Hof van Cassatie: Arrest van 20 Oktober 1995 (België). RG C950015F

Date :
20-10-1995
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19951020-3
Numéro de rôle :
C950015F

Résumé :

Ontvankelijk is de vordering tot bindendverklaring van het arrest van eiser tot cassatie, wanneer hij er belang bij heeft dat het arrest van het Hof bindend wordt verklaard voor de partij die daartoe in de zaak is opgeroepen.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 16 maart 1994 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;
Over de door verweerster tegen de voorziening opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid : eiser heeft geen hoedanigheid en geen belang om een voorziening in te dienen :
Overwegende dat het arrest, enerzijds, eisers hoger beroep tegen, inzonderheid, het vonnis van 14 december 1990 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Luik, dat veroordelingen tegen hem uitspreekt, niet ontvankelijk verklaart en, anderzijds, eiser zelf in kosten veroordeelt;
Dat elk van beide omstandigheden op zichzelf volstaat om de ontvankelijkheid van het cassatieberoep te verantwoorden;
Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen;
Over het middel : schending van de artikelen 17 van het Gerechtelijk Wetboek, 57, inzonderheid alinéa 2 en 5, 61, alinéa 1, inzonderheid eerste lid, en 82 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten,
doordat het arrest beslist dat eiser geen enkele hoedanigheid had om hoger beroep in te stellen, zodat het niet ontvankelijk is, op grond dat "de oorspronkelijke vordering (zie gedinginleidende dagvaarding die op 23 januari 1984 is betekend) de veroordeling vraagt van de Belgische Staat op grond van de artikelen 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en aldus de quasi-delictuele aansprakelijkheid in het gedrang brengt van de rechtspersoon die, op het tijdstip van het ongeval, eigenaar van de rijbaan was"; dat "op die vordering geen rechterlijke beslissing met kracht van gewijsde is genomen vóór 1 januari 1989, aangezien het vonnis waarbij de rechtbank van eerste aanleg haar rechtsmacht volledig uitoefent (...) op 14 december 1990 is uitgesproken"; dat "met andere woorden, de eventuele schuld van de Belgische Staat ten gevolge van de feiten van 7 oktober 1980 op 1 januari 1989 helemaal niet vaststaande was"; dat de Staat bijgevolg, sedert 1 januari 1989, noch als eiser noch als verweerder, enig prerogatief heeft ten aanzien van de rechten en verplichtingen uit de litigieuze feiten"; dat "bijgevolg de schuldvordering -of de schuld-, die daaruit volgt, sedert 1 januari 1989 behoort tot het vermogen van het Waalse Gewest, dat alleen de hoedanigheid heeft om het te beheren in zijn exclusief belang"; dat "de Belgische Staat dus, op de dag dat hij in deze zaak hoger beroep heeft ingesteld, geen titularis meer was van het recht of van de verplichting, krachtens welke hij voor de eerste rechter was gedaagd, wegens feiten die thans aan het hof zijn overgelegd en geen rechtstitel meer had om zijn geschil met de nv. "Sun Alliance" te doen beslechten,
terwijl eiser de hoedanigheid en het belang heeft, als voorgeschreven bij de wet, om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 14 december 1990 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Luik; immers eiser, en niet het Waalse Gewest, is veroordeeld door dat vonnis van 14 december 1989, dus na de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, hoewel het Waalse Gewest, ingevolge de artikelen 57, alinéa 2 en 5, en 61, alinéa 1, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989, vanaf 1 januari 1989 de verplichtingen van de Staat had overgenomen betreffende de overgedragen goederen en de toegekende bevoegdheden aangewezen in de voormelde wetsbepalingen, met inbegrip van de verplichtingen verbonden aan hangende gerechtelijke procedures;
eiser aldus een hoedanigheid en een belang heeft die onderscheiden zijn van de hoedanigheid en het belang van het Waalse Gewest, om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 14 december 1990 dat hem tot betaling van schadevergoeding veroordeelt, met schending van de voornoemde wettelijke regels betreffende eisers rechtsopvolging door de Gemeenschappen en Gewesten :
Overwegende dat, hoewel het Waalse Gewest sedert 1 januari 1989 de rechten en verplichtingen van de Staat heeft overgenomen die, onder meer, voortkomen uit hangende gerechtelijke procedures, de Rechtbank van Eerste Aanleg te Luik in zijn vonnis van 14 december 1990 toch ten laste van de Staat veroordelingen heeft uitgesproken na, bij vonnis alvorens recht te doen van 13 januari 1990, een gerechtelijk deskundige te hebben aangesteld;
Dat de Belgische Staat die veroordeeld is tot uitvoering van verplichtingen uit het litigieuze ongeval, op een datum waarop het Waalse Gewest hem van rechtswege, door de rechtstreekse werking van de wet, in de genoemde verplichtingen was opgevolgd, de hoedanigheid had om tegen die veroordelingen beroep in te stellen en tevens belang had bij het betwisten van de wettelijkheid ervan voor het appelgerecht;
Dat het middel gegrond is;
Overwegende dat eiser belang heeft bij de bindendverklaring van het arrest voor het Waalse Gewest, dat daartoe in de zaak is opgeroepen;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden arrest;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest;
Verklaart dit arrest bindend voor het Waalse Gewest;
Veroordeelt verweerster in de kosten van de memorie van wederantwoord en houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.