Hof van Cassatie: Arrest van 17 Januari 1992 (België). RG 7400

Date :
17-01-1992
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19920117-16
Numéro de rôle :
7400

Résumé :

De Staat, de provincies en de gemeenten hebben het recht om de met waterleidingen verband houdende werken op hun onderscheiden domein te doen wijzigen; als de wijzigingen worden vereist in het belang van de wegen, moet de kostprijs van die wijzigingen door de concessiehouder worden gedragen; die bepaling betreft zowel het openbaar als het privé-domein van die overheden maar vindt geen toepassing met betrekking tot een eigendom dat niet aan een van hen behoort. (Enig artikel, laatste lid, wet van 17 januari 1938.)

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 12 maart 1990 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Over het middel : schending van artikel 11 van de Grondwet en van het enige artikel van de wet van 17 januari 1938 betreffende de regeling van het gebruik door de openbare besturen, de verenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van de Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen, inzonderheid het laatste lid van dit artikel,
doordat het arrest, na te hebben vastgesteld dat de wet van 17 januari 1938 aan de intercommunales het recht geeft om op hun kosten, onder pleinen, wegen enz. mits toelating alle werken te laten uitvoeren die noodzakelijk zijn voor de waterleidingen, dat deze werken evenwel geen buitenbezitstelling tot gevolg hebben, dat in het laatste lid van het enig artikel van die wet "aan de Staat (...) het recht wordt gegeven om, in alle geval, op hun onderscheidelijk domein de door de intercommunales uitgevoerde werken te doen wijzigen", dat deze bevolen wijzigingen bovendien zullen moeten geschieden op kosten van de intercommunale, dat nochtans deze wet niet spreek over waterleidingen die gelegen zijn op eigendommen van privé-personen, beslist dat eiser "op grond van de wet van 17 januari 1938 en zolang (verweerster) zelf eigenaar was van de grond waarin haar moederbuis lag, aan (verweerster) niet de verplichting kon opleggen om deze waterleiding te verplaatsen, bijvoorbeeld in het belang van de wegen; dat deze toestand gewijzigd werd door de onteigening, waarbij het eigendomsrecht van (verweerster) is overgegaan op (eiser); dat (eiser), nu hij eigenaar is geworden van de grond waarin de moerbuis lag, (verweerster) heeft kunnen verplichten om deze leiding te verplaatsen; dat het recht om (verweerster) te verplichten de waterleiding te verplaatsen een recht is dat voortspruit uit de wet van 17 januari 1938 (...); dat dit recht evenwel slechts in tweede orde ontstond nu (eiser) hiertoe vooreerst tot onteigening moest overgaan...", en daaruit afleidt "dat de billijke vergoeding, waarop (verweerster) recht heeft, bijgevolg niet alleen moet berekend worden naar rato van de waarde der onteigende vierkante meter grond, maar ook volgens het nadeel dat zij zal (lijden) door de mogelijke toepassing die (eiser) zal of heeft kunnen maken van de wet van 18 (lees 17) januari 1938",
terwijl, eerste onderdeel, het enig artikel, laatste lid, van de wet van 17 januari 1938, boven nader aangeduid, bepaalt dat de Staat, de provinciën en de gemeenten in alle geval het recht hebben de schikkingen of het plan van een waterleiding te laten wijzigen alsook de werken die ermee verband houden, en bovendien een onderscheid maakt wat betreft de kostendekking van de aldus opgelegde werken; onder meer, wanneer de wijziging opgelegd is "in het belang van de wegen", deze kosten zullen gedragen worden door de maatschappij die de leidingen heeft aangelegd; ofschoon deze wet van 17 januari 1938 in principe de werken op het openbaar domein beoogt, de bepaling van het laatste lid niettemin ook toepasselijk is wanneer de Staat wijzigingen oplegt aan leidingen gelegen in een privaat domein, na te hebben beslist er wegenwerken uit te voeren die tot gevolg zullen hebben het pand tot openbaar gebruik te bestemmen en het aldus in het openbaar domein op te nemen; zulks in casu door de onteigening verwezenlijkt werd, en wel "in het belang van de wegen"; het laatste lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 trouwens gewag maakt van "hun onderscheiden domein", welke term zowel het privé- als het openbaar domein van de genoemde overheden omvat; zodat het arrest ten onrechte aan de Staat het recht ontzegt om op grond van het meervermeld enig artikel, laatste lid, van de wet van 17 januari 1990 (schending van deze bepaling) zolang verweerster zelf eigenaar was van de grond waarin de leiding lag, haar de verplichting op te leggen om in het belang van de wegen de besproken waterleiding op eigen kosten te verplaatsen;
tweede onderdeel, het arrest ten onrechte beslist dat het recht van eiser om de waterleidingen te doen verplaatsen slechts ontstond "in tweede orde", en dat eiser eerst tot onteigening moest overgaan, waaruit afgeleid wordt dat het verwerven van dit recht mede in aanmerking genomen moet worden om de onteigeningsvergoeding te bepalen; immers het voorschrift van het meervermeld laatste lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938 voor verweerster de plicht kan meebrengen om leidingen te verplaatsen, ook op niet-onteigende gronden, waarvoor verweerster dan ook op eigen kosten had moeten instaan, wanneer de werken "in het belang van de wegen" werden voorgeschreven; de onteigening op zichzelf op geen enkele wijze het recht aantastte dat verweerster uit hoofde van haar waterleiding kan doen gelden op het onteigend goed, en de onteigeningsvergoeding enkel die schade mag vergoeden die rechtstreeks en noodzakelijk door de onteigening wordt veroorzaakt; zodat het arrest, door de principiële toezegging aan verweerster van haar vordering nopens een vergoeding voor de verplaatsingskosten van de besproken waterleiding, de betekenis van het meervermeld enig artikel, laatste lid, van de wet van 17 januari 1938 miskent (schending van deze bepaling), en tevens aan verweerster een principieel recht op vergoeding toekent voor een uitgave die niet het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de uitgevoerde onteigening (schending van artikel 11 van de Grondwet) :
Overwegende dat het laatste lid van het enige artikel van de wet van 17 januari 1938 de Staat, de provincies en de gemeenten het recht geeft om in alle geval op hun domein de schikkingen of het plan van een waterleiding en de werken die ermee verband houden, te doen wijzigen; dat, krachtens die bepaling, als de wijzigingen vereist worden in het belang van de wegen, de kostprijs van die wijzigingen door de concessiehouder moet worden gedragen;
Dat die bepaling zowel het openbaar als het privé-domein van die overheden betreft, maar geen toepassing vindt met betrekking tot een eigendom dat niet aan een van hen behoort;
Dat uit die bepaling volgt dat de Staat, ten aanzien van een onroerend goed dat niet tot zijn domein behoorde, na de onteigening ervan het recht verkrijgt om zich in voorkomend geval op de vermelde bepaling te beroepen; dat zulks te dezen voor de onteigende eigenaar een verplichting doet ontstaan die tevoren niet bestond en die het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de onteigening; dat de onteigende eigenaar derhalve krachtens artikel 11 van de Grondwet de aan dat gevolg verbonden kosten kan verhalen op de onteigenaar;
Overwegende dat het arrest dat beslist dat zolang de grond waarin de moerbuis lag niet door de eiser was onteigend, de eiser aan verweerster niet de verplichting kon opleggen de waterleiding te verplaatsen in het belang van de wegen en dat ingevolge de onteigening de onteigende een voor de onteigening niet bestaand nadeel "zal lijden door de mogelijke toepassing die (eiser) zal of heeft kunnen maken van de wet van (lees :) 17 januari 1938"; zijn beslissing naar recht verantwoordt;
Dat het middel faalt naar recht;
Om die redenen, verwerpt de voorziening; veroordeelt eiser in de kosten.