Hof van Cassatie: Arrest van 21 Juni 2000 (België). RG P991285Fv;P000351Fv

Date :
21-06-2000
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20000621-30
Numéro de rôle :
P991285Fv;P000351Fv

Résumé :

De vermelding dat de verdachte op de terechtzitting is verhoord, is een authentieke vermelding die bewijs oplevert tot zij van valsheid wordt beticht (1).

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Nr. P.99.1285.F.
I. M A, beklaagde
tegen
1. GEMEENTEKREDIET BELGIE e.a.,
burgerlijke partijen,
II. H J,
III. M J,
IV. S M,
V. D J-C,
VI. F M-C,
Mrs. Frédéric Clément de Cléty en Sabine Ruytinx, advocaten bij de balie te Brussel,
beklaagden,
Nr. P.00.0351.F.
I. H J, beklaagde,
II. M J P, beklaagde,
Nr. P.00.0856.F.
I. D J-C, beklaagde,
Mr. Sabine Ruytinx, advocaat bij de balie te Brussel,
II. F M-C, beklaagde,
Mrs. Frédéric Clément de Cléty en Sabine Ruytinx, advocaten bij de balie te Brussel.
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Fettweis en op de conclusie van advocaat-generaal Loop;
Gelet op de bestreden beschikking, op 27 mei 1994 gewezen door de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel;
Gelet op het bestreden arrest, op 14 juli 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel;
Overwegende dat de voorzieningen die zijn ingesteld in het kader van de dossiers P.00.0351.F, P.00.0856.F en P.99.1285.F, gericht zijn, enerzijds, tegen de beschikking tot verwijzing, en, anderzijds, tegen het veroordelend arrest, die beide betrekking hebben op dezelfde strafrechtspleging; dat die dossiers nauw met elkaar verbonden zijn, zodat er grond bestaat tot voeging;
I. Op de voorzieningen die door J.H., J.P. M., J.-C. D. en M.-C. F. zijn ingesteld tegen de beschikking van 27 mei 1994 :
Over het eerste middel, dat door elke eiser in zijn memorie is aangevoerd en waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht;
Overwegende dat de eisers betogen dat de beschikking van de raadkamer die hen naar de correctionele rechtbank verwijst, gewezen is door een rechter die reeds in de zaak was tussengekomen als onderzoeksrechter om verschillende verrichtingen te bevelen die bij het strafdossier zijn gevoegd, en dat die beslissing, bijgevolg, het algemeen rechtsbeginsel miskent dat aan elke rechtsonderhorige het recht op een eerlijk proces waarborgt, alsook hun recht van verdediging schendt;
Overwegende dat de eiser J.P. M. hieruit een schending van artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden afleidt;
Overwegende dat de onderzoeksgerechten geen uitspraak dienen te doen over de gegrondheid van een beschuldiging in strafzaken, zodat zij, in de regel, niet onderworpen zijn aan de voorschriften van die Verdragsbepaling;
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de magistraat die kennisgenomen heeft van de regeling van de rechtspleging in de raadkamer, twee maal is tussengekomen in de hoedanigheid van onderzoeksrechter : op 7 januari 1992, toen hij een internationale ambtelijke opdracht van de onderzoeksrechter te N. geldig verklaarde, die betrekking had op een in Frankrijk ingeleide stafprocedure; op 31 januari 1992, toen hij, bij wege van een kantschrift, de procureur des Konings te B. de onderzoeksopdrachten toezond die door de rijkswacht te B. ter uitvoering van de voormelde ambtelijke opdracht waren gedaan, op grond dat het om stukken ging die "van belang kunnen zijn voor het onderzoek nr. 295/91 van de onderzoeksrechter V.", m.n. het strafdossier dat thans aan het Hof is voorgelegd;
Overwegende dat de voorzitter van de voormelde raadkamer, zelf geen enkele onderzoeksopdracht heeft verricht in het kader van deze zaak; dat die enige twee hierboven vermelde verrichtingen hem niet ertoe hebben kunnen aanzetten een oordeel over de voorgelegde gegevens te vormen en, bijgevolg, geen gewettigde twijfel kunnen wekken omtrent de geschiktheid van de raadkamer om tijdens de regeling van de rechtspleging op onpartijdige wijze uitspraak te doen; dat uit die enige omstandigheid dus niet kan worden afgeleid dat de eisers geen recht op een eerlijk proces hebben gehad of dat hun recht van verdediging werd geschonden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel van M.-C. F. :
Overwegende dat eiseres betoogt dat de bestreden beschikking ten onrechte preciseert dat zij is gehoord op de terechtzitting van 26 april 1994, terwijl zij op die terechtzitting niet aanwezig is geweest;
Overwegende dat de bestreden vermelding niet alleen in de voormelde beschikking voorkomt, maar ook in het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 april 1994; dat die beschikking, zoals het proces-verbaal, authentieke akten zijn; dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiseres de door haar bekritiseerde authentieke vermelding van valsheid heeft beticht;
Dat het middel mitsdien niet ontvankelijk is;
II. Op de voorziening van A. M. tegen het arrest van 14 juli 1999 :
A. In zoverre zij gericht is tegen de beslissingen op de strafvordering, met name :
1. die welke eiser vrijspreekt van de telastleggingen A4, A8, A9, D7, D10 (gedeeltelijk), K1, I2, I3 (gedeeltelijk) van de zaak II :
Overwegende dat de voorziening, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is;
2. die welke eiser veroordeelt wegens de andere, hem ten laste gelegde feiten :
Over het enige middel, (...);
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiser de voeging van de zaken 15.66.105576/91, 27.66.107837/94 en 21.98.9147/94, wegens hun samenhang, heeft betwist voor de appèlrechters; dat voornoemd middel, dat niet voor de eerste keer aan het Hof kan worden voorgelegd, niet ontvankelijk is;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
B. In zoverre zij gericht is tegen de beslissingen op de door de verweerders tegen eiser ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen :
Overwegende dat eiser geen bijzonder middel aanvoert;
III. Op de voorziening van J. H. tegen het arrest van 14 juli 1999 :
A. In zoverre zij gericht is tegen de beslissing die eiser vrijspreekt van de telastleggingen C, F1 en H van de zaak I, en tegen die welke de telastlegging F2 van die zaak terzijde laat wegens dubbel gebruik met een andere telastlegging :
Overwegende dat de voorziening, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk is;
B. In zoverre zij gericht is tegen de beslissing die eiser veroordeelt wegens de andere, hem ten laste gelegde feiten :
Over het tweede middel, dat door eiser wordt aangevoerd in de memorie, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht :
Overwegende dat de wettigheid van een veroordeling die is uitgesproken wegens schending van artikel 505, 2°, van het Strafwetboek, dat in dat wetboek is gevoegd door artikel 5 van de wet van 17 juli 1990, onder meer impliceert dat de rechter moet vaststellen dat de beklaagde de strafbare oorsprong kende van de vermogensvoordelen die hij rechtstreeks of door indeplaatsstelling gekocht, ontvangen, in bezit, bewaring of beheer heeft genomen;
Overwegende dat de veroordelende beslissing evenwel geen opgave hoeft te doen van de misdaad of van het wanbedrijf aan de hand waarvan die vermogensvoordelen zijn verkregen, en zelfs niet dat het instellen van de strafvordering op grond van dat oorspronkelijk misdrijf tot de territoriale bevoegdheid van de Belgische rechter behoort;
Overwegende, voor het overige, dat het aflopend karakter van het misdrijf witwaspraktijken niet belet dat de dader dat misdrijf telkens opnieuw pleegt, wanneer hij ten aanzien van de goederen of waarden waarvan hij de strafbare oorsprong kende of diende te kennen, één van de in artikel 505, 2°, van het Strafwetboek omschreven handelingen stelt;
Overwegende dat het hof van beroep, te dezen, op bladzijde 56 van het arrest beslist dat de in de telastlegging bedoelde vreemde valuta's voortkomen uit misdadige of strafbare activiteiten die in Rusland zijn gevoerd en die van daaruit zijn uitgevoerd onder de dekmantel van fictieve overheidsopdrachten, die noodzakelijkerwijs hebben geleid tot valsheid in geschriften; dat het arrest op bladzijde 61 de verschillende feitelijke omstandigheden vermeldt waaruit kan worden afgeleid dat eiser wist of diende te weten dat de gelden, die in België waren beheerd, voortkwamen uit activiteiten die volgens de Belgische strafwetgeving misdrijven konden opleveren;
Overwegende dat de appèlrechters, door die overwegingen, hun beslissing naar recht hebben verantwoord;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
OM DIE REDENEN,
ongeacht de memories van toelichting, die zijn neergelegd buiten de termijn bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, of geen verband houden met het voorwerp van de heropening van het debat;
Verwerpt de voorzieningen;
Veroordeelt de eisers in de kosten van hun respectieve voorzieningen.
Aldus door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig juni tweeduizend uitgesproken.