Hof van Cassatie: Arrest van 20 Januari 2006 (België). RG C060024F
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20060120-2
- Numéro de rôle :
- C060024F
Résumé :
Het verzoek tot verwijzing van een rechtbank naar een andere wegens gewettigde verdenking is kennelijk niet ontvankelijk wanneer dat verzoek enkel gegrond is op feiten die aan het openbaar ministerie worden verweten wegens het bestaan van nauwe banden tussen het openbaar ministerie en één van zijn medewerkers, partij in het geding (1) (2). (1) Over het feit dat het verzoek tot verwijzing van een rechtbank naar een andere wegens gewettigde verdenking kennelijk niet ontvankelijk is, wanneer dat verzoek gegrond is op aan het openbaar ministerie verweten feiten, zie cass., 27 jan. 1999, AR P.99.0128.F. Vaste rechtspraak. (2) In zijn andersluidende mondelinge conclusie had het openbaar ministerie verwezen naar het begrip schijnbaar nauwe banden dat het gemeend had te kunnen afleiden uit recente rechtspraak van het Hof; dat begrip bestaat erin dat de zaak aan het rechtscollege wordt onttrokken wanneer de gewettigde verdenking bestaat dat het rechtscollege niet in staat is om op onpartijdige wijze kennis te nemen van het geschil, omdat er schijnbaar nauwe banden bestaan tussen dat rechtscollege en een andere magistraat die door de verzoeker tot onttrekking verdacht wordt van partijdigheid en die nauwe banden zijns inziens een voor hem nadelige invloed kunnen hebben op de beslissing van de rechtbank. In casu zouden er in tweeërlei opzicht schijnbaar nauwe banden hebben bestaan die de verdenking van verzoekster zouden hebben gewettigd ten aanzien van de rechters om op onpartijdige wijze kennis te nemen van het geschil tussen haar en de natuurlijke vader van haar kind, die parketjurist is bij de rechtbank waar die rechters zitting houden: nauwe banden tussen het openbaar ministerie en diens naaste medewerker inzake jeugdbescherming die de natuurlijke vader is en als tegenpartij van verzoekster optreedt in een geschil over hoederecht, dat wordt behandeld door de rechtbank waarbij dat openbaar ministerie zijn ambt uitoefent, en institutioneel nauwe banden tussen het openbaar ministerie en de jeugdrechtbank (artt. 387bis alsook 1280 e.v. Ger.W.) die eigen zijn aan de door laatstgenoemde behandelde aangelegenheid.
Arrêt :
B. C.
Mr. Isabelle Joachim, advocaat bij de balie te Namen,
tegen
R. G.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Bij een met redenen omklede en door Meester Pascale Poncin, advocaat ondertekende, op 12 januari 2006 ter griffie van het Hof ingediende akte vordert verzoekster dat de tussen haar en G. R. ingeleide zaak die op de algemene rol van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen ingeschreven is onder het nummer 06/3 C, op grond van wettige verdenking aan dat rechtscollege zou worden onttrokken.
Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Het verzoekschrift voert geen enkel feit aan dat betrekking zou hebben op de rechters waaruit de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen is samengesteld, maar enkel dat G.R. nauwe banden onderhield met de parketmagistraten bij die rechtbank, en het baseert zich enkel op feiten die aan het openbaar ministerie worden verweten.
Het verzoek is kennelijk niet ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de vordering;
Veroordeelt verzoekster in de kosten.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, afdelingsvoorzitter Philippe Echement, en de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis en Daniel Plas, en in openbare terechtzitting van twintig januari tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De afdelingsvoorzitter,