Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.
Hof van Cassatie: Arrest van 20 December 2005 (België). RG P050790N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20051220-8
- Numéro de rôle :
- P050790N
Résumé :
De in bijlage I van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van Europa van 15 juli 1975 betreffende de afvalstoffen en in de Europese afvalstoffencatalogus vermelde lijsten van stoffen en voorwerpen die als afval kunnen worden beschouwd zijn slechts indicatief; de kwalificatie afval hangt vooral af van het gedrag van de houder, namelijk of deze zich al dan niet van de betrokken stof wil ontdoen (1). (1) H.v.J. 18 april 2002, C-9/00, Jur. J.v.J. 2000, I-3533; Cass., 12 dec. 2000, AR P.99.0052.N, nr 681 met noot M.D.S.
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Nr. P.05.0790.N
F R F E M,
eiser, beklaagde,
met als raadsman mr. Martin Denys, advocaat bij de balie te Brussel,
tegen
1. OPENBARE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ VOOR HET VLAAMSE GEWEST (OVAM), met zetel te Mechelen, Kan. De Deckersstraat 22-26,
2. K V,
verweerders, burgerlijke partijen,
met als raadslieden mrs. Peter Luypaers en Hilde Derde, advocaten bij de balie te Leuven.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 4 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser stelt in een memorie vijf middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
IV. Beslissing van het Hof
A. Onderzoek van de middelen
1. Eerste middel
1.1. Eerste tot vierde onderdeel
Overwegende dat artikel 2, 1°, decreet 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen - verder genoemd:
Afvalstoffendecreet - bepaalt dat in dit decreet onder "afvalstof" wordt verstaan "elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen";
Dat artikel 1, sub a, eerste alinea, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende de afvalstoffen, een afvalstof omschrijft als "elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen";
Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 18 april 2002, zaak C-9/00, Palin Granit Oy, benadrukt dat:
- de in die bijlage en in de Europese afvalstoffencatalogus (EAC) vermelde lijsten van stoffen en voorwerpen die als afval kunnen worden beschouwd, slechts indicatief zijn en de kwalificatie als afval vooral afhangt van het gedrag van de houder, namelijk of deze zich al dan niet van de betrokken stoffen wil ontdoen;
- niet als afvalstoffen kunnen worden beschouwd de goederen, materialen of grondstoffen die vrijkomen door een productieproces dat niet in de eerste plaats op de winning daarvan is gericht, en waarvan de onderneming zich niet wil "ontdoen" maar in een later stadium, in voor haar gunstige omstandigheden, wil exploiteren of op de markt brengen zonder voorafgaande bewerking;
- evenwel, teneinde de nadelen en de schadelijke gevolgen die afvalstoffen naar hun aard met zich brengen, te beperken, deze redenering met betrekking tot bijproducten alleen geldt voor situaties waarin het hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces;
- dit niet het geval is zodra het hergebruik onzeker is, een voorafgaande bewerking vereist, of niet geschiedt als voortzetting van eenzelfde productieproces, hetgeen kan blijken uit de langdurige opslag van de goederen, die aldus voor de exploitant een last vormen en mogelijkerwijs milieuschade kunnen veroorzaken;
Overwegende dat de appelrechters vaststellen dat:
- de bij de eiser aangetroffen stoffen en voorwerpen geenszins rechtstreeks in hun totaliteit en zonder enige voorbehandeling konden worden ingezet ter vervanging van een primaire grondstof;
- voor het overgrote deel van de aangetroffen goederen ernstige voorbehandeling noodzakelijk was om ze eventueel terug tot hergebruik te bestemmen;
- die noodzakelijke voorbehandeling alleszins meer is dan een loutere kleine herstelling of een eenvoudige behandeling;
- de voorwerpen, materialen en stoffen jarenlang in afwachting van een zogezegd eventueel gebruik chaotisch op een hoop gestapeld werden en overgeleverd aan de natuurelementen zodat deze goederen alleszins ontaard zijn tot afvalstoffen;
Overwegende dat de appelrechters aldus oordelen dat "hergebruik" of "een grote waarschijnlijkheid voor een dergelijk hergebruik", in de hierboven bedoelde betekenis van een situatie waarin, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van een productieproces, het hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar zeker is, te dezen is uitgesloten;
Dat zij aldus hun beslissing dat de bij de eiser aangetroffen stoffen en voorwerpen niet als bijproducten van een productieproces maar enkel als afvalstoffen kunnen worden beschouwd, naar recht verantwoorden;
1.2. Vijfde onderdeel
Overwegende dat de appelrechters met de motivering die het middel aanhaalt en deze vermeld op bladzijde 25, voorlaatste paragraaf, van het arrest, eisers conclusie beantwoorden;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
2. Tweede middel
Overwegende dat de appelrechters oordelen dat bij de bepaling van de globale eenheidsprijzen voor de ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen een mindering in de normale kost diende te worden doorberekend en dat niet is aangetoond dat dit hier niet het geval is;
Dat zij zodoende niet zeggen dat het aan de eiser is om aan te tonen dat hij niet billijk werd vergoed, maar alleen dat de vordering van OVAM door de voorgebrachte stukken voldoende is aangetoond;
Dat de rechters voor het overige vermelden waarom de aanstelling van een deskundige hen niet dienstig lijkt;
Dat zij aldus geen van de aangevoerde wets- of verdragsbepalingen schenden, maar hun beslissing naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
3. Derde middel
Overwegende dat de appelrechters het incidenteel hoger beroep van de verweerster OVAM ontvankelijk verklaren en oordelen "dat de (verweerster) dan ook gerechtigd is de door haar gemaakte en voorgeschoten kosten tot verwijdering te verhalen op (eiser) en dit middels een burgerlijke partijstelling; dat die kosten van verwijdering in oorzakelijk verband staan met de in hoofde van (eiser) weerhouden inbreuken, zoals de eerste rechter terecht vastgesteld heeft";
Dat zij aldus eisers verweer beantwoorden, en hun beslissing naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
4. Vierde middel
Overwegende dat het middel opkomt tegen de beoordeling van feiten door de rechter of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is;
Dat het middel niet ontvankelijk is;
5. Vijfde middel
Overwegende dat krachtens artikel 37, derde lid, Afvalstoffendecreet, de ambtshalve verwijdering plaatsvindt op kosten van de overtreder terwijl overeenkomstig artikel 59, ,§ 2, Afvalstoffendecreet, de veroordeelde kan worden verplicht tot terugbetaling van de kosten voor het verwijderen door de openbare afvalstoffenmaatschappij;
Dat het middel faalt naar recht;
B. Prejudiciële vragen
Overwegende dat eiser het Hof verzoekt voorafgaandelijk het Hof van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg prejudicieel te laten oordelen over de vraag of het begrip afvalstof van toepassing is op voorwerpen of stoffen waarvan het hergebruik op grond van hun economische waarde voor de houder zeer evident is, minstens doordat zij een nieuwe economische bestemming krijgen ten gevolge van een eenvoudig sorteren, scheiden of uiteenhalen;
Overwegende dat, zoals blijkt uit het hierboven vermelde antwoord, de appelrechters oordelen dat te dezen hergebruik van de bij de eiser aangetroffen goederen, tenzij na ernstige voorbehandeling, uitgesloten is;
Dat de voorgestelde vragen geen verband houden met het geschil waarover de appelrechters uitspraak dienden te doen;
Overwegende dat eiser het Hof verzoekt een vraag te richten tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg in verband met de voorafgaande vergoeding van de eigenaar volgens objectieve en marktconforme prijzen in het geval van een ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen door de overheid, "aangezien in het andere geval (artikel 37 van het decreet betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen) een schending zou uitmaken van het eigendomsrecht dat nochtans een grondrecht is";
Overwegende dat de Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende de afvalstoffen, zoals gewijzigd en aangevuld, over de vergoeding van de eigenaar bij het ambtshalve verwijderen van afvalstoffen niets bepaalt, zodat de vraag om uitlegging van voormelde richtlijn zonder voorwerp is; dat voorts het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geen prejudiciële vragen over het interne recht beantwoordt;
Dat de vragen niet worden gesteld;
C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van honderd zesenzeventig euro vijfentwintig cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en uitgesproken in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.
F R F E M,
eiser, beklaagde,
met als raadsman mr. Martin Denys, advocaat bij de balie te Brussel,
tegen
1. OPENBARE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ VOOR HET VLAAMSE GEWEST (OVAM), met zetel te Mechelen, Kan. De Deckersstraat 22-26,
2. K V,
verweerders, burgerlijke partijen,
met als raadslieden mrs. Peter Luypaers en Hilde Derde, advocaten bij de balie te Leuven.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 4 mei 2005 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser stelt in een memorie vijf middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
IV. Beslissing van het Hof
A. Onderzoek van de middelen
1. Eerste middel
1.1. Eerste tot vierde onderdeel
Overwegende dat artikel 2, 1°, decreet 2 juli 1981 betreffende het beheer van afvalstoffen - verder genoemd:
Afvalstoffendecreet - bepaalt dat in dit decreet onder "afvalstof" wordt verstaan "elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen";
Dat artikel 1, sub a, eerste alinea, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende de afvalstoffen, een afvalstof omschrijft als "elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen";
Overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 18 april 2002, zaak C-9/00, Palin Granit Oy, benadrukt dat:
- de in die bijlage en in de Europese afvalstoffencatalogus (EAC) vermelde lijsten van stoffen en voorwerpen die als afval kunnen worden beschouwd, slechts indicatief zijn en de kwalificatie als afval vooral afhangt van het gedrag van de houder, namelijk of deze zich al dan niet van de betrokken stoffen wil ontdoen;
- niet als afvalstoffen kunnen worden beschouwd de goederen, materialen of grondstoffen die vrijkomen door een productieproces dat niet in de eerste plaats op de winning daarvan is gericht, en waarvan de onderneming zich niet wil "ontdoen" maar in een later stadium, in voor haar gunstige omstandigheden, wil exploiteren of op de markt brengen zonder voorafgaande bewerking;
- evenwel, teneinde de nadelen en de schadelijke gevolgen die afvalstoffen naar hun aard met zich brengen, te beperken, deze redenering met betrekking tot bijproducten alleen geldt voor situaties waarin het hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces;
- dit niet het geval is zodra het hergebruik onzeker is, een voorafgaande bewerking vereist, of niet geschiedt als voortzetting van eenzelfde productieproces, hetgeen kan blijken uit de langdurige opslag van de goederen, die aldus voor de exploitant een last vormen en mogelijkerwijs milieuschade kunnen veroorzaken;
Overwegende dat de appelrechters vaststellen dat:
- de bij de eiser aangetroffen stoffen en voorwerpen geenszins rechtstreeks in hun totaliteit en zonder enige voorbehandeling konden worden ingezet ter vervanging van een primaire grondstof;
- voor het overgrote deel van de aangetroffen goederen ernstige voorbehandeling noodzakelijk was om ze eventueel terug tot hergebruik te bestemmen;
- die noodzakelijke voorbehandeling alleszins meer is dan een loutere kleine herstelling of een eenvoudige behandeling;
- de voorwerpen, materialen en stoffen jarenlang in afwachting van een zogezegd eventueel gebruik chaotisch op een hoop gestapeld werden en overgeleverd aan de natuurelementen zodat deze goederen alleszins ontaard zijn tot afvalstoffen;
Overwegende dat de appelrechters aldus oordelen dat "hergebruik" of "een grote waarschijnlijkheid voor een dergelijk hergebruik", in de hierboven bedoelde betekenis van een situatie waarin, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van een productieproces, het hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar zeker is, te dezen is uitgesloten;
Dat zij aldus hun beslissing dat de bij de eiser aangetroffen stoffen en voorwerpen niet als bijproducten van een productieproces maar enkel als afvalstoffen kunnen worden beschouwd, naar recht verantwoorden;
1.2. Vijfde onderdeel
Overwegende dat de appelrechters met de motivering die het middel aanhaalt en deze vermeld op bladzijde 25, voorlaatste paragraaf, van het arrest, eisers conclusie beantwoorden;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
2. Tweede middel
Overwegende dat de appelrechters oordelen dat bij de bepaling van de globale eenheidsprijzen voor de ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen een mindering in de normale kost diende te worden doorberekend en dat niet is aangetoond dat dit hier niet het geval is;
Dat zij zodoende niet zeggen dat het aan de eiser is om aan te tonen dat hij niet billijk werd vergoed, maar alleen dat de vordering van OVAM door de voorgebrachte stukken voldoende is aangetoond;
Dat de rechters voor het overige vermelden waarom de aanstelling van een deskundige hen niet dienstig lijkt;
Dat zij aldus geen van de aangevoerde wets- of verdragsbepalingen schenden, maar hun beslissing naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
3. Derde middel
Overwegende dat de appelrechters het incidenteel hoger beroep van de verweerster OVAM ontvankelijk verklaren en oordelen "dat de (verweerster) dan ook gerechtigd is de door haar gemaakte en voorgeschoten kosten tot verwijdering te verhalen op (eiser) en dit middels een burgerlijke partijstelling; dat die kosten van verwijdering in oorzakelijk verband staan met de in hoofde van (eiser) weerhouden inbreuken, zoals de eerste rechter terecht vastgesteld heeft";
Dat zij aldus eisers verweer beantwoorden, en hun beslissing naar recht verantwoorden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
4. Vierde middel
Overwegende dat het middel opkomt tegen de beoordeling van feiten door de rechter of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is;
Dat het middel niet ontvankelijk is;
5. Vijfde middel
Overwegende dat krachtens artikel 37, derde lid, Afvalstoffendecreet, de ambtshalve verwijdering plaatsvindt op kosten van de overtreder terwijl overeenkomstig artikel 59, ,§ 2, Afvalstoffendecreet, de veroordeelde kan worden verplicht tot terugbetaling van de kosten voor het verwijderen door de openbare afvalstoffenmaatschappij;
Dat het middel faalt naar recht;
B. Prejudiciële vragen
Overwegende dat eiser het Hof verzoekt voorafgaandelijk het Hof van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg prejudicieel te laten oordelen over de vraag of het begrip afvalstof van toepassing is op voorwerpen of stoffen waarvan het hergebruik op grond van hun economische waarde voor de houder zeer evident is, minstens doordat zij een nieuwe economische bestemming krijgen ten gevolge van een eenvoudig sorteren, scheiden of uiteenhalen;
Overwegende dat, zoals blijkt uit het hierboven vermelde antwoord, de appelrechters oordelen dat te dezen hergebruik van de bij de eiser aangetroffen goederen, tenzij na ernstige voorbehandeling, uitgesloten is;
Dat de voorgestelde vragen geen verband houden met het geschil waarover de appelrechters uitspraak dienden te doen;
Overwegende dat eiser het Hof verzoekt een vraag te richten tot het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg in verband met de voorafgaande vergoeding van de eigenaar volgens objectieve en marktconforme prijzen in het geval van een ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen door de overheid, "aangezien in het andere geval (artikel 37 van het decreet betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen) een schending zou uitmaken van het eigendomsrecht dat nochtans een grondrecht is";
Overwegende dat de Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende de afvalstoffen, zoals gewijzigd en aangevuld, over de vergoeding van de eigenaar bij het ambtshalve verwijderen van afvalstoffen niets bepaalt, zodat de vraag om uitlegging van voormelde richtlijn zonder voorwerp is; dat voorts het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geen prejudiciële vragen over het interne recht beantwoordt;
Dat de vragen niet worden gesteld;
C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van honderd zesenzeventig euro vijfentwintig cent verschuldigd.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt en uitgesproken in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend en vijf, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.