Hof van Cassatie: Arrest van 18 Mei 1999 (België). RG P980883N

Date :
18-05-1999
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19990518-4
Numéro de rôle :
P980883N

Résumé :

Onder folteringen of onmenselijke handelingen in de zin van art. 3 EVRM worden die handelingen begrepen waarbij op doelbewuste wijze hevige pijn of ernstig leed van fysieke of psychische aard wordt toegepast met het oog bijvoorbeeld op het bekomen van informatie of bekentenissen van het slachtoffer, de bestraffing van het slachtoffer of het onder druk zetten of intimideren van het slachtoffer; vernederende behandelingen zijn handelingen die diegenen die eraan worden onderworpen, in zijn ogen of in de ogen van derden krenken of in zijn menselijke waardigheid aantasten. Waar elke strafrechtelijke veroordeling vernederend kan zijn, vereist art. 3 EVRM evenwel dat het verboden vernederende aspect van de straf afhangt van het geheel der omstandigheden, inzonderheid de aard, de context en de uitvoeringsmodaliteiten van de straf en dat, bovendien, de vernedering een minimum van zwaarwichtigheid moet hebben.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 28 mei 1998 door het Hof van Beroep te Antwerpen gewezen;
Gelet op arrest van het Hof van 11 februari 1997;
I. Op de voorziening van de Belgische Staat:
Over het middel, gesteld als volgt: schending van de artikelen 3, 14, van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, 220, § 1, 221, § 1, van de algemene wet op de douane en accijnzen, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 18 juli 1977, bevestigd bij de wet van 6 juli 1978,
doordat het bestreden arrest van hervorming, na verweerder schuldig verklaard te hebben aan het hem ten laste gelegde feit van onwettig bezit zoals in de tenlastelegging omschreven en hem veroordeeld te hebben tot betaling van de accijnsrechten t.b.v. 4.428.604 frank en van de bijzondere accijns t.b.v. 434.010 frank, de vraag tot veroordeling tot betaling van de geldboete van 57.816.940 frank verwerpt, op volgende gronden: dat verweerder voor de verkrijging en bewaring der sigaretten zelfs niet de goede trouw kan inroepen nu hij wist en moest weten dat zijn gedraging, die zich buiten elk regelmatig handelsverkeer situeerde, zeker geen legitiem karakter had of kon hebben; dat de vervolgende partij, Minister van Financiën - directeur Douane en Accijnzen- gevorderde accijnsrechten en bijzondere accijns, nalatigheidintresten, de geldboete (10 x de ontdoken accijnsrechten), en de verbeurdverklaring overeenkomstig de wet vorderde; dat te dezen moet worden vastgesteld dat de gevorderde geldboete van 57.816.940 frank, zoals wettelijk bepaald, niet in verhouding staat met de bewezen overtreding van de Douane en Accijnswetgeving (louter materieel onwettig bezit) en dermate voor verweerders onbereikbaar hoog is en dat zelfs zijn volledige inkomsten uit arbeid in de komende 50 jaar het bedrag van de gevorderde boete en intresten niet kan benaderen; dat aldus het opleggen van zulke straf voor zulk misdrijf, rekening houdend met de persoonlijkheid van verweerder en met zijn financiële draagkracht, erop neerkomt dat verweerder onmenselijk zwaar wordt gestraft, alle recht op eigendom in de toekomst vervalt en regelmatig verworven bezittingen voor verweerder en zijn familie tenietgaan; dat derhalve deze onredelijke en buitensporige boete als straf, strijdig met artikel 3 EVRM, in casu niet kan worden opgelegd zoals gevorderd; dat evenwel de wettelijk verschuldigde accijnsrechten (4.428.604 frank) niet als straf te beschouwen, de nalatigheidintresten, integraal moeten worden toegekend; dat evenzeer de gevorderde verbeurdverklaring wettig en gerechtvaardigd is,
terwijl, het feit dat de bij de wet voorziene geldboete inzake douane en accijnzen ten belope van 57.816.940 frank, zijnde tienmaal de ontdoken rechten, voor verweerder onbereikbaar hoog is, en zelfs zijn volledige inkomsten uit arbeid in de komende 50 jaar het bedrag van de gevorderde boete en intresten niet kan benaderen zodat alle recht op eigendom in de toekomst vervalt en regelmatig verworven bezittingen voor verweerder en zijn familie teniet gaan, niet tot gevolg heeft dat verweerder daardoor, in de zin van artikel 3 EVRM, zou onderworpen worden aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing; dat immers enerzijds deze geldboete tot voorwerp heeft het weliswaar zwaar maar objectief sanctioneren van de opzettelijke handelingen van verweerder gericht op het (de) benadeling van de schatkist en derhalve van gemengd karakter heeft van bestraffing en herstel der geleden schade ten gevolge van het fiscaal bedrog, zodat deze boete niet in wanverhouding staat tot het begane misdrijf; dat verweerder inzake de verkrijging en de bewaring der sigaretten zelfs niet de goede trouw kan inroepen nu hij wist en moest weten dat zijn gedraging, die zich buiten elk handelsverkeer situeerde, zeker geen legitiem karakter had of kon hebben; dat anderzijds deze, weliswaar zware geldboete, geen blijk geeft van verachting voor de persoon van verweerder en hem niet onderwerpt aan fysische of morele uitputting of vernedering; dat de straf, die louter geldelijk is, niet van aard is bij verweerder gevoelens van angst, of verschrikking te veroorzaken, en hem evenmin in sociaal diskrediet brengt, zodat geen buitengewoon lijden bij verweerder veroorzaakt wordt, en verweerder niet aan een onmenselijke of bestraffing blootgesteld is (schending van art. 3, van het Verdrag van 4 november 1950, 220, § 1, 221, § 1, van de algemene wet op de douane en accijnzen); dat daarbij de toepassing van gemeld artikel 3 dient te gebeuren zonder discriminatie naar het vermogen of de status van de persoon en een onderscheiden behandeling naargelang de inkomsten en de bezittingen van de burger op dit punt willekeurig en ontoelaatbaar is; dat immers de aanwending van artikel 3 en uiteindelijk zelfs de bestraffing afhankelijk worden gemaakt van het vermogen van de persoon (schending van de art. 3, 14, van het Verdrag van 4 november 1950, 220, § 1, 221, § 1, van de algemene wet op de douane en accijnzen), zodat het bestreden arrest de in het middel aangewezen bepalingen geschonden heeft:
A. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de strafvordering tegen verweerder:
Overwegende dat krachtens artikel 3 EVRM niemand mag worden onderworpen aan foltering noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen;
Overwegende dat onder folteringen of onmenselijke behandelingen, in de zin van artikel 3 EVRM, die handelingen worden begrepen waarbij op doelbewuste wijze hevige pijn of ernstig leed van fysieke of psychische aard wordt toegepast met het oog bijvoorbeeld op het bekomen van informatie of bekentenissen van het slachtoffer, de bestraffing van het slachtoffer of het onder druk zetten of intimideren van het slachtoffer; dat vernederende behandelingen handelingen zijn die diegenen die eraan worden onderworpen, in zijn ogen of in de ogen van derden krenken of zijn menselijke waardigheid aantasten;
Overwegende dat elke strafrechtelijke veroordeling vernederend kan zijn; dat artikel 3 EVRM evenwel vereist dat het verboden vernederende aspect van de straf afhangt van het geheel der omstandigheden, inzonderheid de aard, de context en de uitvoeringsmodaliteiten van de straf; dat bovendien de vernedering een minimum van zwaarwichtigheid moet hebben om onder toepassing van artikel 3 EVRM te vallen;
Overwegende dat de wetgever op douanemisdrijven zeer zware geldboeten heeft gesteld om te beletten dat fraude zou worden gepleegd met het oog op de enorme winst die men ermee kan maken; dat dergelijke bestraffing op zich onmenselijk noch vernederend is;
Overwegende dat het de wetgever toekomt misdrijven in te voeren en de straffen hiervoor te bepalen; dat de strafrechter niet vermag te beslissen de strafwet niet toe te passen omdat naar zijn oordeel de wettelijk bepaalde bestraffing, te dezen de geldboete, in een bepaalde zaak niet in verhouding is met de aard van de overtreding of de financiële draagkracht van de beklaagde; dat dit bovendien ertoe zou kunnen leiden dat de rechter in een zaak of aan een schuldige de wettelijk bepaalde bestraffing zou opleggen en in een andere zaak of aan een andere schuldige helemaal niet;
Dat het middel gegrond is;
OM DIE REDENEN,
ongeacht de namens Eric Coryn neergelegde memorie die niet concludeert tot cassatie zonder verwijzing,
Vernietigt, op de voorziening van de Belgische Staat, het bestreden arrest;
Verwerpt de voorziening van Eric Coryn;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Laat de kosten ten laste van de Staat.
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.