Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.

Hof van Cassatie: Arrest van 17 Oktober 2017 (België). RG P.17.1000.N

Date :
17-10-2017
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20171017-8
Numéro de rôle :
P.17.1000.N

Résumé :

Samenvatting 1

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Nr. P.17.1000.N

Y F,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 oktober 2017.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM, alsmede miskenning van de algemene verplichting van het onderzoeksgerecht om te antwoorden op de besluiten van de inverdenkinggestelde of zijn raadsman: met de reden dat de eiser zelf aan de basis ligt van zijn vrijheidsbeneming ingevolge een schending van de hem opgelegde voorwaarden, beantwoordt het arrest niet eisers verweer dat de op 18 oktober 2016 aangevangen redelijke termijn voor de voorlopige hechtenis is miskend ingevolge vertragingen en inactiviteit in het onderzoek die niet aan de ei-ser te wijten zijn; met die reden oordeelt het arrest immers niet dat de eiser aan de basis ligt van de vertragingen; aldus miskent het arrest ook het vereiste van de re-delijke termijn.

2. Krachtens artikel 35 Voorlopige Hechteniswet kan de onderzoeksrechter de inverdenkinggestelde in vrijheid laten onder oplegging van een of meer voor-waarden. Artikel 38, § 2, van die wet bepaalt dat bij niet-naleving van de voor-waarden, de onderzoeksrechter een bevel tot aanhouding kan uitvaardigen onder de voorwaarden bepaald in artikel 28.

3. Artikel 28, § 1, eerste lid, 2°, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de on-derzoeksrechter in elke stand van het geding een bevel tot aanhouding kan uit-vaardigen tegen de in vrijheid gelaten of in vrijheid gestelde verdachte indien nieuwe en ernstige omstandigheden die maatregel noodzakelijk maken. Krachtens het tweede lid van die paragraaf zijn de bepalingen van hoofdstuk III, IV en V Voorlopige Hechteniswet mede van toepassing.

4. Het bevel tot aanhouding dat de onderzoeksrechter op grond van die bepa-lingen uitvaardigt tegen een onder voorwaarden vrijgelaten inverdenkinggestelde, vormt een eigen titel van vrijheidsberoving. Het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de handhaving van dat bevel tot aanhouding, dient de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 5.3 EVRM in acht te nemen vanaf het moment waarop de in-verdenkinggestelde opnieuw van zijn vrijheid wordt benomen. Het dient daarbij geen rekening te houden met vertragingen of inactiviteit die plaatsvonden tijdens de voorlopige hechtenis voorafgaand aan de vrijlating onder voorwaarden. Dat gerecht dient de redelijke termijn immers enkel te toetsen aan de hechtenis die is ondergaan sedert het afleveren van de titel waarop zij is gesteund.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Het arrest oordeelt dat:

- de eiser verzoekt om zijn invrijheidsstelling op grond van de miskenning van de redelijke termijn van artikel 5.3 EVRM;

- de eiser van zijn vrijheid werd benomen op 21 september 2017 en door de on-derzoeksrechter werd aangehouden op 22 september 2017;

- de redelijke termijn van artikel 5.3 EVRM een aanvang neemt vanaf de vrij-heidsbeneming op 21 september 2017;

- het gerechtelijk onderzoek geen abnormale vertraging kent;

- de onderzoeksrechter het strafdossier voor eindvordering overmaakte aan de procureur des Konings op 27 september 2017;

- de eiser ten onrechte verwijst naar voorgaande termijnen van voorlopige hech-tenis omdat hij zelf, zoals meerdere malen voordien, aan de basis ligt van zijn vrijheidsbeneming ingevolge schending van de hem opgelegde voorwaarden.

Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer en verantwoordt het de beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 57,81 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 17 oktober 2017 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky I. Couwenberg E. Francis

A. Lievens P. Hoet P. Maffei