Hof van Cassatie: Arrest van 15 September 1999 (België). RG P990414F

Date :
15-09-1999
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19990915-9
Numéro de rôle :
P990414F

Résumé :

Krachtens het beginsel volgens hetwelk een nieuwe wet onmiddellijk toepasselijk is, moet de nieuwe wet tot verlenging van de verjaringstermijn worden toegepast op alle strafvorderingen die voor de dag van haar inwerkingtreding zijn ingesteld en op die dag nog niet zijn verjaard.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 3 februari 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Bergen;
II. Op de voorziening van Roger Wilket:
A. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de tegen hem ingestelde strafvordering:
Over het eerste middel:
Overwegende dat, krachtens het beginsel dat de nieuwe wet onmiddellijk toepasselijk is, de nieuwe wet tot verlenging van de verjaringstermijn van de strafvordering moet worden toegepast op alle strafvorderingen die vóór de dag van haar inwerkingtreding zijn ingesteld en op die dag nog niet zijn verjaard;
Overwegende dat het arrest vaststelt dat de misdrijven valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken, die door de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Bergen bij beschikking van 26 september 1990, na aanneming van verzachtende omstandigheden, zijn gecorrectionaliseerd, alsook het misdrijf heling, welke feiten tegen eiser bewezen zijn verklaard, te zijnen aanzien een collectief misdrijf opleveren wegens eenheid van opzet en dat het laatste feit dagtekent van 6 februari 1989, terwijl de eerstgenoemde feiten zijn gepleegd tussen 7 en 15 september 1988;
Overwegende dat artikel 25 van de programmawet van 24 december 1993, dat in werking getreden is op 31 december 1993 en waarbij de verjaringstermijn van de strafvordering voor wanbedrijven en, bijgevolg, voor gecorrectionaliseerde misdaden, van drie op vijf jaar wordt gebracht, van toepassing is op eiser; dat immers de verjaringstermijn van drie jaar niet verstreken was op de dag van de inwerkingtreding van die wet, daar de verjaring regelmatig was gestuit onder meer ten gevolge van het op 9 oktober 1991 door de B.O.B. van La Louvière opgemaakte proces-verbaal;
Dat bijgevolg de oorspronkelijke verjaringstermijn van vijf jaar ten aanzien van eiser is beginnen te lopen op 6 februari 1989; dat die termijn regelmatig is gestuit op 10 januari 1994 ten gevolge van de beslissing van de eerste rechter om de zaken te verdagen naar de terechtzitting van 21 februari 1994;
Overwegende dat het arrest, gelet op de wet van 11 december 1998 tot wijziging, wat de verjaring van de strafvordering betreft, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, beslist dat de verjaring "onder meer gedurende een jaar is geschorst sedert 27 (lees: 28) oktober 1997, dag van de inleidende zitting voor het hof (van beroep)";
Overwegende dat artikel 24 van die voorafgaande titel, zoals het is vervangen door artikel 3 van voornoemde wet van 11 december 1998, die in werking getreden is op 16 december 1998, onder meer bepaalt dat de verjaring van de strafvordering is geschorst ten aanzien van alle partijen vanaf de dag van de zitting waarop de strafvordering op de door de wet bepaalde wijze bij het vonnisgerecht wordt ingeleid en dat de verjaring evenwel opnieuw begint te lopen vanaf het verstrijken van een termijn van een jaar te rekenen van de dag van de zitting waarop, naar gelang van het geval, de strafvordering bij het vonnisgerecht in eerste aanleg of bij het vonnisgerecht in hoger beroep wordt ingeleid of dit laatste vonnisgerecht beslist uitspraak te doen over de strafvordering, tot op de dag van de uitspraak over de strafvordering door het desbetreffende vonnisgerecht;
Overwegende dat de tegen eiser ingestelde strafvordering niet verjaard was op de dag van de inwerkingtreding van die wet; dat er immers op 16 december 1998 nog geen vijf jaar verlopen waren sedert 10 januari 1994, dag waarop de laatste verjaringstuitende daad is verricht;
Overwegende dat artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, zoals het is vervangen door artikel 3 van voornoemde wet van 11 december 1998, dus te dezen van toepassing was, zodat de appèlrechters, gelet onder meer op de bovenvernoemde grond tot schorsing van de verjaring, hun beslissing volgens welke de tegen eiser ingestelde vordering niet verjaard was op de dag van de uitspraak van het arrest, naar recht hebben verantwoord;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorzieningen;
Veroordeelt iedere eiser in de kosten van zijn voorziening.
DIE REDENEN,
Verwerpt de voorzieningen;
Veroordeelt iedere eiser in de kosten van zijn voorziening.