Hof van Cassatie: Arrest van 17 November 1997 (België). RG S970062N

Date :
17-11-1997
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19971117-9
Numéro de rôle :
S970062N

Résumé :

Het verbod om hetgeen werkelijk is beslist te wijzigen, aan te vullen of er vaststellingen aan toe te voegen, en het verbod om bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen gelden ook indien hetgeen werkelijk is beslist of indien die bevestigde rechten onwettig zouden zijn.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 14 februari 1997 door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, gewezen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van artikelen 28, 792, tweede en derde lid (zoals ingevoegd bij wet van 12 januari 1993), 793, 794, 1042, 1051 en 1057, eerste lid, 4° van het Gerechtelijk Wetboek, van het algemeen rechtsbeginsel inzake de devolutieve kracht van het hoger beroep (zoals bevestigd in artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek), van het beschikkingsbeginsel volgens hetwelk de appellant de perken van zijn hoger beroep mag bepalen,
doordat het arbeidshof in de bestreden beslissing, na te hebben vastgesteld dat het oorspronkelijk bodemgeschil betrekking had op de vraag tot herziening van een administratieve beslissing inzake de ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of geestelijke geschiktheid van eiseres, dat bij vonnis van 14 maart 1995 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren deze administratieve beslissing werd vernietigd en dat verweerder werd veroordeeld tot betaling van de verhoogde kinderbijslag "vanaf 01.06.1969" (arrest p. 3, laatste alinea; het vonnis van 14 maart 1995 vermeldt evenwel : "vanaf 01.06.169"), dat partijen van dit vonnis bij gerechtsbrief in kennis werden gesteld op 16 maart 1995, dat er geen enkel verhaal werd tegen aangetekend zodat het kracht van gewijsde heeft en dat verweerder bij dagvaarding van 14 september 1995 een vordering tot uitlegging en verbetering instelde, die bij vonnis van 9 januari 1996 werd ingewilligd in zoverre de verhoogde kinderbijslag diende te worden toegekend "vanaf 01.06.1969" en niet "vanaf 01.06.169", verweerders hoger beroep tegen dit laatste vonnis ontvangt en gegrond verklaart, het vonnis van 9 januari 1996 vernietigt - behalve voor zover het oordeelde over de gerechtskosten - en, opnieuw rechtdoende, verweerder veroordeelt tot betaling van verhoogde kinderbijslag vanaf 4 november 1989, op volgende gronden : "Bij de organisatie van het Belgisch Sociaal Zekerheidssysteem werd gedacht, terzake de verjaring der inkomsten, aan afdracht van een bepaald gedeelte van het loon of vrijwillige bijdragen, naargelang het toe te passen stelsel, en, voor wat de toekenning aangaat, aan een repartitiesysteem. Teneinde het evenwicht tussen inkomsten en uitgaven te bewaren, werden regels noodzakelijk geacht dewelke de toegang tot bepaalde rechten vastlegden zowel als de grenzen binnen dewelke de rechtsonderhorige deze rechten kan laten gelden. In die zin is te verklaren waarom de regeling van het recht op kinderbijslag de openbare orde raakt (...). Bij het nemen van een administratieve beslissing en het verhaal daartegen bij de Arbeidsrechtbank, kan vooreerst niet worden afgeweken van deze dringende voorzieningen uit de sociale zekerheidswetgeving en vervolgens dient van partijen verwacht dat de op een sociaal zekerheidsvoordeel rechthebbende zowel als de schuldenaar ervan, (hun) respectievelijke rechten en plichten op het forum van debat bespreekbaar wensen binnen die bepaalde grenzen, zodat uiteindelijk ook slechts in die mate dit recht kan worden geconcretiseerd. Het voorwerp van het geschil geeft dan ook de grenzen aan binnen dewelke het debat wordt gevoerd en uiteraard is ook de rechter gebonden door de inhoudelijke draagwijdte van het geschil, met andere woorden kon in casu de rechter een recht bevestigen of ontzeggen hetwelk reeds ab initio, vanaf het nemen van de administratieve beslissing, ingevolge een wet welke van openbare orde is,
inzonderheid art. 120 van de samengeordende wetten inzake kinderbijslag voor loontrekkenden, was beperkt voor (wat) het tijdvak aangaat tot deze voorafgaand aan de aanvraag daartoe doch slechts over een periode van drie jaar en, voor wat de toekomst betreft tot een bepaalde leeftijd van de rechthebbende, en voor (wat) de grond betreft tot de vervulling van de voorwaarde inzake arbeidsongeschiktheid. Toegepast op onderhavig casus betekent zulks dat de eerste rechter duidelijk ultra petita heeft geoordeeld, dat de wetgeving hem niet toeliet rechten vast te leggen waarvoor geen wettelijke voorzieningen bestaan. Zowel de toezegging dat het recht ingaat op 1 juni 1969 alswel de uitlegging van deze toezegging of verbetering ervan in '1 juni 1969' hebben derhalve geen enkele wettelijke grondslag; daaruit kan enkel maar worden besloten dat het Belgisch sociaal zekerheidsstelsel de uitvoering van deze vonnissen ook niet kan toelaten, vermits het decisief ervan de sociale zekerheidsvordering niet raakt, er zelfs buiten is getreden. Zowel het uitgelegde vonnis als wel het vonnis dd. 14 maart 1995 hebben geen enkel recht kunnen bevestigen, noch wijzigen, vermits de wetgeving terzake de toekenning van kinderbijslag, van openbare orde zijnde, de toekenning van zulke rechten, zoals thans verstrekt, niet toelaat. Reeds op grond van deze overweging heeft beroeper het recht om verhaal aan te tekenen tegen het vonnis dd. 9 januari 1996. Bij onduidelijkheid omtrent hetgeen de rechter noodzakelijk heeft willen motiveren om tot het oordeel te komen, of onduidelijkheid in het decisief, is het hem mogelijk om, op verzoek daartoe, tot uitlegging of verbetering over te gaan, zonder dat de in het vonnis bevestigde rechten mogen worden gewijzigd. Welnu, in het bodemvonnis werden geen rechten bevestigd tenzij op onwettelijke grondslag. De principes van burgerlijke rechtspleging terzake de uitlegging van vonnissen beogen niet rechten te zien herbevestigen dewelke onwettig werden vastgelegd. Het vonnis dd. 14 maart 1995 kan derhalve geen enkele kracht van gewijsde bekomen in de zin van dat daaraan enige uitvoerbaarheid kan worden verleend, noch kan dezelfde kwalificatie van uitvoerbaarheid worden toegezegd aan het bestreden vonnis. Ook om deze reden kan beroeper zijn belang aantonen om de rechtsverhouding tussen de partijen terzake de toe te kennen kinderbijslag, correct te zien bepalen door dit Hof. (...) Ten (gronde) wordt door (verweerder) niet verder betwist dat (eiseres') aanspraken inzake de verhoogde kinderbijslag gegrond zijn, evenwel zoals wettelijk beperkt, hetgeen tot de conclusie leidt dat de verhoogde kinderbijslag verschuldigd is vanaf 4 november 1989" (arrest p. 7 tot 10),
terwijl, eerste onderdeel, in zoverre het arbeidshof in de bestreden beslissing zou hebben recht gesproken als appèlrechter ten aanzien van het vonnis van 14 maart 1995 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren - wat zou kunnen worden afgeleid uit de overwegingen van het arbeidshof luidens dewelke "in het bodemvonnis geen rechten (werden) bevestigd tenzij op onwettelijke grondslag", dat "het vonnis dd. 14 maart 1995 derhalve geen enkele kracht van gewijsde (kan) bekomen ..." of dat "het uitleggend vonnis een geheel (vormt) met het uitgelegde of verbeterd vonnis, zodat de termijn om verhaal aan te tekenen begint te lopen vanaf de betekening of kennisgeving van het verbeterd of uitleggend vonnis"-;
ten eerste, het arbeidshof uitspraak doet over een hoger beroep dat bij het hof niet aanhangig was nu verweerder bij verzoekschrift van 7 februari 1996 overeenkomstig artikel 1057,
eerste lid, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, als beslissing waartegen hij hoger beroep aantekende, aanduidde "een vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren d.d. 09.01.1996, A.R. 3084/1995" (verzoekschrift tot hoger beroep p. 1); evenmin het hoger beroep van verweerder tegen het rectificatief of interpretatief vonnis van 9 januari 1996 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren, de grond van de zaak aanhangig maakte bij het arbeidshof, doch dit slechts toeliet als appèlrechter hetzij overeenkomstig artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek de betreffende beslissing uit te leggen, dan wel overeenkomstig artikel 794 verschrijvingen of misrekeningen die erin voorkomen, te verbeteren, één en ander zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen; zodat het arbeidshof niet wettig als appèlrechter kennis kon nemen van de grond van de zaak zoals deze beslecht was in het vonnis van 14 maart 1995 (schending van artikelen 793, 794, 1042, 1057, eerste lid, 4° van het Gerechtelijk Wetboek, van het algemeen rechtsbeginsel inzake de devolutieve kracht van het hoger beroep, en van het beschikkingsbeginsel, krachtens hetwelk de appellant zelf de perken van zijn hoger beroep bepaalt),
ten tweede, hoger beroep tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren dd. 14 maart 1995 slechts mogelijk zou zijn geweest voor zover deze beslissing nog niet in kracht van gewijsde was getreden; dit vonnis evenwel, zoals uit de procedurestukken moge blijken, bij gerechtsbrief van 16 maart 1995 ter kennis was gebracht aan de partijen overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek en zodoende op 16 april 1995 kracht van gewijsde bekwam; overeenkomstig artikel 1051, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand bedraagt, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek; dit vonnis derhalve niet op ontvankelijke wijze bij verzoekschrift van 7 februari 1996 aan de beoordeling van het arbeidshof kon worden voorgelegd, zodat het arbeidshof niet wettig als appèlrechter kennis kon nemen van de grond van de zaak zoals deze beslecht was in het vonnis van 14 maart 1995 (schending van artikelen 28, 792, tweede en derde lid, en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek);
en terwijl, tweede onderdeel, in zoverre het arbeidshof in de bestreden beslissing slechts recht gesproken heeft als appèlrechter ten aanzien van het vonnis van 9 januari 1996 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren, het hof dan ook slechts bevoegd was hetzij overeenkomstig artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek het vonnis van 14 maart 1995 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren uit te leggen, hetzij overeenkomstig artikel 794 verschrijvingen of misrekeningen die in dit vonnis voorkomen, te verbeteren, één en ander zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen; noch de uitleggende beslissing, noch de verbeterende beslissing immers vermag de rechten, vastgesteld in de uitgelegde of verbeterde beslissing, uit te breiden, te beperken of te wijzigen; te dezen eiseres door haar verzoekschrift van 22 november 1993 ernaar streefde vanaf 1970 een invaliditeitsgraad van meer dan 66% te horen vaststellen met het oog op het bekomen van verhoogde kinderbijslag; de Arbeidsrechtbank te Tongeren bij vonnis van 14 maart 1995, het advies van de voorheen aangestelde deskundige volgend,
oordeelde dat eiseres tussen 66 en 79% lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid vertoonde, en dienvolgens het recht op verhoogde kinderbijslag erkende vanaf "01.06.169"; de problematiek van de eventuele verjaring van het recht op verhoogde kinderbijslag niet aan de arbeidsrechtbank werd voorgelegd door partijen, noch door de arbeidsrechtbank zelf ambtshalve werd opgeworpen; de interpretatieve of rectificatieve vordering van verweerder derhalve weliswaar betrekking kon hebben op de verkeerde aanduiding van het jaartal vanaf wanneer het recht op verhoogde kinderbijslag kon worden toegekend, en dit in het licht van de intrinsieke bestanddelen van het vonnis, doch geenszins een nieuwe rechtsvraag kon opwerpen, met name het vraagstuk van de eventuele verjaring der vordering; het arbeidshof niet bevoegd was, als appèlrechter op de interpretatieve of rectificatieve vordering, de rechten van eiseres te beperken of te wijzigen in het licht van de mogelijke verjaringsproblematiek, ook al zouden deze rechten door de bodemrechter onwettig zijn vastgesteld; de eventueel onwettige vaststelling van eiseres' rechten in het vonnis van 14 maart 1995 immers bestreden kon worden door het geëigende rechtsmiddel, met name hoger beroep, wat door verweerder werd nagelaten; de rechter die in eerste aanleg of in graad van beroep geroepen werd de betreffende beslissing uit te leggen of te verbeteren, deze aldus vastgestelde rechten niet vermocht "wettelijk te beperken",
zodat het arbeidshof niet wettig, verwijzend naar de regels inzake de verjaring der vordering, kon oordelen dat het vonnis van 14 maart 1995 van de Arbeidsrechtbank te Tongeren, dat eiseres gerechtigd verklaarde op verhoogde kinderbijslag "vanaf 01.06.169", diende te worden vernietigd - behalve wat de beslissing over de gerechtskosten betreft -, en niet wettig kon oordelen dat verweerder slechts gehouden was verhoogde kinderbijslag uit te keren vanaf 4 november 1989 (schending van artikelen 793, 794, 1042 van het Gerechtelijk Wetboek) :
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat de rechter, ingevolge artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek, het recht heeft zijn vroegere beslissing uit te leggen voor zover de beschikkingen ervan onduidelijk of dubbelzinnig zijn, zonder dat hij evenwel hetgeen werkelijk is beslist, kan wijzigen of aanvullen of nog een vaststelling eraan toevoegen die vereist is voor de wettelijkheid van de beslissing;
Dat de rechter, krachtens artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek, de verschrijvingen of misrekeningen die in een door hem gewezen beslissing voorkomen, kan verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen;
Overwegende dat het verbod om hetgeen werkelijk is beslist te wijzigen, aan te vullen of er vaststellingen aan toe te voegen, en het verbod om bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen ook gelden indien hetgeen werkelijk is beslist of indien die bevestigde rechten onwettig zouden zijn;
Overwegende dat het arrest aanneemt dat het uit te leggen of te verbeteren vonnis heeft beslist dat het recht van eiseres weliswaar ingaat op 1 juni 1969, maar dat daarvoor geen wettelijke grondslag is, vermits de wetgeving ter zake de toekenning van kinderbijslag van openbare orde is en, krachtens artikel 120 van de samengeordende wetten inzake kinderbijslag voor loontrekkenden, het recht op kinderbijslag beperkt is tot een periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag;
dat het arrest dientengevolge beslist dat het recht van eiseres ingaat op 4 november 1989;
Dat het arrest aldus de artikelen 793 en 794 van het Gerechtelijk Wetboek schendt;
Dat het onderdeel gegrond is;
Overwegende dat het eerste onderdeel niet tot ruimere cassatie kan leiden;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;
Gelet op artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, veroordeelt verweerder in de kosten;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel.