Hof van Cassatie: Arrest van 20 Februari 2018 (België). RG P.17.0314.N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20180220-2
- Numéro de rôle :
- P.17.0314.N
Résumé :
Samenvatting 1
Arrêt :
Nr. P.17.0314.N
1. R R H S,
beklaagde,
2. PARTRANSA nv, met zetel te 3300 Tienen, Hamelendreef 70,
beklaagde en burgerrechtelijk aansprakelijke partij,
eisers,
met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8800 Roeselare, Kolenkaai 4, waar de eisers woonplaats kiezen.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correcti-onele rechtbank Leuven van 26 januari 2017.
De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Op 13 februari 2018 heeft advocaat-generaal met opdracht Alain Winants een schriftelijke conclusie neergelegd.
Op de rechtszitting van 20 februari 2018 heeft raadsheer Antoine Lievens verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres 2
1. Het bestreden vonnis is ten aanzien van de eiseres 2 bij verstek gewezen.
Het cassatieberoep van de eiseres 2, dat is aangetekend vooraleer de gewone ter-mijn van verzet is verstreken, is niet ontvankelijk.
Middel
Eerste onderdeel
2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 76 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis werd niet uitgesproken door een kamer die in het bijzonder ken-nis neemt van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten; de twintigste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven is geen sociale strafrechtkamer, maar een beroepskamer die kennis neemt van de beroepen tegen vonnissen van de politierechtbank.
3. De omstandigheid dat een kamer van een rechtbank van eerste aanleg kennis neemt van beroepen tegen vonnissen van politierechtbanken belet niet dat diezelf-de kamer ook een kamer is die in het bijzonder kennis neemt van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten.
Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede onderdeel
Vierde subonderdeel
4. Het subonderdeel voert schending aan van de artikelen 76 en 78 Gerechte-lijk Wetboek: de rechtbank die het bestreden vonnis heeft uitgesproken was on-wettig samengesteld met twee rechters van de correctionele rechtbank en een rechter in de arbeidsrechtbank.
5. Krachtens artikel 76, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals toepasselijk tot 31 augustus 2014 en artikel 76, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals toe-passelijk vanaf 1 september 2014, neemt ten minste één correctionele kamer in het bijzonder kennis van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de ar-beidsgerechten.
Krachtens artikel 78, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals toepasselijk tot 31 december 2015, is de in artikel 76, zesde lid, respectievelijk artikel 76, § 2, twee-de lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer, wanneer ze bestaat uit drie rechters, samengesteld uit twee rechters van de rechtbank van eerste aanleg en een rechter in de arbeidsrechtbank.
Krachtens artikel 56, 3°, van de wet van 19 oktober 2015, houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie wordt voormeld vijfde lid van artikel 78 Gerechtelijk Wetboek opgeheven.
Krachtens artikel 91, tweede lid, van dezelfde wet, treden de artikelen 56 tot 60 en 62 tot 64 in werking op 1 januari 2016.
Krachtens artikel 84, 1°, van dezelfde wet, zijn de artikelen 56 tot 60, 62 en 63 toepasselijk op de op het ogenblik van de inwerkingtreding van die bepalingen hangende zaken, behalve wanneer in de zaak in dezelfde aanleg reeds een andere rechtszitting dan de inleidingszitting heeft plaatsgevonden met drie rechters of raadsheren.
Krachtens artikel 92, § 1, Gerechtelijk Wetboek wordt het hoger beroep tegen vonnissen gewezen in strafzaken door de politierechtbank, toegewezen aan een kamer met drie rechters.
6. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat, met ingang van 1 januari 2016, indien in de zaak in dezelfde aanleg op 1 januari 2016 reeds een andere rechtszitting dan de inleidingszitting heeft plaatsgevonden, de kamer van de rechtbank van eerste aanleg die in hoger beroep kennis neemt van de overtredin-gen van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die beho-ren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, bestaat uit twee rechters van de correctionele rechtbank en één rechter in de arbeidsrechtbank.
7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
- de zaak voor de appelrechters werd ingeleid op de rechtszitting van 3 septem-ber 2015;
- op die rechtszitting het openbaar ministerie heeft gevorderd en de zaak werd uitgesteld naar de rechtszitting van 17 december 2015;
- op die rechtszitting de zaak opnieuw werd uitgesteld naar de rechtszitting van 19 mei 2016;
- op die rechtszitting conclusietermijnen werden bepaald en de zaak nogmaals werd gesteld op de rechtszitting van 8 december 2016, op welke rechtszitting ze in beraad werd genomen.
Aldus blijkt dat er vóór 1 januari 2016 niet louter een inleidingszitting heeft plaatsgevonden, maar ook een zitting waarop de behandeling van de zaak ten gronde werd aangevangen. Hieruit volgt dat de rechtbank die het bestreden von-nis heeft gewezen, rechtsgeldig samengesteld was uit twee rechters in de correctionele rechtbank en één rechter in de arbeidsrechtbank.
Het subonderdeel kan niet worden aangenomen.
Eerste subonderdeel
8. Het subonderdeel voert schending aan van de artikelen 76 en 78 Gerechte-lijk Wetboek: het bestreden vonnis werd niet uitgesproken door een alleenrecht-sprekende rechter, zoals vereist ingevolge de wijzigingen van die bepalingen in-gevoerd met de voormelde wet van 19 oktober 2015.
9. Het subonderdeel is afgeleid uit de met het vierde subonderdeel van het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde grief en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Tweede subonderdeel
10. Het subonderdeel voert aan dat in zoverre wordt aangenomen dat de in arti-kel 76, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde strafvorderingen ook kun-nen worden gebracht voor een kamer met drie rechters, er een discriminatie vast te stellen is tussen de rechtsonderhorigen naargelang hun zaak wordt behandeld door een kamer met één dan wel met drie rechters, omdat enkel in het eerste geval die rechter een gespecialiseerde vorming moet ontvangen; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt immers niet dat minstens één van de rechters die het bestreden vonnis hebben uitgesproken de bedoelde vorming heeft genoten; het subonderdeel verzoekt het Hof volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt art. 78, 4de lid Gerechtelijk Wetboek, zo geïnterpre-teerd dat enkel alleenzetelende rechters die zetelen in kamers die kennis nemen van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aangele-genheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, een gespecialiseerde vorming georganiseerd door het instituut voor gerechtelijk opleiding ontvangen, terwijl collegiaal zetelende rechters (rechters in een kamer met 3 rechters) die kennis nemen van dezelfde overtredingen, deze vorming niet dienen te ontvangen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet?"
11. Uit het antwoord op de met het vierde subonderdeel vergeefs aangevoerde grief volgt dat het subonderdeel uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat hier artikel 78, vijfde lid, (oud), Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat wanneer de in artikel 76, zesde lid (oud), bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer bestaat uit drie rechters, zij samengesteld is uit twee rechters van de rechtbank van eerste aanleg en een rechter in de arbeidsrechtbank, niet toepasselijk zou zijn.
Het subonderdeel faalt naar recht.
12. De prejudiciële vraag die uitgaat van die onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld.
Derde subonderdeel
13. Het subonderdeel voert schending aan van artikel 78 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis werd gewezen door een kamer met drie rechters, waarvan niet blijkt dat één van hen de gespecialiseerde opleiding heeft ontvangen.
14. Uit het antwoord op de met het vierde subonderdeel vergeefs aangevoerde grief volgt dat het subonderdeel uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat hier artikel 78, vijfde lid, (oud), Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat wanneer de in artikel 76, zesde lid (oud), bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer bestaat uit drie rechters, zij samengesteld is uit twee rechters van de rechtbank van eerste aanleg en een rechter in de arbeidsrechtbank, niet toepasselijk zou zijn.
Het subonderdeel faalt naar recht.
Ambtshalve onderzoek
15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten op 107,31 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 20 februari 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.
K. Vanden Bossche I. Couwenberg E. Francis
A. Lievens P. Hoet P. Maffei