Hof van Cassatie: Arrest van 19 September 2007 (België). RG P.07.0434.F
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20070919-10
- Numéro de rôle :
- P.07.0434.F
Résumé :
Om het misdrijf dat door een rechtspersoon is gepleegd aan een welbepaalde natuurlijke persoon toe te schrijven, moet de rechter, bij gebrek aan wettelijke toerekening, bij de natuurlijke persoon het bestaan van de bestanddelen van dat misdrijf vaststellen (1). (1) Zie A. DE NAUW, "La délinquance des personnes morales et l'attribution de l'infraction à une personne physique par le juge", noot onder Cass., 23 mei 1990, R.C.J.B., 1992, p. 552 tot 572.
Arrêt :
Nr. P.07.0434.F
P. A.,
Mrs. Eric Gillet en Eric De Plaen, advocaten bij de balie te Brussel,
tegen
BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, op vervolging en vordering van de gewestelijke directeur van douane en accijnzen te Bergen.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 februari 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Luik, correctionele kamer.
De eiser voert drie middelen aan in een memorie waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
Raadsheer Paul Mathieu heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de strafvordering :
Over het derde middel
Om het misdrijf dat door een rechtspersoon is gepleegd aan een welbepaalde natuurlijke persoon toe te schrijven, moet de rechter, bij gebrek aan wettelijke toerekening, bij de natuurlijke persoon het bestaan van de bestanddelen van dat misdrijf vaststellen.
Ofschoon de rechter op onaantastbare wijze de feiten vaststelt waaruit hij afleidt dat de natuurlijke persoon strafrechtelijk verantwoordelijk is, staat het evenwel aan het Hof om na te gaan of hij uit zijn vaststellingen deze beslissing wettig heeft kunnen afleiden.
De eiser wordt "ten laste gelegd om op 25 augustus 1999, te Namen, place du Théâtre, 2, gerechtelijk arrondissement Namen, een slijterij van gegiste dranken te hebben uitgebaat om ter plaatse te worden gebruikt, zonder regelmatige aangifte noch voorafgaande betaling van de bij het ontvangstkantoor van accijnzen van het ambtsgebied vereiste openingsbelasting, en dat sinds 1 januari 1999".
Het arrest stelt vast dat :
- "de v.z.w. Théâtre Evènements, waarvan de [eiser] voorzitter is, exploiteert een aantal lokalen en voorzieningen van het Théâtre royal de Namur, krachtens een overeenkomst met de v.z.w. Centre culturel régional de Namur, die de exploitatievergunning van de schouwburg heeft,
- naar luid van die overeenkomst, beheert de v.z.w. Théâtre Evènements met name de bars "avant-spectacle, entracte et après-spectacle", en exploiteert zij de lokalen buiten het rooster van de culturele activiteiten, voor voordrachten, seminaries, colloquia, persconferenties, recepties, presentaties van producten, enz."
Het zegt vervolgens dat het ministerie van Financiën terecht aanvoert dat de in de lokalen van de Naamse schouwburg geëxploiteerde bar, niet beantwoordt aan het begrip mess of kantine in de zin van artikel 17, § 2, 4°, van het Koninklijk besluit van 3 april 1953 tot samenordening van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, dat "die bar toegankelijk is, enerzijds, voor de bezoekers van de typische theateractiviteiten, anderzijds, voor het publiek van de activiteiten die door de v.z.w. Théâtre Evènements worden georganiseerd" en dat "in beide gevallen een dergelijk publiek niet als een ‘collectief' kan worden aangemerkt.
Het arrest zegt verder dat "de v.z.w. Théâtre Evènements, door in de bar die zij beheert gegiste dranken te serveren aan het publiek dat de lokalen van het Théâtre Royal de Namur bezoekt, een slijterij van gegiste dranken in de zin van de wetgeving exploiteert".
Door deze vaststellingen en vermeldingen oordeelt het arrest dat het in de vervolgingen bedoelde misdrijf tot de activiteit van de rechtspersoon behoort of voor diens rekening werd gepleegd.
Door de enkele vaststelling dat de eiser "voorzitter" is van de vereniging, zonder de feitelijke gegevens van de zaak te preciseren waaruit het arrest afleidt dat de nalatigheden die de voormelde vereniging worden verweten de eiser persoonlijk kunnen worden toegerekend, beslist het arrest echter niet wettig dat deze strafrechtelijk verantwoordelijk is voor het hem ten laste gelegde misdrijf.
Het middel is gegrond.
Er is geen grond om het eerste en tweede middel te onderzoeken die niet tot cassatie zonder verwijzing kunnen leiden.
B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die de eiser tot betaling van de ontdoken belasting veroordeelt:
De vernietiging van de beslissing op de tegen de eiser ingestelde strafvordering, brengt de nietigverklaring mee van de beslissing over de door de verweerder tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering, die het gevolg is van de eerstgenoemde beslissing.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat melding van dit arrest zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Laat de kosten ten laste van de Staat.
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door raadsheer Jean de Codt, waarnemend voorzitter, de raadsheren Frédéric Close, Paul Mathieu, Jocelyne Bodson en Pierre Cornelis, en in openbare terechtzitting van negentien september tweeduizend en zeven uitgesproken door raadsheer Jean de Codt, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Patricia De Wadripont.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Jean-Pierre Frère en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
De afgevaardigd griffier, De raadsheer,