Hof van Cassatie: Arrest van 17 Februari 2009 (België). RG P.08.1587.N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20090217-10
- Numéro de rôle :
- P.08.1587.N
Résumé :
De vaststelling dat het herstel in de oorspronkelijke toestand een "straf" is in de zin van artikel 6.1 EVRM, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen, waaronder de behandeling van de vordering binnen een redelijke termijn; noch de artikelen 6 of 13 EVRM, noch artikel 14 IVBPR, noch enige andere bepaling van die verdragen duiden de gevolgen aan die de rechter aan een door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn moet verbinden, zodat het aan de rechter staat om, wanneer hij beslist een strafvermindering toe te kennen omdat de redelijke termijn is overschreden, in feite en op grond van de concrete gegevens van de zaak te oordelen in welke mate en onder welke voorwaarden die vermindering kan worden toegekend, op voorwaarde dat die vermindering reëel en meetbaar is (1). (1) Zie Cass., 14 juni 2006, AR P.05.1632.F, A.C., 2006, nr 329; 28 okt. 2008, AR P.08.0880.N, A.C., 2008, nr ...; 4 nov. 2008, AR P.08.0081.N, A.C., 2008, nr ... Zie ook Arbitragehof, 2 maart 1995, nr 18/95, overweging B.3.
Arrêt :
Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr. P.08.1587.N
1. J. P. J. B.,
beklaagde,
2. S. M. P.,
beklaagde,
eisers,
vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie West-Vlaanderen, met kantoor te 8000 Brugge, Werkhuissstraat 9,
eiser tot herstel,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 26 september 2008.
De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Middel
Eerste onderdeel
1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6, in het bijzonder 6.1, en 7 EVRM, de artikelen 14, in het bijzonder 14.3 en 15 IVBPR en 149, § 1, Ste-denbouwdecreet 1999: door de meest vergaande herstelmaatregel (de volledige afbraak) te bevelen, ondanks de vastgestelde overschrijding van de redelijke ter-mijn, miskent het bestreden arrest enerzijds het strafrechtelijk karakter van die maatregel, anderzijds ook de gevolgen van de overschrijding van de redelijke ter-mijn op dergelijke straf.
2. De vaststelling dat het herstel in de oorspronkelijke toestand een "straf" is in de zin van artikel 6.1 EVRM, brengt enkel mee dat de waarborgen van die be-paling moeten worden in acht genomen, waaronder de behandeling van de vorde-ring binnen een redelijke termijn.
Noch de artikelen 6 of 13 EVRM, noch artikel 14 IVBPR, noch enig andere bepa-ling van die verdragen duiden de gevolgen aan die de rechter aan een door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn moet verbinden. Het staat al-dus aan de rechter om, wanneer hij beslist een strafvermindering toe te kennen omdat de redelijke termijn is overschreden, in feite en op grond van de concrete gegevens van de zaak te oordelen in welke mate en onder welke voorwaarden die vermindering kan worden toegekend, op voorwaarde dat die vermindering reëel en meetbaar is.
3. De appelrechters stellen vast dat het door de stedenbouwkundig inspecteur gevorderde herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand nog steeds nood-zakelijk is om aan de gevolgen van het misdrijf een einde te stellen. Niettegen-staande het onverantwoord groot tijdsverloop sedert de werken werden uitge-voerd, weegt het voordeel voor de goede ordening van de ruimte op tegen de last die er voor de overtreders uit voortvoeit (arrest, p. 15, alinea 3 en 4).
Uit de motieven van het arrest blijkt ook dat de appelrechters met de overschrij-ding van de redelijke termijn rekening houden bij het bepalen van de gevangenis-straf en de geldboete (arrest p. 11, eerste alinea).
Zodoende verantwoorden zij hun beslissing naar recht.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrech-ters antwoorden niet op de in conclusie aangevoerde feitelijke gegevens met be-trekking tot de regularisatieprocedure, de bestemming van de woning in het ont-werp van gemeentelijk uitvoeringsplan, de inventarisatie in klasse 4 en de studies voor bescherming als monument, waarvan de eisers uitdrukkelijk hadden ge-vraagd ze te betrekken bij de beoordeling van de interne wettigheid en van de kennelijke onevenredigheid van de herstelmaatregel.
5. Voormelde feitelijke gegevens hadden de eisers in conclusie aangevoerd ter ondersteuning van hun verweer dat de herstelmaatregel bestaande in de volledige afbraak van hun woning, totaal onredelijk was en niet noodzakelijk in het licht van de ruimtelijke ordening en de omgeving.
Met de redenen vermeld in het arrest (ro 11.1, 11.6.1 en 11.6.2) beantwoorden de appelrechters dit verweer, zonder dat zij daarbij moeten antwoorden op elk argu-ment dat, zonder een afzonderlijk middel te vormen, enkel dient tot staving van dit verweer.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Derde onderdeel
6. Het onderdeel voert miskenning aan van het wettigheids- en evenredig-heidsbeginsel, zoals onder meer vervat in de artikelen 159 Grondwet en artikel 149, § 1 en § 3, Stedenbouwdecreet 1999: bij hun oordeel dat de gevorderde slo-ping van eisers' woning niet kennelijk onredelijk is, verlenen de appelrechters on-evenredig veel aandacht aan de ernst van de inbreuken en miskennen hierbij tal van feitelijke vaststellingen en ingeroepen stedenbouwkundige argumenten.
7. Krachtens artikel 159 Grondwet en artikel 149, § 1, Stedenbouwde-creet 1999 heeft de rechter de bevoegdheid om de gevorderde herstelmaatregel op zijn externe en interne wettigheid te toetsen. De rechter gaat na of de herstelvorde-ring steunt op motieven die de ruimtelijke ordening betreffen en op een opvatting van de ruimtelijke ordening die niet onredelijk is. Bovendien moet de rechter ook nagaan of de last die voor de overtreder uit het gevorderde herstel zou voortvloei-en, opweegt tegen het voordeel dat hieruit voor de ruimtelijke ordening zou ont-staan.
Hieruit volgt dat ook wanneer de wederrechtelijke constructies onverenigbaar zijn met de planologische bestemming van het gebied, de rechter, afhankelijk van de concrete omstandigheden van de zaak, kan oordelen dat een herstelvordering die op grond van die planologische bestemming en die voorschriften is gesteund, wel of niet kennelijk onredelijk is en niet noodzakelijk om de ruimtelijke ordening te vrijwaren.
8. Uit de motivering van de appelrechters blijkt dat zij vertrekken van de vast-stelling dat de wederrechtelijk tot stand gebrachte verbouwde woning gelegen is in natuurgebied, in de onmiddellijke nabijheid van een natuurreservaat, dat zij vervolgens de feitelijke toestand onderzoeken, met inbegrip van de gegevens die de eisers in conclusie hebben aangevoerd, om ten slotte op grond van de motive-ring van de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur te oordelen dat "in weerwil van hetgeen in conclusies door de (eisers) wordt aangevoerd om het tegendeel te doen aannemen (...) in acht genomen deze motieven, onder meer met betrekking tot de ernst van de overtreding en de verenigbaarheid met de onmid-dellijke omgeving, de vordering [tot afbraak] niet steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van de goede ruimtelijke or-dening die kennelijk onredelijk is".
Om de noodzaak van de herstelmaatregel te beoordelen, kaderen zij aldus de pla-nologische bestemming in de werkelijke feitelijke toestand, waarbij zij vaststellen dat "het voordeel van de goede ordening van de ruimte door het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand opweegt tegen de last die er voor de (eisers) uit voortvloeit".
Met hun motieven verrichten de appelrechters de hen opgedragen evenredig-heidstoets, en verantwoorden hierbij hun beslissing naar recht.
Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
9. In zoverre het onderdeel voor het overige opkomt tegen de onaantastbare beoordeling in feite dat het gevorderde herstel niet kennelijk onredelijk is, is het niet ontvankelijk.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Begroot de kosten op 97,88 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Luc Van hoogenbemt en Koen Mestdagh, en op de openbare rechtszitting van 17 februari 2009 uitgesproken door afdelings-voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duin-slaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Conny Van de Mergel.
C. Van de Mergel K. Mestdagh L. Van hoogenbemt
J.-P. Frère E. Goethals E. Forrier