 15 maart 2004 (namiddag blz. 5) alsmede uit de door het onderdeel niet aangevochten vaststelling in het tussenarrest van 15 maart 2004 (blz. 8 van het proces-verbaal), blijkt dat de raadsman die eiser op de terechtzitting bijstond, niet door de voorzitter van het hof van assisen aan eiser werd toegevoegd, maar, op verzoek van deze laatste, door de stafhouder van de orde der advocaten werd aangesteld;
Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist;
2. Tweede middel
Overwegende dat zoals blijkt uit het antwoord op het vierde onderdeel van het eerste middel, eisers raadsman niet werd toegevoegd door de voorzitter van het hof van assisen maar door de stafhouder van de orde der advocaten werd aangesteld;
Dat het middel feitelijke grondslag mist;
3. Derde middel
3.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat bij het uitspreken van het arrest van 30 maart 2004, het debat over de zaak steeds gaande was zodat het hof van assisen de eerlijkheid van het proces in zijn geheel nog niet kon beoordelen; dat eisers recht op een eerlijk proces door het verzuim van die beoordeling niet wordt miskend;
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
Overwegende dat het niet tegenstrijdig is, enerzijds, in het tussenarrest van 22 maart 2004 (namiddag) te oordelen dat de vraag of de zaak eerlijk werd behandeld dient te worden onderzocht na het geheel van het debat en, anderzijds, die beoordeling niet te doen in een later tussenarrest wanneer het debat nog niet is beëindigd;
Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist;
3.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het aanvoert dat eiser gelet op het ingewikkeld en uitgebreid karakter van de zaak niet over de nodige tijd en faciliteiten heeft beschikt om een akte van verdediging op te stellen, het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is;
Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is;
Overwegende dat het arrest van 30 maart 2004, met overneming van de redenen van de tussenarresten van 22 maart 2004 en met eigen redenen, oordeelt dat eiser tot op de datum van die tussenarresten bijgestaan was door een andere raadsman die reeds geruime tijd optrad en zijn verdediging heeft kunnen voorbereiden;
dat het arrest onder meer op grond van die redenen, die de beslissing dragen, oordeelt dat eiser in de mogelijkheid is geweest een akte van verdediging op te stellen en zijn recht van verdediging niet is miskend;
dat het hierdoor de beslissing naar recht verantwoordt en eisers recht op bijstand van een advocaat en recht op voldoende tijd en faciliteiten om zijn verdediging voor te dragen niet miskent;
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
Overwegende dat het onderdeel voor het overige opkomt tegen overtollige redenen van het arrest, mitsdien niet ontvankelijk is;
3.3. Derde onderdeel
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiser aan het hof van assisen gevraagd heeft dat de deskundige Torenbeek, die als getuige ter zitting niet verschenen is, toch ter zitting zou verschijnen teneinde er te worden ondervraagd of hem te doen ondervragen; dat hij hieruit geen miskenning van zijn recht van verdediging, van zijn recht op een eerlijk proces en van zijn recht om de getuigen te ondervragen of te doen ondervragen kan afleiden;
Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;
3.4. Vierde onderdeel
Overwegende dat uit de stukken van de rechtspleging niet blijkt dat eiser het hof van assisen heeft gevraagd, naast de reeds toegekende tijd, over bijkomende tijd en faciliteiten te beschikken teneinde de in het onderdeel vermelde overtuigingsstukken verder te raadplegen en te onderzoeken; dat eiser hieruit geen miskenning van zijn rechten kan afleiden;
Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;
4. Vierde middel
Overwegende dat artikel 127 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat onder meer diegenen die getuige geweest zijn op straffe van nietigheid geen gezworenen mogen zijn; dat die bepaling niet inhoudt dat het enkele feit dat een of meerdere kandidaat gezworenen of plaatsvervangende gezworenen waarvan niet blijkt dat zij getuige van de zaak zijn of zouden kunnen zijn, toch door een partij als getuige voor het hof van assisen worden gedagvaard, meebrengt dat zij geen gezworene meer kunnen zijn;
Dat het middel faalt naar recht;
5. Vijfde middel
5.1. Eerste en tweede onderdeel
Overwegende dat de in beide onderdelen vermelde verzoeken tot wraking bij de arresten van respectievelijk 9 en 11 maart 2004 van het Hof werden verworpen;
Overwegende dat de voorzitter van het hof van assisen, die kennis gekregen had van een verzoek tot wraking tegen hem, door de gewraakte verrichtingen enkel melding heeft gedaan van plaats, dag en uur waarop eenieder opnieuw diende aanwezig te zijn; dat die verrichtingen op geen enkele wijze de behandeling van de zaak of van enig geschil betreffen en eiser niet grieven;
Dat de onderdelen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk zijn;
5.2. Derde onderdeel
Overwegende dat het recht van de beschuldigde om bijstand te hebben van een raadsman betrekking heeft op de uitoefening van zijn recht van verdediging; dat dit recht niet in het gedrang komt wanneer de raadsman van de beschuldigde in de zittingszaal niet aanwezig is omdat ingevolge een door hem ingediende verzoek tot wraking van de voorzitter van het hof van assisen, de behandeling van de zaak is geschorst, en die voorzitter ingevolge het verzoek tot wraking op informele wijze melding maakt van het ogenblik waar eenieder opnieuw dient aanwezig te zijn;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
6. Zesde middel
6.1. Eerste, tweede en derde onderdeel
Overwegende dat de onderdelen vreemd zijn aan de door het middel aangevochten beslissingen;
Dat de onderdelen niet ontvankelijk zijn;
6.2. Vierde onderdeel
Overwegende dat de vraag of de afwezigheid van medische behandeling van eiser de uitoefening van diens recht van verdediging in het gedrang heeft gebracht, het hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is;
Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;
7. Zevende middel
Overwegende dat het enkele feit dat de rechter niet ingaat op het verzoek van de beschuldigde hem meer tijd en faciliteiten toe te staan dan over deze waarover hij reeds heeft beschikt, geen miskenning van het recht op een eerlijk proces oplevert;
Dat het middel, in zoverre het uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht;
Overwegende dat het middel voor het overige aanvoert dat eiser niet beschikt heeft over voldoende tijd en faciliteiten om zijn verdediging voor te bereiden;
Dat het middel in zoverre het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, mitsdien niet ontvankelijk is;
C. Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen op de strafvordering
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt de cassatieberoepen;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van zeshonderd drieëntachtig euro negenentwintig cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel.
B. H. J. M.,
eiser, beschuldigde, aangehouden,
met als raadsman Mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent,
ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Nathalie Buisseret, advocaat bij de balie te Brussel voor Mr. Hans Rieder,
tegen
1. A. K.,
2. A. D.,
3. K. A.,
4. K. A. O.,
5. K. A. O.,
6. A. K. en A. D., beiden reeds vermeld, in hun hoedanigheid van bestuurders van de goederen van hun minderjarig kind K. A. O.,
7. L. A. (geboren A.),
8. DE SCHEPPER Raf, advocaat, met kantoor te Reet (Rumst), Molenstraat 1, in hoedanig van voogd ad hoc van A. K.,
verweerders, burgerlijke partijen, die woonst kiezen bij hun raadsman Mr. Tom De Meester, advocaat bij de balie te Antwerpen.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep B 811 is gericht tegen het arrest, op 22 maart 2004 (voormiddag) gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen;
Het cassatieberoep B 813 is gericht tegen het arrest, op 22 maart 2004 (namiddag) gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen.
De cassatieberoepen B 993 en B 1062 zijn gericht tegen het arrest, op 31 maart 2004 gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen.
De cassatieberoepen B 1038 en B 1063 zijn gericht tegen het arrest, op 2 april 2004 gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen.
Het cassatieberoep B 1059 is gericht tegen het arrest, op 23 maart 2004 gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen.
Het cassatieberoep B 1060 is gericht tegen het arrest, op 30 maart 2004 (voormiddag) gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen.
Het cassatieberoep B 1061 is gericht tegen het arrest, op 30 maart 2004 (namiddag) gewezen door het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen.
Het cassatieberoep B 1064 is gericht tegen alle processen-verbaal van de terechtzitting van de derde sessie van het Hof van Assisen van de provincie Antwerpen en de daarin vermelde beslissingen en handelingen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser stelt in een memorie zeven middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
IV. Beslissing van het Hof
A. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
Overwegende dat de arresten van 22 maart 2004 geen eindbeslissingen zijn; dat de cassatieberoepen B 811 en B 813 die tegen die arresten werden ingesteld respectievelijk op 22 en 23 maart 2004, dit is vóór het eindarrest van 31 maart 2004, voorbarig zijn;
Dat die cassatieberoepen niet ontvankelijk zijn;
Overwegende dat het cassatieberoep B 1062 is ingesteld tegen het arrest van 31 maart 2004 waartegen het cassatieberoep B 993 reeds op 8 april 2004 was ingesteld;
Overwegende dat het cassatieberoep B 1063 is ingesteld tegen het arrest van 2 april 2004 waartegen het cassatieberoep B 1038 reeds op 8 april 2004 was ingesteld;
Dat de cassatieberoepen B 1062 en B 1063 niet ontvankelijk zijn;
Overwegende dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 tot 15 maart 2004 (voormiddag) de arresten van 5 maart 2004 inhoudt; dat het eerste arrest het adres van bepaalde kandidaat gezworenen verbetert en bepaalde opgeroepen gezworenen met toepassing van artikel 243 Gerechtelijk Wetboek vrijstelt; dat het tweede arrest beveelt dat buiten de twaalf werkende gezworenen nog twee plaatsvervangende gezworenen zullen worden uitgeloot die het debat zullen bijwonen; dat dit proces-verbaal eveneens de twee arresten uitgesproken op 15 maart 2004 inhoudt;
Overwegende dat de twee arresten van 5 maart 2004 louter administratieve handelingen betreffen waarin de beschuldigde geen recht van tussenkomst heeft en die niet aan zijn toezicht zijn onderworpen mits hij, zoals te dezen, zijn recht van wraking kan uitoefenen op een lijst met het vereiste aantal gezworenen die zitting kunnen nemen;
Dat tegen die arresten geen cassatieberoep openstaat;
Overwegende dat, voor het overige, dit proces-verbaal van de terechtzitting met uitzondering van de arresten van 15 maart 2004, geen beslissing inhoudt die uitspraak doet over een geschil en die vatbaar is voor cassatieberoep;
Overwegende dat behoudens de tussenarresten van 22 maart, 23 maart, 30 maart, 31 maart en 2 april 2004, waartegen reeds de cassatieberoepen B 811, B 813, B 993, B 1038, B 1059, B 1060, B 1061, B 1062 en B 1063 zijn ingesteld, het proces-verbaal van de terechtzitting vanaf 15 maart 2004 (namiddag) geen beslissing inhoudt waarbij het hof van assisen uitspraak doet over enig geschil, die vatbaar is voor cassatieberoep;
Dat het cassatieberoep B 1064, behoudens in zoverre het gericht is tegen de twee tussenarresten van 15 maart 2004, niet ontvankelijk is;
B. Onderzoek van de middelen
1. Eerste middel
1.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat het arrest van 23 maart 2004 niet zegt dat eisers raadsman ter terechtzitting van 15 maart 2004 verklaard heeft dat hij kennis had van de omvang en de moeilijkheden van zijn taak, maar wel dat hij zich bereid heeft verklaard zijn taak op te nemen met kennis van de omvang en van de moeilijkheden ervan en wetende dat de procesvoering vanaf 22 maart 2004 zou worden verdergezet;
Dat het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist;
1.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat uit de voor het hof van assisen op 23 maart 2004 neergelegde conclusie blijkt dat eiser vorderde de zaak onbepaald uit te stellen na vastgesteld te hebben dat eiser geen raadsman meer had; dat hij daartoe aanvoerde dat zijn raadsman een grond van verschoning als bedoeld in artikel 446, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek heeft doordat hij wegens gebrek aan voldoende tijd en faciliteiten de gelegenheid niet gekregen heeft om kennis te nemen van de volledige inhoud van het strafdossier en om een verdediging in rechte op te bouwen zodat hij zijn ambt niet meer vrij kon uitoefenen ter verdediging van het recht en van de waarheid en bijgevolg in eer en geweten eisers verdediging niet kon waarnemen;
Overwegende dat het hof van assisen onaantastbaar vaststelt of een beschuldigde al dan niet bijgestaan is door een raadsman en, in bevestigend geval, moet waarborgen dat die raadsman effectief zijn bijstand kan verlenen ter vrijwaring van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijk proces van de beschuldigde; dat de rechter onaantastbaar oordeelt of aan die vereisten is voldaan;
Overwegende dat het arrest van 22 maart 2004 (voormiddag), naar hetwelke het arrest van 23 maart 2004 verwijst, vaststelt dat de verdediging wordt waargenomen door een raadsman die reeds geruime tijd optreedt en zittingen van dit hof heeft gevolgd en een tweede raadsman die ter terechtzitting aanwezig is en die in de gelegenheid werd gesteld zich gedurende een week voor te bereiden; dat het op grond van de feitelijke omstandigheden die het vermeldt, oordeelt dat eiser zijn verdediging sedert geruime tijd heeft kunnen voorbereiden, er geen aanwijzing bestaat dat hij niet al zijn argumenten zal kunnen doen gelden en geen omstandigheden voorliggen die als een hinder voor het voeren van zijn verdediging naar voor komen;
Overwegende dat het arrest van 23 maart 2004 verder oordeelt dat:
- het recht op een eerlijk proces beoordeeld wordt in het kader van het geheel van het proces en de procesvoering voor het hof van assisen mondeling is zodat de beschuldigde in staat is tegenspraak te voeren over al wat ter zitting wordt gezegd;
- eisers raadsman die op de zitting van 23 maart 2004 aanwezig was, zich op 15 maart 2004 bereid heeft verklaard zijn taak op te nemen met kennis van de omvang en de moeilijkheden ervan en wetende dat de procesvoering vanaf 22 maart 2004 zou worden verdergezet;
- het hof van assisen zich niet inlaat met de organisatie van de verdediging maar enkel vermag vast te stellen dat in de loop van de week die werd vrijgelaten om de pro deo advocaat die ter zitting verschijnt, toe te laten zich voor te bereiden, er kennelijk samenwerking was met een andere raadsman;
- geen enkel gegeven wordt aangehaald waaruit een aantasting van de regel dat een advocaat vrij zijn ambt moet kunnen uitoefenen, blijkt;
Overwegende dat het hof van assisen aldus oordeelt dat eiser een raadsman heeft die effectief bijstand kan verlenen, beschikt heeft over voldoende tijd en faciliteiten om zijn zaak voor te bereiden zonder dat het eerlijke karakter van het proces in het gedrang komt en dat de behandeling van de zaak dient te worden verdergezet; dat het, zonder schending van de artikelen 6.1, 6.3.b en 6.3.c EVRM, de beslissing naar recht verantwoordt;
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
Overwegende, voor het overige, dat uit wat voorafgaat blijkt dat het onderdeel, in zoverre het aanvoert dat het hof van assisen in de arresten van 22 en 23 maart 2004 ervan uitgaat of ermee rekening houdt dat de op de zitting aanwezige raadsman van eiser zijn enige raadsman is, berust op een onvolledige lezing van de verscheidene tussenarresten, mitsdien feitelijke grondslag mist;
1.3. Derde onderdeel
Overwegende dat het onderdeel afgeleid is uit de in het vorige onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden;
Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;
1.4. Vierde onderdeel
Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat eisers raadsman in de onmogelijkheid werd gesteld om zijn beroep vrij uit te oefenen ter verdediging van het recht en de waarheid; dat het onderdeel in zoverre opkomt tegen het onaantastbare oordeel van het tegendeel door het hof van assisen, of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, mitsdien niet ontvankelijk is;
Overwegende dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting vanaf 15 maart 2004 (namiddag blz. 5) alsmede uit de door het onderdeel niet aangevochten vaststelling in het tussenarrest van 15 maart 2004 (blz. 8 van het proces-verbaal), blijkt dat de raadsman die eiser op de terechtzitting bijstond, niet door de voorzitter van het hof van assisen aan eiser werd toegevoegd, maar, op verzoek van deze laatste, door de stafhouder van de orde der advocaten werd aangesteld;
Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist;
2. Tweede middel
Overwegende dat zoals blijkt uit het antwoord op het vierde onderdeel van het eerste middel, eisers raadsman niet werd toegevoegd door de voorzitter van het hof van assisen maar door de stafhouder van de orde der advocaten werd aangesteld;
Dat het middel feitelijke grondslag mist;
3. Derde middel
3.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat bij het uitspreken van het arrest van 30 maart 2004, het debat over de zaak steeds gaande was zodat het hof van assisen de eerlijkheid van het proces in zijn geheel nog niet kon beoordelen; dat eisers recht op een eerlijk proces door het verzuim van die beoordeling niet wordt miskend;
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
Overwegende dat het niet tegenstrijdig is, enerzijds, in het tussenarrest van 22 maart 2004 (namiddag) te oordelen dat de vraag of de zaak eerlijk werd behandeld dient te worden onderzocht na het geheel van het debat en, anderzijds, die beoordeling niet te doen in een later tussenarrest wanneer het debat nog niet is beëindigd;
Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist;
3.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het aanvoert dat eiser gelet op het ingewikkeld en uitgebreid karakter van de zaak niet over de nodige tijd en faciliteiten heeft beschikt om een akte van verdediging op te stellen, het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is;
Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is;
Overwegende dat het arrest van 30 maart 2004, met overneming van de redenen van de tussenarresten van 22 maart 2004 en met eigen redenen, oordeelt dat eiser tot op de datum van die tussenarresten bijgestaan was door een andere raadsman die reeds geruime tijd optrad en zijn verdediging heeft kunnen voorbereiden;
dat het arrest onder meer op grond van die redenen, die de beslissing dragen, oordeelt dat eiser in de mogelijkheid is geweest een akte van verdediging op te stellen en zijn recht van verdediging niet is miskend;
dat het hierdoor de beslissing naar recht verantwoordt en eisers recht op bijstand van een advocaat en recht op voldoende tijd en faciliteiten om zijn verdediging voor te dragen niet miskent;
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
Overwegende dat het onderdeel voor het overige opkomt tegen overtollige redenen van het arrest, mitsdien niet ontvankelijk is;
3.3. Derde onderdeel
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiser aan het hof van assisen gevraagd heeft dat de deskundige Torenbeek, die als getuige ter zitting niet verschenen is, toch ter zitting zou verschijnen teneinde er te worden ondervraagd of hem te doen ondervragen; dat hij hieruit geen miskenning van zijn recht van verdediging, van zijn recht op een eerlijk proces en van zijn recht om de getuigen te ondervragen of te doen ondervragen kan afleiden;
Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;
3.4. Vierde onderdeel
Overwegende dat uit de stukken van de rechtspleging niet blijkt dat eiser het hof van assisen heeft gevraagd, naast de reeds toegekende tijd, over bijkomende tijd en faciliteiten te beschikken teneinde de in het onderdeel vermelde overtuigingsstukken verder te raadplegen en te onderzoeken; dat eiser hieruit geen miskenning van zijn rechten kan afleiden;
Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;
4. Vierde middel
Overwegende dat artikel 127 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat onder meer diegenen die getuige geweest zijn op straffe van nietigheid geen gezworenen mogen zijn; dat die bepaling niet inhoudt dat het enkele feit dat een of meerdere kandidaat gezworenen of plaatsvervangende gezworenen waarvan niet blijkt dat zij getuige van de zaak zijn of zouden kunnen zijn, toch door een partij als getuige voor het hof van assisen worden gedagvaard, meebrengt dat zij geen gezworene meer kunnen zijn;
Dat het middel faalt naar recht;
5. Vijfde middel
5.1. Eerste en tweede onderdeel
Overwegende dat de in beide onderdelen vermelde verzoeken tot wraking bij de arresten van respectievelijk 9 en 11 maart 2004 van het Hof werden verworpen;
Overwegende dat de voorzitter van het hof van assisen, die kennis gekregen had van een verzoek tot wraking tegen hem, door de gewraakte verrichtingen enkel melding heeft gedaan van plaats, dag en uur waarop eenieder opnieuw diende aanwezig te zijn; dat die verrichtingen op geen enkele wijze de behandeling van de zaak of van enig geschil betreffen en eiser niet grieven;
Dat de onderdelen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk zijn;
5.2. Derde onderdeel
Overwegende dat het recht van de beschuldigde om bijstand te hebben van een raadsman betrekking heeft op de uitoefening van zijn recht van verdediging; dat dit recht niet in het gedrang komt wanneer de raadsman van de beschuldigde in de zittingszaal niet aanwezig is omdat ingevolge een door hem ingediende verzoek tot wraking van de voorzitter van het hof van assisen, de behandeling van de zaak is geschorst, en die voorzitter ingevolge het verzoek tot wraking op informele wijze melding maakt van het ogenblik waar eenieder opnieuw dient aanwezig te zijn;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
6. Zesde middel
6.1. Eerste, tweede en derde onderdeel
Overwegende dat de onderdelen vreemd zijn aan de door het middel aangevochten beslissingen;
Dat de onderdelen niet ontvankelijk zijn;
6.2. Vierde onderdeel
Overwegende dat de vraag of de afwezigheid van medische behandeling van eiser de uitoefening van diens recht van verdediging in het gedrang heeft gebracht, het hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is;
Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;
7. Zevende middel
Overwegende dat het enkele feit dat de rechter niet ingaat op het verzoek van de beschuldigde hem meer tijd en faciliteiten toe te staan dan over deze waarover hij reeds heeft beschikt, geen miskenning van het recht op een eerlijk proces oplevert;
Dat het middel, in zoverre het uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht;
Overwegende dat het middel voor het overige aanvoert dat eiser niet beschikt heeft over voldoende tijd en faciliteiten om zijn verdediging voor te bereiden;
Dat het middel in zoverre het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, mitsdien niet ontvankelijk is;
C. Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen op de strafvordering
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt de cassatieberoepen;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van zeshonderd drieëntachtig euro negenentwintig cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van veertien september tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel.