Hof van Cassatie: Arrest van 15 September 1994 (België). RG C930375F

Date :
15-09-1994
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19940915-13
Numéro de rôle :
C930375F

Résumé :

Hoewel de gevolgen van een echtscheiding op grond van bepaalde feiten en die van een echtscheiding wegens feitelijke scheiding van een bepaalde duur verschillend kunnen zijn en hoewel de eiser bijgevolg belang kan hebben bij het verkrijgen van de echtscheiding "op één grond eerder dan op een andere", is het voorwerp van die rechtsplegingen toch hetzelfde, te weten de ontbinding van het huwelijk; daaruit volgt dat de vordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten, die is ingesteld door de eiser die reeds de echtscheiding wegens feitelijke scheiding van een zekere duur heeft verkregen, niet ontvankelijk is. (Artt. 231 en 232 B.W.; artt. 17 en 18 Ger.W.)

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 16 februari 1993 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het tweede middel : schending van de artikelen 97 (oud) van de Grondwet, 231, 232 van het Burgerlijk Wetboek, 14, 18, 19, 23, 702, 3°, 807, 1042, 1068, eerste lid, en 1268 van het Gerechtelijk Wetboek,
doordat het hof van beroep zegt dat eisers nieuwe tegenvordering niet ontvankelijk is in zoverre zij de ontbinding van het huwelijk op grond van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek beoogt, op grond dat "(eiser) in hoger beroep een nieuwe tegenvordering tot echtscheiding op grond van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek instelt en vraagt om met alle middelen rechtens vijf tegen (verweerster) aangevoerde feiten te mogen bewijzen; (verweerster) de ontvankelijkheid van die tegenvordering betwist; een tegenvordering tot echtscheiding zeker voor de eerste maal in hoger beroep kan worden ingesteld; de vordering die (eiser) te dezen instelt echter hetzelfde voorwerp heeft, te weten het verbreken van de echtelijke band, als de vordering van (eiser) die door de eerste rechter is ingewilligd; de vordering derhalve bij gebrek aan belang niet gegrond is; in zoverre (eiser), door het gevraagde getuigenverhoor wil aantonen dat (verweerster) verantwoordelijk is voor de feitelijke scheiding en het voortduren daarvan (zie zijn conclusie neergelegd op 23 april 1991, eerste lid), het voorwerp van zijn vordering niet meer de ontbinding van het huwelijk is maar het opheffen van zijn verplichting tot betaling van een uitkering die volgt uit die ontbinding,
tweede onderdeel, artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek de echtscheiding toestaat ten laste van de partij die in het ongelijk wordt gesteld voor haar grove beledigingen, artikel 232, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek de echtscheiding toestaat op grond van feitelijke scheiding van meer dan vijf jaar, de echtscheiding toegestaan op grond van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek de vaststelling impliceert van een beledigend gedrag van verweerster terwijl een dergelijke vaststelling ontbreekt wanneer de echtscheiding wordt toegestaan op grond van artikel 232, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, eiser tot echtscheiding er bijgevolg een, zij het moreel, belang bij heeft dat zijn op artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek gegronde tegenvordering ontvankelijk wordt verklaard, ook al zou hij de echtscheiding reeds hebben verkregen op grond van artikel 232 van hetzelfde wetboek, nu het voorwerp van de vordering tot echtscheiding op grond van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek verschilt van dat van de op artikel 232 van hetzelfde wetboek gegronde vordering, het aan de appelrechter staat over elk van die hem voorgelegde vorderingen uitspraak te doen, artikel 1268, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek in zake echtscheiding uitdrukkelijk de voor het eerst in hoger beroep ingestelde tegenvordering toestaat; daaruit volgt dat het arrest, dat beslist dat de nieuwe tegenvordering tot echtscheiding, die eiser op grond van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek voor het eerst in hoger beroep heeft ingesteld, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is omdat het voorwerp hetzelfde is als dat van de door de eerste rechter aangenomen rechtsvordering, terwijl het voorwerp van die nieuwe tegenvordering onderscheiden was van dat van de bij de eerste rechter ingestelde vordering, de wettelijke begrippen echtscheiding wegens feitelijke scheiding van meer dan vijf jaar en echtscheiding wegens grove belediging (schending van de artikelen 231 en 232 van het Burgerlijk Wetboek), vereist belang voor het instellen van een rechtsvordering (artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek), voorwerp van de rechtsvordering (artikelen 702, 3°, en 807 van het Gerechtelij
k Wetboek), en gezag van gewijsde (artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek) miskent, en de beginselen miskent inzake de bevoegdheid van de rechter en de devolutieve kracht van het hoger beroep (artikelen 19, 1042 en 1068, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), evenals die inzake het toelaatbaar karakter van de tegenvorderingen in hoger beroep in zake echtscheiding (schending van de artikelen 14 en 1268 van het Gerechtelijk Wetboek) :
Wat betreft het tweede onderdeel :
Over de door verweerster opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid : het middel is niet duidelijk :
Overwegende dat verweerster betoogt dat eiser, in zoverre dit onderdeel "de miskenning aanvoert van het gezag van gewijsde, van de beginselen in zake 'de bevoegdheid van de rechter en de devolutieve kracht van het hoger beroep (...) en ook van het toelaatbaar karakter van de tegenvordering in hoger beroep in zake echtscheiding'", niet aangeeft "waarin die beginselen, die niets te maken hebben met de motieven van het arrest, zouden zijn miskend en welke de onderscheiden grief zou zijn die deswege zou zijn geuit";
Dat de grond van niet-ontvankelijkheid dient te worden aangenomen;
Overwegende dat, voor het overige, hoewel eiser inderdaad belang kan hebben bij het verkrijgen van de echtscheiding "op één grond eerder dan op een andere", evenwel niet blijkt dat hij de echtscheiding heeft gevraagd op grond van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek "eerder dan" op grond van artikel 232 van dat wetboek; dat uit het arrest blijkt dat eiser, die van de eerste rechter de echtscheiding als bepaald bij artikel 232, eerste lid, van dat wetboek, had verkregen, niet de wijziging van die beslissing vroeg maar, daarenboven, de echtscheiding wegens grove beledigingen, overeenkomstig artikel 231 van hetzelfde wetboek, wilde verkrijgen;
Overwegende dat de gevolgen van die rechtsplegingen weliswaar kunnen verschillen maar dan hun voorwerp hetzelfde is, te weten de ontbinding van het huwelijk;
Dat het arrest bijgevolg, door te beslissen dat de op artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek gegronde tegenvordering van eiser niet ontvankelijk is omdat zij "hetzelfde voorwerp, te weten het verbreken van de huwelijksband, heeft als de vordering van (eiser) die door de eerste rechter is ingewilligd", zijn beslissing naar recht verantwoordt;
Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
Overwegende dat de overige door eiser aangevoerde grieven, inzonderheid de grief dat het wettelijk begrip "vereist belang voor het instellen van een vordering" is miskend, de wettelijkheid van die beslissing niet beïnvloeden; dat zij, al waren zij gegrond, niet tot cassatie kunnen leiden;
Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.