Hof van Cassatie: Arrest van 18 September 1996 (België). RG P960127F

Date :
18-09-1996
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
7 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19960918-7
Numéro de rôle :
P960127F

Résumé :

Aan de getroffene van een ongeval kan geen compensatoire interest toegekend worden, wanneer de vertraging bij zijn schadeloosstelling te wijten is aan diens eigen schuld of nalatigheid.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 6 december 1995 in hoger beroep gewezen door de Correctionele Rechtbank te Charleroi;
I. Op de voorziening van Raymond Baudaux :
Over het eerste middel : schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.
doordat het bestreden vonnis eiser veroordeelt om aan verweerder een bedrag van 10.000 frank te betalen ter vergoeding van de schade voortvloeiende uit "gebruiksderving", op grond dat "(de getroffene) het recht heeft vergoeding te eisen voor de schade voortvloeiende uit de oplegging van zijn voertuig, dat deel uitmaakt van het gezinsvermogen, ook al wordt hij gedurende die dervingsperiode in het ziekenhuis opgenomen",
terwijl niet als algemene regel kan worden aangenomen dat de benadeelde partij steeds recht heeft op vergoeding van de schade voortvloeiende uit de oplegging van haar voertuig, zelfs als zij het niet kan gebruiken wegens haar verblijf in het ziekenhuis, op grond dat genoemd voertuig deel uitmaakt van het gezinsvermogen; daaruit volgt dat het bestreden vonnis, nu het de beslissing grondt op die ene overweging, zonder vast te stellen dat verweerder persoonlijk schade had geleden ten gevolge van het feit dat hij tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis zijn bij het ongeval vernielde bromfiets heeft moeten ontberen, de verplichting om de schade in concreto te ramen heeft miskend en de in het middel aangegeven bepalingen heeft geschonden :
Overwegende dat de rechter de schade, die voortvloeit uit de genotsderving van een voertuig, alsook het bedrag van de schadevergoeding in feite beoordeelt;
Overwegende dat het bestreden vonnis niet als algemene regel aanneemt dat de benadeelde partij steeds recht heeft op vergoeding van de schade voortvloeiende uit de oplegging van haar voertuig, maar beslist dat de getroffene te dezen schade lijdt ten gevolge van die oplegging, ook al is hij opgenomen in het ziekenhuis, op grond dat dat voertuig deel uitmaakt van het gezinsvermogen;
Dat het middel, nu het die feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak door de feitenrechter bekritiseert, niet ontvankelijk is;
Over het tweede middel : schending van de artikelen 149 van de Grondwet, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het bestreden vonnis, teneinde de compensatoire interest op de aan de verweerders toegekende bedragen vast te stellen, aangeeft dat eiser "ten onrechte betoogt dat de getroffene geen recht heeft op die interest voor de periode van 13 januari 1984, dat is de datum van de neerlegging van het deskundigenverslag, tot 10 januari 1988, op grond dat hij zijn schade laattijdig zou hebben aangegeven", omdat "(eiser), ofschoon hij voor de politierechtbank erkende dat hij (verweerder) meer dan 500.000 frank verschuldigd was, hem in oktober 1981 slechts een provisioneel bedrag van 24.000 frank gestort heeft", dat "hij sindsdien, één jaar na de uitspraak van het voorgelegde vonnis, namelijk in oktober 1989, enkel een provisioneel bedrag van 300.000 frank gestort heeft", dat, "ook al werd bewezen dat de getroffene een fout had begaan, de houding (van eiser) aantoont dat hij door die fout geen schade heeft geleden, in welk geval hij ongetwijfeld het onbetwistbaar verschuldigde bedrag zou hebben gestort, teneinde de loop der interest te stuiten" en, met verwijzing naar de gronden van het bestreden vonnis waarbij het verklaart zich aan te sluiten, dat "de verzekeraar (van eiser) over de aan de getroffene verschuldigde gelden heeft kunnen beschikken of ze heeft kunnen beleggen",
terwijl, eerste onderdeel, eiser in zijn hoofdconclusie in hoger beroep naar aanleiding van de beslissing van de Politierechtbank te Charleroi eraan heeft herinnerd dat "de rechtsvraag niet is of de verzekeraar van de aansprakelijke persoon al dan niet over de gelden heeft kunnen beschikken" en dat "de compensatoire interest een bijkomende schadevergoeding is, die deel uitmaakt van de schadevergoeding die de getroffene en laatstgenoemde schadeloos stelt voor de vertraging waarmee de aansprakelijke persoon de getroffene vergoedt", zodat "in het geval dat die vertraging niet aan de aansprakelijke persoon maar aan de laksheid van de getroffene te wijten is (...), de schadevergoeding niet verschuldigd is" en "dat het er niet toe doet dat de aansprakelijke de gelden heeft bewaard en ze eventueel heeft laten renderen, vermits het de schade van de getroffene en niet die van de aansprakelijke is die moet worden geraamd", en vervolgens preciseerde dat "de deskundige zijn verslag heeft neergelegd op 13 januari 1984; dat (verweerder), ondanks herhaaldelijk uitstel en de kennisgeving van een oproeping door de arbeidsongevallenverzekeraar, de posten van zijn schade pas in december 1987 en dan nog op een volstrekt onvolledige wijze heeft omschreven, waarbij hij zich ertoe heeft beperkt slechts gedeeltelijke bewijsstukken mede te delen op 10 januari 1988, en voor het overige het aan (eiser) overgelaten heeft zich te behelpen met die gegevens die in mei 1988 ten dele werden aangevuld", en dat "de vertraging waarmee (...) (verweerder) is vergoed tussen de neerlegging van het deskundigenverslag en de mededeling van zijn conclusie, niet te wijten is aan (eiser), maar aan de laksheid (van verweerder)"; dat het bestreden vonnis, door de in het onderdeel aangegeven gronden, niet regelmatig antwoordt op de omstandige conclusie van eiser; het bestreden vonnis althans, nu het enkel erop wijst "dat, ook al werd bewezen dat de getroffene een fout heeft begaan, de houding (van eiser) aantoont dat hij door die fout geen schade heeft geleden, in welk geval hij ongetwijfeld het onbetwistbaar verschuldigde bedrag zou hebben gestort, teneinde de loop der interest te stuiten", het in het ongewisse laat of het beslist dat verweerder niet nalatig is geweest, dan wel, of los hiervan, de omstandigheid dat eiser geen enkele schade heeft geleden ten gevolge van die nalat
igheid voldoende is om vast te stellen dat verweerder recht heeft op compensatoire interest op de door hem ter vergoeding van zijn schade gevorderde bedragen (schending van artikel 149 van de Grondwet);
tweede onderdeel, ook al strekt de compensatoire interest die aan de getroffene wordt toegekend tot vergoeding van de bijkomende schade die de getroffene heeft geleden ten gevolge van de vertraging waarmee de voor het ongeval aansprakelijke persoon hem heeft vergoed, die interest alleen verschuldigd is als de vertraging werkelijk te wijten is aan de voor het ongeval aansprakelijke persoon, maar niet wanneer die vertraging te wijten is aan een nalatigheid van de burgerlijke partij die getalmd heeft met het instellen van de vordering tot schadevergoeding, de fout van de getroffene immers in aanmerking moet worden genomen bij de raming van de schadevergoeding waarop hij aanspraak kan maken; het bestreden vonnis, nu het slechts verklaart "dat, ook al werd bewezen dat de getroffene een fout heeft begaan, de houding (van eiser) aantoont dat hij door die fout geen schade heeft geleden, in welk geval hij ongetwijfeld het onbetwistbaar verschuldigde bedrag zou hebben gestort, teneinde de loop der interest te stuiten", zonder daarbij vast te stellen dat de vertraging niet te wijten was aan een nalatigheid van verweerder en dat laatstgenoemde in dat opzicht geen enkele schuld trof, de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek schendt :
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat de compensatoire interest strekt tot vergoeding van de schade die de getroffene lijdt ten gevolge van de vertraging waarmee de aansprakelijke derde de schade heeft vergoed;
Dat, in zoverre die vertraging te wijten is aan de schuld of de nalatigheid van de getroffene, deze niet het recht heeft de vergoeding ervan te vorderen, ook al heeft de aansprakelijke derde ten gevolge van die vertraging geen schade geleden;
Overwegende dat het bestreden vonnis door de in het onderdeel van het middel weergegeven vermeldingen beslist dat de vertraging waarmee de schade van verweerder werd vergoed, zelfs als ze aan diens fout te wijten is, de toekenning van de compensatoire interest niet uitsluit, op grond "dat, ook al werd bewezen dat de getroffene een fout heeft begaan, de houding (van eiser) aantoont dat hij door die fout geen schade heeft geleden";
Dat het arrest aldus het begrip oorzakelijk verband tussen de door eiser begane fout en de door verweerder geleden schade miskent en de beslissing niet naar recht verantwoordt;
Dat het onderdeel gegrond is;
Over het derde middel : schending van de artikelen 1249, 1251, 1252, 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 3, 4, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, 46, § 2, eerste lid, en 47 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, en 149 van de Grondwet,
doordat het bestreden vonnis, wat de burgerlijke rechtsvordering van verweerder betreft, beslist "dat de materiële professionele schade (...) van de getroffene (...) moet worden geraamd op 1.040.000 frank (...)", dat "dat bedrag lager is dan het arbeidsongevallenkapitaal", en, wat de compensatoire interest betreft, dat "de rentevoet van de compensatoire interest op de verschillende toegekende bedragen die ofwel zullen worden geïndexeerd (...), ofwel geraamd zijn op grond van de ten tijde van dit vonnis toepasselijke bepalingen", moet worden vastgesteld op 5%, wat overeenstemt met het door de getroffene gederfde netto-rendement; dat het bestreden vonnis, ofschoon het toegeeft dat, wat de burgerlijke rechtsvordering van verweerster betreft, "(verweerster), binnen de perken van haar subrogatie, het recht heeft de terugbetaling te vorderen van het bedrag van 1.040.000 frank, daar het 'arbeidsongevallenkapitaal' hoger is dan de materiële professionele schade waarop (verweerder) aanspraak had kunnen maken", niettemin beslist dat het aan verweerster toegekende bedrag van 1.040.000 frank verhoogd moet worden met compensatoire interest tegen de wettelijke rentevoet, met ingang van 1 januari 1984,
terwijl ingevolge de bij artikel 47 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalde subrogatie, de schuldvordering zelf die de getroffene bezit op de persoon die aansprakelijk is voor het arbeidsongeval of van het ongeval op de weg naar en van het werk, uit zijn vermogen overgaat naar dat van de verzekeraar, tot beloop van de door laatstgenoemde betaalde vergoedingen en van het kapitaal dat overeenkomt met de vergoeding of met de door hem verschuldigde jaarlijkse rente, maar binnen de perken van het bedrag dat de voor het ongeval aansprakelijke persoon aan de getroffene verschuldigd is; de regresvordering van de arbeidsongevallenverzekeraar het bedrag niet mag overschrijden van de vergoeding dat de getroffene voor diezelfde schade naar gemeen recht had kunnen ontvangen, met dien verstande dat die vergoeding de compensatoire interest bevat die deel uitmaakt van de schadevergoeding waarop de benadeelde partij aanspraak kan maken; als de regresvordering van de arbeidsongevallenverzekeraar ook compensatoire interest omvat, zij het totaalbedrag niet mag overschrijden van de vergoeding die de getroffene voor diezelfde schade had kunnen krijgen volgens het gemeen recht, met inbegrip van de compensatoire interest tot de dag van de uitspraak; daaruit volgt dat het bestreden vonnis, nu het aan verweerster op het bedrag van 1.040.000 frank, dat overeenkomt met de blijvende materiële professionele schade waarvoor de getroffene is vergoed, compensatoire interest, berekend tegen de wettelijke rentevoet, toekent, terwijl het toegaf, enerzijds, dat dit bedrag lager lag dan de door verweerster gedane uitkeringen, en, anderzijds, de rentevoet van de compensatoire interest op de vergoedingen van de door verweerder geleden schade vaststelt op 5% per jaar, aan verweerster een hoger bedrag toekent dan dat, waarop zij krachtens haar subrogatie recht had (schending van de artikelen 1249, 1251, 1252 van het Burgerlijk Wetboek, 46, § 2, eerste lid, 47, inzonderheid tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971) en ei
ser veroordeelt tot een vergoeding die de schadelijke gevolgen van zijn fout te boven gaat (schending van de artikelen 1382, 1383 van het Burgerlijk Wetboek, 3 en 4 van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, en, voor zover nodig, 149 van de Grondwet) :
Overwegende dat ingevolge de bij artikel 47 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalde subrogatie, de schuldvordering van de getroffene of diens rechthebbenden tegen de voor het arbeidsongeval aansprakelijke persoon uit hun vermogen overgaat naar dat van de verzekeraar, tot beloop van de door de verzekeraar uitbetaalde vergoedingen en van het kapitaal, dat overeenkomt met het door hem verschuldigde bedrag van de vergoeding of jaarlijkse rente;
Dat bijgevolg, enerzijds, voornoemde schuldvordering in de handen van de gesubrogeerde verzekeraar van dezelfde aard is als in de handen van de schadeloos gestelde schuldeiser, anderzijds, ze ten goede komt aan de gesubrogeerde verzekeraar met alle ingrediënten en toebehoren die de schadeloos gestelde schuldeiser kon aanvoeren;
Dat die schuldvordering te dezen voortvloeit uit een oneigenlijk misdrijf en strekt tot volledige vergoeding van de schade die de getroffene of diens rechthebbenden geleden hebben ten gevolge van de onrechtmatige daad;
Dat zij bijgevolg compensatoire interest kan insluiten als vergoeding van een bestanddeel van de door die daad veroorzaakte schade; dat de wegens een aquiliaanse fout op de vergoeding verschuldigde compensatoire interest in verhouding staat tot de omvang van de schade en één geheel vormt met de vergoeding;
Overwegende dat, nu de subrogatie krachtens artikel 47 inzonderheid geschiedt met name door de vaststelling van een met de rente overeenkomend kapitaal, de gesubrogeerde verzekeraar eventueel aanspraak kan maken op compensatoire interest op voornoemd kapitaal met ingang van de dag waarop het is vastgesteld;
Overwegende dat de regresvordering van de arbeidsongevallenverzekeraar evenwel het bedrag van de schadevergoeding dat de getroffene voor diezelfde schade had kunnen ontvangen naar gemeen recht, niet mag overschrijden;
Overwegende dat het bestreden vonnis de vergoeding voor de door de getroffene wegens diens blijvende arbeidsongeschiktheid geleden materiële schade naar gemeen recht vaststelt op 1.040.000 frank en de compensatoire interest op de verschillende toegekende bedragen vaststelt op 5%;
Overwegende dat het bestreden vonnis, nu het eiser veroordeelt tot betaling aan verweerster van het bedrag van 1.040.000 frank, verhoogd met de compensatoire interest vanaf 1 januari 1984 tegen de wettelijke rentevoet, die hoger ligt dan 5%, aan verweerster een vergoeding toekent die hoger ligt dan die, welke aan de getroffene naar gemeen recht verschuldigd is, de artikelen 46 en 47 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 schendt en zijn beslissing niet naar recht verantwoordt;
Dat het middel gegrond is;
II. Op de voorziening van de naamloze vennootschap Winterthur-Europe Assurances :
Over het middel : schending van de artikelen 46, § 2, tweede lid, en 47, eerste en tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gewijzigd bij de wetten van 7 juli 1985 en 1 augustus 1985,
doordat het vonnis, na de materiële schade van de getroffene T..., voortvloeiende uit diens blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, te hebben vastgesteld op 1.040.000 frank en na te hebben vastgesteld dat genoemd bedrag kleiner is dan het door eiseres wettelijk samengestelde kapitaal (1.158.426 frank), verweerder veroordeelt om aan eiseres een bedrag van 1.040.000 frank met compensatoire en gerechtelijke interest te betalen, op grond "dat (eiseres), binnen de perken van haar subrogatie, (enkel) recht heeft om de terugbetaling van 1.040.000 frank te vorderen, nu het bedrag van het "arbeidsongevallenkapitaal" hoger ligt dan de materiële professionele schade waarop T... aanspraak had kunnen maken",
terwijl, eerste onderdeel, eiseres in haar conclusie het volgende betoogt : "Als de rechtbank, tegen alle waarschijnlijkheid in, voor de raming van de gemeenrechtelijke materiële schade ten gevolge van de blijvende arbeidsongeschiktheid een lager bedrag dan 1.158.426 frank in aanmerking zou nemen, dit is het bedrag van het arbeidsongevallenkapitaal dat de conclusieneemster ten voordele van de getroffene had vastgesteld op 1 januari 1984, dan nog moet zij rekening houden met de rechtspraak van het Hof van cassatie, volgens welke : 'teneinde cumulatie van de krachtens de wet en de naar 'gemeen recht' verschuldigde vergoedingen tegen te gaan, het totaalbedrag van de krachtens de 'wet' verschuldigde vergoedingen voor de tijdelijke en de blijvende arbeidsongeschiktheid moet worden vergeleken met het totaalbedrag van de volgens het 'gemeen recht' verschuldigde vergoedingen voor de materiële schade voortvloeiende uit die beide vormen van ongeschiktheid, maar geen twee verschillende vergelijkingen dienen te worden gemaakt, de ene voor de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, de andere voor de blijvende arbeidsongeschiktheid"; eiseres, met andere woorden, heeft betoogd dat zij, in haar hoedanigheid van gesubrogeerde in de rechten van de getroffene T..., recht had op de terugbetaling van het "arbeidsongevallenkapitaal" tot beloop van het bedrag dat aan de getroffene naar gemeen recht toekwam voor diens tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid, en niet uitsluitend voor diens blijvende arbeidsongeschiktheid; het bestreden vonnis op dat verweer niet heeft geantwoord, noch door bovenvermelde grond noch door enige andere grond; het vonnis bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed is, nu dat vonnis het bedrag waartoe verweerder ten aanzien van eiseres veroordeeld wordt beperkt tot een hoofdsom van 1.040.000 frank (schending van artikel 149 van de Grondwet);
tweede onderdeel, de arbeidsongevallenverzekeraar die de wettelijke vergoedingen betaald heeft, krachtens artikel 47 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wordt gesubrogeerd in de rechten van de getroffene en een regresvordering kan instellen tegen de voor het arbeidsongeval aansprakelijke persoon, tot beloop van het door hem betaalde bedrag van de wettelijke vergoeding, zonder dat de regresvordering het bedrag mag overschrijden van de schadevergoeding die de getroffene volgens het gemeen recht had kunnen verkrijgen uit hoofde van diezelfde schade; de toepassing van die wetsbepaling vereist dat de naar gemeen recht verschuldigde vergoedingen voor de professionele materiële schade voortvloeiende uit de tijdelijke en de blijvende arbeidsongeschiktheid die het gevolg zijn van een arbeidsongeval, beschouwd moeten worden als vergoedingen die gedeelten van een en dezelfde schade dekken; het vonnis bijgevolg, om na te gaan of het "arbeidsongevallenkapitaal" dat eiseres ten voordele van haar verzekerde T... had vastgesteld (1.158.426 frank) niet hoger lag dan het bedrag waarop de getroffene voor dezelfde schade naar gemeen recht aanspraak kon maken, niet enkel het bedrag van de vergoeding die aan de getroffene is toegekend voor diens gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid in aanmerking moest nemen, maar tevens het bedrag dat hem toekwam voor diens tijdelijke arbeidsongeschiktheid; de beslissing bijgevolg, nu zij de subrogatie van eiseres beperkt tot het bedrag van 1.040.000 frank dat overeenkomt met de materiële schade, die voor de getroffene T... voortvloeit uit diens gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid, zonder tevens rekening te houden met de vergoeding waarop de getroffene voor zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid recht had, niet naar recht verantwoord is en de in de aanhef van het middel aangegeven artikelen 46, § 2 en 47 van de Arbeidsongevallenwet schendt :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat het bestreden vonnis door geen enkele overweging antwoordt op het in het middel aangegeven verweer;
Dat het onderdeel gegrond is;
III. Op de voorziening van Jean Thone :
Overwegende dat eiser geen enkel middel aanvoert;
Overwegende evenwel dat de vernietiging van de beslissing, op de burgerlijke rechtsvordering die eiseres, de naamloze vennootschap Winterthur-Europe Assurances, tegen verweerder heeft ingesteld, de vernietiging meebrengt van de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering waarbij verweerder wordt veroordeeld om aan Jean Thone het bedrag van 103.247 frank te betalen ter vergoeding van de tijdens de tijdvakken van tijdelijke arbeidsongeschiktheid geleden materiële schade; dat de in de rechten van Jean Thone gesubrogeerde eiseres, naast de burgerlijke rechtsvordering van eerstgenoemde, geen afzonderlijke burgerlijke rechtsvordering heeft ingesteld maar bij wege van een afzonderlijke vordering de rechtsvordering zelf van Jean Thone heeft ingesteld, zodat het tussen hen en de verweerder Baudaux gerezen geschil onsplitsbaar is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis, in zoverre het eiser veroordeelt om aan Jean Thone en aan de naamloze vennootschap Winterthur-Europe compensatoire interest te betalen, alsook om aan Jean Thone het bedrag van 103.247 frank te betalen, ter vergoeding van de materiële schade die hij tijdens de tijdvakken van tijdelijke arbeidsongeschiktheid geleden heeft, en in zoverre dat vonnis de hoofdsom tot betaling waarvan Raymond Baudoux jegens de naamloze vennootschap Winterthur-Europe is veroordeeld, beperkt tot 1.040.000 frank;
Verwerpt de voorzieningen van Raymond Baudaux en Jean Thone voor het overige;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis;
Veroordeelt Raymond Baudaux in de kosten van de voorziening van de naamloze vennootschap Winterthur;
Veroordeelt Jean Thone in de kosten van zijn voorziening en in de helft van de kosten van de voorziening van Raymond Baudaux en laatstgenoemde in het overige gedeelte ervan.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Correctionele Rechtbank te Bergen, zitting houdende in hoger beroep.