Hof van Cassatie: Arrest van 20 Juli 2016 (België). RG P.16.0805.N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20160720-5
- Numéro de rôle :
- P.16.0805.N
Résumé :
De miskenning van het recht op de behandeling van de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke veroordeling binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6.1 EVRM kan door een nationale instantie slechts onderzocht worden voor zover die nationale instantie van de strafuitvoering kennis kan nemen; dit is niet het geval voor het onderzoeksgerecht van de uitvoerende autoriteit van een lidstaat, dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel; in dat geval is de strafuitvoering immers enkel aanhangig bij de uitvaardigende rechterlijke instantie die bijgevolg de enige is die rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de strafuitvoering (1). (1) Cass. 10 januari 2014, AR P.12.0024.N, AC 2012, nr. 21.
Arrêt :
Nr. P.16.0805.N
S B, alias S B, alias S B, alias E B, alias S N,
persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd,
eiser,
met als raadsman, mr. Peter Janssens, advocaat bij de balie te Turnhout, met kan-toor te 2300 Turnhout, Kasteelplein 23 A, waar de eiser woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 juli 2016, nummer K/1579/2016.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 1.3 Kaderbe-sluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, en artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: bij de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel moet rekening worden gehouden met het EVRM en de daaruit voortvloeiende rechten voor de betrokken persoon.
Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel voorziet in een weigeringsgrond indien er ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Eu-ropees aanhoudingsbevel een schending zou uitmaken van het EVRM; de strafuit-voering maakt integraal deel uit van het proces in de zin van artikel 6 EVRM; zo-wel de Wet Europees Aanhoudingsbevel als het EVRM voorzien in een rechts-grond die het onderzoeksgerecht toelaat het verzoek te toetsen aan de vereisten een proces en dus ook de strafuitvoering af te ronden binnen een redelijke termijn zoals voorgeschreven door het EVRM.
De kamer van inbeschuldigingstelling die beslist dat zij zonder rechtsmacht is om het middel van de redelijke termijn van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudings-bevel juncto artikel 6.1 EVRM te beoordelen, schendt voormelde bepalingen.
2. Krachtens artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel wordt de tenuit-voerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval ernstige rede-nen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbe-vel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zo-als die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
Krachtens artikel 1.3. van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overleve-ring tussen de Lid-Staten kan dit besluit niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.
3. Krachtens artikel 6, derde lid, Verdrag Europese Unie maken de grondrech-ten, zoals zij worden bepaald door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als algemene rechtsbeginselen deel uit van het recht van de Europese Unie.
Krachtens artikel 6.1 EVRM heeft een ieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vordering, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld (...).
4. De miskenning van het recht op de behandeling van de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke veroordeling binnen een redelijke termijn in de zin van ar-tikel 6.1 EVRM kan door een nationale instantie slechts onderzocht worden voor zover die nationale instantie van de strafuitvoering kennis kan nemen. Dit is niet het geval voor het onderzoeksgerecht van de uitvoerende autoriteit van een lid-staat, dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhou-dingsbevel. In dat geval is de strafuitvoering immers enkel aanhangig bij de uit-vaardigende rechterlijke instantie die bijgevolg de enige is die rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de strafuitvoering.
Hieruit volgt dat de verplichting voor het onderzoeksgerecht de weigeringsgrond bepaald in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, te onderzoeken, niet inhoudt dat dit gerecht ook moet onderzoeken of de redelijke termijn binnen de-welke de straf moet worden uitgevoerd, al dan niet overschreden is.
Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing
De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 90,81 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, sa-mengesteld uit eerste voorzitter ridder Jean de Codt, als voorzitter, sectievoorzitter Eric Dirix, raadsheer Benoît Dejemeppe, sectievoorzitter Martine Regout en raadsheer Koenraad Moens, en op de openbare rechtszitting van 20 juli 2016 uitgesproken door eerste voorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.
J. Pafenols
K. Moens M. Regout
B. Dejemeppe E. Dirix J. de Codt