Hof van Cassatie: Arrest van 18 Maart 2003 (België). RG P021357N

Date :
18-03-2003
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20030318-17
Numéro de rôle :
P021357N

Résumé :

De beslissing die, ondanks verzet, de behandeling van de zaak uitstelt naar een latere terechtzitting, is geen beslissing of maatregel van inwendige aard zodat hoger beroep kan worden ingesteld van zodra ze uitgesproken is.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Nr. P.02.1357.N
V. B. N., eiser, beklaagde,
met als raadsman Mr. Peter Desmet, advocaat bij de balie te Kortrijk.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 13 september 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser stelt in een memorie drie middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
IV. Beslissing van het Hof
A. Onderzoek van de middelen
1. Tweede middel
1.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat, krachtens artikel 1050 Gerechtelijk Wetboek, hoger beroep kan worden ingesteld tegen alle vonnissen zodra zij zijn uitgesproken, zelfs al gaat het om beslissingen alvorens recht te doen of om verstek-vonnissen;
Dat de beslissing die, ondanks verzet, de behandeling van de zaak uitstelt naar een latere terechtzitting, geen beslissing of maatregel is van inwendige aard en artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek daarop niet van toepassing is;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
1.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat ook de beslissing die, ondanks verzet, de verdere behandeling van de zaak naar een latere terechtzitting uitstelt, geen beslissing of maatregel is van inwendige aard, en vatbaar is voor hoger beroep;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
1.3. Derde onderdeel
Overwegende dat geen wetsbepaling vereist dat het openbaar ministerie zijn hoger beroep motiveert, noch de rechter verbiedt ambtshalve de gegrondheid ervan te onderzoeken; dat dit ook geldt voor een hoger beroep dat alleen is gericht tegen een beslissing tot uitstel;
Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat de beroepen beslissing tot uitstel werd verleend ondanks verzet van het openbaar ministerie, en dat door het verlenen van het nieuwe uitstel de behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn in het gedrang werd gebracht;
Dat zij aldus wettig vaststellen dat het hoger beroep geen betrekking heeft op een beslissing of maatregel van inwendige aard, en dat artikel 1046 Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
2. Eerste middel
2.1. Eerste onderdeel
Overwegende dat artikel 211bis Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het gerecht in hoger beroep met éénparige stemmen van zijn leden dient uit te spreken wanneer het de beklaagde die vrijgesproken werd in eerste aanleg, veroordeelt, of de straffen die hem werden opgelegd, verzwaart;
Overwegende dat de eerste rechter die een vonnis alvorens recht te doen uitspreekt, de beklaagde vrijspreekt noch veroordeelt;
Dat wanneer het gerecht in hoger beroep de zaak met toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering aan zich trekt na het vonnis alvorens recht te doen te hebben vernietigd of hervormd, de beklaagde nadien voor het eerst vermag te veroordelen zonder dat hierover met éénparige stemmen dient te worden beslist;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
2.2. Tweede onderdeel
Overwegende dat de vernietiging van een beroepen vonnis met evocatie geen miskenning uitmaakt van het recht op een dubbele aanleg zoals uitgedrukt in artikel 199 Wetboek van Strafvordering;
Overwegende dat een vonnis alvorens recht te doen geen vrijspraak of veroordeling tot straf bevat, hetgeen elke vergelijking met een navolgende uitspraak over de strafvordering en toepassing van het vereiste van éénparigheid van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering uitsluit;
Dat het onderdeel, dat alleen een ongelijke behandeling van niet-gelijke toestanden aanvoert, geen verband houdt met het gelijkheidsbeginsel;
Dat het onderdeel faalt naar recht;
3. Derde middel
Overwegende dat de appèlrechters op de gronden die het middel slechts onvolledig aanhaalt, eisers verweer verwerpen en beantwoorden;
Dat het middel feitelijke grondslag mist;
B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van negenenzestig euro zesenzestig cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van achttien maart tweeduizend en drie, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.