Hof van Cassatie: Arrest van 16 Juni 2004 (België). RG P040583F
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20040616-2
- Numéro de rôle :
- P040583F
Résumé :
De beschuldigde die niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de termijn van dagvaarding van twee maanden en die zich daarop wil beroepen, moet de niet-naleving ervan ten laatste bij de opening van de zitting en vóór elke exceptie of verweer aanvoeren.
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Nr. P.04.0583.F.-
I. K. N., beschuldigde, gedetineerd,
Mrs. Christine Calewaert en Joëlle Vossen, advocaten bij de balie te Brussel.
II. K. N., beschuldigde, gedetineerd,
tegen
B. S.,
burgerlijke partij,
Mr. Isabelle Saels, advocaat bij de balie te Brussel.
III. K. N., beschuldigde, gedetineerd.
I. Bestreden beslissingen
De cassatieberoepen sub I en III zijn gericht tegen het arrest, op 19 maart 2004 onder het nummer 2048 gewezen door het Hof van Assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel Hoofdstad.
Het cassatieberoep sub II is gericht tegen het arrest dat dezelfde dag onder het nummer 2049 is gewezen door datzelfde gerecht.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat generaal Xavier De Riemaecker heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser voert een middel aan in een memorie, waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
IV. Beslissing van het Hof
A. Op het cassatieberoep sub III gericht tegen het arrest met nummer 2048 dat uitspraak doet over de tegen eiser ingestelde strafvordering :
Overwegende dat eiser, bij de op 11 juni 2004 op de griffie van het Hof neergelegde akte, afstand doet van zijn cassatieberoep ;
B. Op het cassatieberoep sub I gericht tegen het arrest met nummer 2048 dat uitspraak doet over de tegen eiser ingestelde strafvordering :
Over het middel :
Overwegende dat eiser uiteenzet dat hij werd gedagvaard om op de terechtzitting van 15 maart 2004 te verschijnen voor het Hof van Assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel-Hoofdstad, terwijl het dagvaardings-bevel dat op 29 januari 2004 was opgesteld door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel, hem pas op 3 februari 2004 is betekend ;
Dat hij betoogt dat de termijn van twee maanden, die bepaald is in artikel 295 van het Wetboek van Strafvordering en waarvan hij niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan, niet is nageleefd, zodat het arrest van 19 maart 2004 dat hem veroordeelt tot levenslange opsluiting, nietig is ;
Overwegende, evenwel, dat krachtens artikel 295, de beschuldigde die niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de termijn van twee maanden en die zich daarop wil beroepen, de niet-naleving ervan ten laatste bij de opening van de zitting en vóór alle exceptie of verweer moet aanvoeren ;
Dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiser de niet-naleving van die termijn heeft aangevoerd voor het hof van assisen ;
Dat het middel, dat voor het eerst voor het Hof wordt aangevoerd, niet ontvankelijk is ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
C. Op het cassatieberoep sub II gericht tegen het arrest met nummer 2049 dat uitspraak doet over de door verweerster tegen eiser ingestelde burgerlijke rechtsvordering :
Overwegende dat eiser geen bijzonder middel aanvoert ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep, dat eiser heeft ingesteld op de griffie van de gevangenis en dat gericht is tegen het arrest met nummer 2048 ;
Verwerpt de andere twee cassatieberoepen ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, de raadsheren Jean de Codt, Frédéric Close, Paul Mathieu en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van zestien juni tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, in aanwezigheid van advocaat-generaal Xavier De Riemaecker, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Jean-Pierre Frère en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,
I. K. N., beschuldigde, gedetineerd,
Mrs. Christine Calewaert en Joëlle Vossen, advocaten bij de balie te Brussel.
II. K. N., beschuldigde, gedetineerd,
tegen
B. S.,
burgerlijke partij,
Mr. Isabelle Saels, advocaat bij de balie te Brussel.
III. K. N., beschuldigde, gedetineerd.
I. Bestreden beslissingen
De cassatieberoepen sub I en III zijn gericht tegen het arrest, op 19 maart 2004 onder het nummer 2048 gewezen door het Hof van Assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel Hoofdstad.
Het cassatieberoep sub II is gericht tegen het arrest dat dezelfde dag onder het nummer 2049 is gewezen door datzelfde gerecht.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat generaal Xavier De Riemaecker heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser voert een middel aan in een memorie, waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
IV. Beslissing van het Hof
A. Op het cassatieberoep sub III gericht tegen het arrest met nummer 2048 dat uitspraak doet over de tegen eiser ingestelde strafvordering :
Overwegende dat eiser, bij de op 11 juni 2004 op de griffie van het Hof neergelegde akte, afstand doet van zijn cassatieberoep ;
B. Op het cassatieberoep sub I gericht tegen het arrest met nummer 2048 dat uitspraak doet over de tegen eiser ingestelde strafvordering :
Over het middel :
Overwegende dat eiser uiteenzet dat hij werd gedagvaard om op de terechtzitting van 15 maart 2004 te verschijnen voor het Hof van Assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel-Hoofdstad, terwijl het dagvaardings-bevel dat op 29 januari 2004 was opgesteld door de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel, hem pas op 3 februari 2004 is betekend ;
Dat hij betoogt dat de termijn van twee maanden, die bepaald is in artikel 295 van het Wetboek van Strafvordering en waarvan hij niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan, niet is nageleefd, zodat het arrest van 19 maart 2004 dat hem veroordeelt tot levenslange opsluiting, nietig is ;
Overwegende, evenwel, dat krachtens artikel 295, de beschuldigde die niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de termijn van twee maanden en die zich daarop wil beroepen, de niet-naleving ervan ten laatste bij de opening van de zitting en vóór alle exceptie of verweer moet aanvoeren ;
Dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiser de niet-naleving van die termijn heeft aangevoerd voor het hof van assisen ;
Dat het middel, dat voor het eerst voor het Hof wordt aangevoerd, niet ontvankelijk is ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
C. Op het cassatieberoep sub II gericht tegen het arrest met nummer 2049 dat uitspraak doet over de door verweerster tegen eiser ingestelde burgerlijke rechtsvordering :
Overwegende dat eiser geen bijzonder middel aanvoert ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep, dat eiser heeft ingesteld op de griffie van de gevangenis en dat gericht is tegen het arrest met nummer 2048 ;
Verwerpt de andere twee cassatieberoepen ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, de raadsheren Jean de Codt, Frédéric Close, Paul Mathieu en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van zestien juni tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, in aanwezigheid van advocaat-generaal Xavier De Riemaecker, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Jean-Pierre Frère en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De raadsheer,