Hof van Cassatie: Arrest van 21 Augustus 2001 (België). RG P011203F

Date :
21-08-2001
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20010821-2
Numéro de rôle :
P011203F

Résumé :

Geen enkele wetsbepaling verhindert dat de officieren en agenten van de gerechtelijke politie, die kennis krijgen van een tot hun opsporingsbevoegdheid behorende misdaad of wanbedrijf, hun opsporingen aanvatten en doorvoeren zonder de procureur des Konings hiervan voorafgaandelijk en onmiddellijk bericht te geven; de in art. 28ter Sv. bedoelde verplichting om de procureur des Konings op de hoogte te brengen is noch substantieel noch op straffe van nietigheid voorgeschreven (1).

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Nr. P.01.1203.F.
I. I., inverdenkinggestelde, gedetineerd,
Mr. Christophe Marchand, advocaat bij de balie te Brussel.
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Close en op de conclusie van advocaat-generaal Bresseleers ;
Gelet op het bestreden arrest, op 3 augustus 2001 gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel ;
Over het eerste middel :
Overwegende dat het arrest vaststelt dat eiser is geïdentificeerd ten gevolge van politieonderzoeken en -vaststellingen voortvloeiende "uit de bewaking van bars in de Aarschotstraat waarin jonge vrouwen zich gewoonlijk aan prostitutie overgeven" ;
Overwegende dat het middel, in zoverre het die feitelijke beoordeling door de appèlrechters bekritiseert of in zoverre het onderzoek ervan een onderzoek van feiten zou vereisen, waarvoor het Hof niet bevoegd is, niet ontvankelijk is ;
Overwegende, voor het overige, dat luidens artikel 28bis, §2, van het Wetboek van Strafvordering, onder proactieve recher-che, die alleen kan worden ingesteld na voorafgaande schrifte-lijke toestemming van de procureur des Konings, van de arbeidsauditeur, of van de nationaal magistraat, het opsporen, het verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en inlichtingen wordt verstaan met het doel te komen tot het vervolgen van daders van misdrijven, op grond van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar nog niet aan het licht gebrachte strafbare feiten, en die zijn of zouden worden gepleegd in het kader van een criminele organisatie, zoals gedefinieerd door de wet, of misdaden of wanbedrijven als bedoeld in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, van dat Wetboek ;
Dat, aldus, de proactieve recherche van de zogenoemd reactieve recherche verschilt, in zoverre zij betrekking heeft op nog niet gepleegde misdrijven of op reeds gepleegde maar nog on-bekende misdrijven, terwijl de zogenoemd reactieve recherche erin bestaat reeds gepleegde misdrijven op te sporen, de daders van de reeds gepleegde misdrijven te identificeren en zowel de bewijzen als de gegevens te verzamelen die voor de uitoefening van de strafvordering dienstig zijn ;
Overwegende dat de appèlrechters, op grond van de feitelijke omstandigheden die zij vaststellen, beslissen dat de onderzoekers, "na ervan overtuigd te zijn geraakt dat de prostituee B. onder invloed stond van een of meer pooiers", "een onderzoek hebben ingesteld om die pooiers te identificeren, en dat dit tot (eisers) aanhouding heeft geleid" ; dat zij hun beslissing dat het onderzoek niets uitstaande heeft met proactieve recherche naar recht verantwoorden ;
Dat het middel, in zoverre, niet kan worden aangenomen ;
Over het tweede middel :
Overwegende dat het middel, dat de miskenning aanvoert van de bewijskracht van stukken die het niet nader omschrijft, niet ontvankelijk is ;
Over het derde middel :
Overwegende dat noch artikel 28bis, §1, van het Wetboek van Strafvordering, noch enige andere wetsbepaling verhindert dat de officieren en agenten van de gerechtelijke politie, die kennis krijgen van een tot hun opsporingsbevoegdheid behorende misdaad of wanbedrijf, hun opsporingen aanvatten en doorvoeren zonder de procureur des Konings hiervan voorafgaandelijk en onmiddellijk bericht te geven ; dat artikel 28ter van dat wetboek weliswaar verplicht de procureur des Konings op de hoogte te brengen, maar dat die verplichting, die ertoe strekt het gezag en de verantwoordelijkheid van die magistraat met betrekking tot het verloop van het door hem geleide onderzoek te verzekeren en, bijgevolg, de efficiëntie ervan te waarborgen, noch substantieel is noch op straffe van nietigheid is voorgeschreven ;
Dat het middel faalt naar recht ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
OM DIE REDENEN, Verwerpt de voorziening ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, te Brussel, door voorzitter Verougstraete, de raadsheren Storck, Close, Dirix, Van hoogenbemt, en in openbare terechtzitting van eenentwintig augustus tweeduizend en een uitgesproken door voorzitter Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bresseleers, met bijstand van adjunct-griffier Danhiez.