Hof van Cassatie: Arrest van 16 December 2003 (België). RG P030467N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20031216-4
- Numéro de rôle :
- P030467N
Résumé :
De omstandigheid dat de koninklijke besluiten van 8 januari 1992 betreffende de voedingswaarde-etikettering van voedingsmiddelen en van 3 maart 1992 betreffende het in handel brengen van nutriënten en van voedingsmiddelen waaraan nutriënten werden toegevoegd, voor de verkoop van voedselsupplementen de verplichting opleggen deze slechts in voorgedoseerde vorm in handel te brengen met een etikettering die aan welbepaalde voorschriften voldoet, houdt niet in dat die wijze van aandiening niet in aanmerking kan worden genomen om te bepalen of een product al dan niet een geneesmiddel is als bedoeld door de Geneesmiddelenrichtlijn en de Geneesmiddelenwet (1). (1) Zie S. Callens, De definitie van het geneesmiddel in het Europees en Belgisch recht, Vl. T. Gen., 1998-99, 13-14.
Arrêt :
I
D. P. X.,
eiser, beklaagde.
II
1. D. J.,
2. M. E.,
eisers, beklaagden,
vertegenwoordigd door Mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 24 februari 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
De eisers J. D. en E. M. stellen in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De eiser X. D. P. stelt geen middel voor.
IV. Beslissing van het Hof
A. Onderzoek van de middelen
1. Eerste middel
1.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat het arrest oordeelt dat het voor de beoordeling van de schuld van de eisers geen rekening houdt met de advertenties door derden geplaatst naast of onder artikelen met betrekking tot de actieve bestanddelen van de betwiste producten in onder meer het magazine "Familie"; dat hierdoor bedoeld wordt de beoordeling van het persoonlijke aandeel van de eisers J. D. en E. M. in de totstandkoming van de misdrijven die het voorwerp van de telastleggingen A (niet laten registreren van geneesmiddelen door de minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft), B (fabriceren, houden, in handel brengen, invoer en uitvoer van geneesmiddelen zonder vergunning van de minister) en C (reclame maken betreffende een niet geregistreerd geneesmiddel) uitmaken;
Overwegende dat zulks niet tegenstrijdig is met het feit dat het arrest die advertenties in aanmerking neemt om te oordelen dat de betwiste produc-ten, gelet op hun wijze van aanbieding, geneesmiddelen zijn als bedoeld in ar-tikel 1 Geneesmiddelenwet;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
1.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat het arrest oordeelt dat de producten bedoeld in de bewezen verklaarde telastleggingen, geneesmiddelen zijn als bedoeld in artikel 1 Geneesmiddelenwet;
Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat die producten voed-ingssupplementen zijn die dienen te beantwoorden aan de normen van de ko-ninklijke besluiten van 8 januari 1992 betreffende de voedingswaarde-etikettering van voedingsmiddelen en van 3 maart 1992 betreffende het in han-del brengen van nutriënten en van voedingsmiddelen waaraan nutriënten wer-den toegevoegd en geen geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1 Geneesmid-delenwet;
Dat het onderdeel in zoverre dit het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, niet ontvankelijk is;
Overwegende dat artikel 1 Geneesmiddelenwet bepaalt dat onder geneesmiddel wordt verstaan elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij mens en dier en dat elke enkelvoudige of samengestelde substantie die aan mens of dier toegediend kan worden teneinde een medische diagnose te stellen of om organische functies bij mens of dier te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, eveneens als geneesmiddel wordt beschouwd;
Overwegende dat artikel 1.2 van de richtlijn 2001/83/EG van het Eu-ropees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (hierna Geneesmiddelenrichtlijn) bepaalt dat voor de doeleinden van die richt-lijn onder geneesmiddel wordt verstaan elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens en dat elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die aan de mens toegediend kan worden teneinde een medische diagnose te stellen of om fysiologische functies bij de mens te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, eveneens als geneesmiddel wordt be-schouwd;
Overwegende dat artikel 1.2 van de richtlijn 2002/46/EG van het Eu-ropees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aan-passing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen (hierna Voedingssupplementenrichtlijn) bepaalt dat deze richtlijn niet van toepassing is op geneesmiddelen als omschreven in de voornoemde Geneesmiddelenricht-lijn;
Overwegende dat hieruit volgt dat artikel 1 Geneesmiddelenwet strijdig is noch met artikel 1 van de Geneesmiddelenrichtlijn, noch met de Voed-ingssupplementenrichtlijn;
Dat het onderdeel in zoverre het ervan uitgaat dat het arrest geen toe-passing kon maken van artikel 1 Geneesmiddelenwet, faalt naar recht;
Overwegende, voor het overige, dat artikel 54, onder c), Geneesmid-delenrichtlijn bepaalt dat op de buitenverpakking of, indien deze ontbreekt, op de primaire verpakking van elk geneesmiddel, de farmaceutische vorm en de inhoud naar gewicht, volume of doseringseenheden vermeld worden;
Dat de omstandigheid dat de koninklijke besluiten van 8 januari 1992 betreffende de voedingswaarde-etikettering van voedingsmiddelen en van 3 maart 1992 betreffende het in handel brengen van nutriënten en van voeding-smiddelen waaraan nutriënten werden toegevoegd, voor de verkoop van voed-selsupplementen de verplichting opleggen deze slechts in voorgedoseerde vorm in handel te brengen met een etikettering die aan welbepaalde voorschriften voldoet, niet inhoudt dat die wijze van aandiening niet in aanmerking kan wor-den genomen om te bepalen of een product al dan niet een geneesmiddel is als bedoeld door de Geneesmiddelenrichtlijn en de Geneesmiddelenwet;
Dat het onderdeel in zoverre dat ervan uitgaat dat die wijze van aan-bieding enkel relevant is voor het definiëren van een product als voedselsup-plement of nutriënt, eveneens faalt naar recht;
1.3. Derde onderdeel
Overwegende dat het arrest oordeelt dat de producten die het voorwerp uitmaken van de bewezen verklaarde telastleggingen, geneesmiddelen zijn als bedoeld in artikel 1 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen;
Dat het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat die producten voed-ingssupplementen zijn, feitelijke grondslag mist;
2. Tweede middel
Overwegende dat het arrest vaststelt dat de in de bewezen verklaarde te-lastleggingen bedoelde producten aan de consument werden aangediend:
- in een voorgedoseerde vorm gelijkaardig aan die van geneesmiddelen;
- in een verpakking gelijkaardig aan die van geneesmiddelen;
- met de verwijzing, zowel in de folder "Voedingssupplementen die echt werken", als op de verpakking, als in advertenties, naar wetenschappelijke benamingen;
- met de verwijzing in voornoemde folder naar wetenschappers en geneesh-eren;
- met de sporadische verwijzing naar profylactische eigenschappen met be-trekking tot ziekte bij de mens;
- en enkel via de verkoop in apotheken;
Overwegende dat het middel, in zoverre het ervan uitgaat dat de appèl-rechters alleen op de folder getiteld "Voedingssupplementen die echt werken" steunen om tot aandiening aan het publiek te besluiten, en op die grond schending van artikel 3 Strafwetboek aanvoert, berust op een onvolledige lez-ing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist;
Overwegende voor het overige dat het arrest met de in het middel weer-gegeven redenen geen uitlegging geeft van de in het middel vermelde stukken, mitsdien de bewijskracht ervan niet miskent;
Dat het middel in zoverre eveneens feitelijke grondslag mist;
B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voor-geschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkom-stig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt de cassatieberoepen;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van honderd vijfenzestig euro zesendertig cent, waarvan I. op het cassatieberoep van X. D. P.: tweeëntachtig euro achtenzestig cent verschuldigd en II. op het cassatieberoep van J. D.
en E. M.: tweeëntachtig euro achtenzestig cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend en drie, door afdelingsvoorzit-ter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.