Hof van Cassatie: Arrest van 21 Maart 2003 (België). RG C000634N

Date :
21-03-2003
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
5 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20030321-8
Numéro de rôle :
C000634N

Résumé :

Wie veroordeeld is heeft belang derdenverzet in te stellen tegen de beslissing die hem veroordeelt; derdenverzet is slechts niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang wanneer het uitgaat van een persoon wiens rechtspositie door de bestreden beslissing niet kan worden aangetast (1). (1) Zie Cass., 24 jan. 1974, 573, en de conclusie van procureur-generaal Ganshof van der Meersch in Bull. en Pas., I, 545; 4 dec. 1989, AR 6848, nr 216; 1 maart 1993, AR 9595, nr 121, en de conclusie van advocaat-generaal Leclercq in Bull. en Pas., I.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Nr. C.00.0634.N
FORTIS BANK, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 76.034,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
S.A. handelend in haar hoedanigheid van curator van de roerende goederen van de nalatenschap van Y.W.
aan wie het voordeel werd verleend van de rechtsbijstand bij beschikking van het Bureau voor rechtsbijstand van 21 december 2000, onder nummer G.00.0129.N,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 30 mei 2000 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.
II. Rechtspleging voor het Hof
Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd.
III. Middel
Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
&§9472; de artikelen 17, 18, eerste lid, 1033 en 1122 van het Gerechtelijk Wetboek ;
&§9472; de artikelen 1937, 1939, 1142, 1147, 1149, 1150, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ;
&§9472; het algemeen rechtsbeginsel van het verbod zijn eigen rechter te zijn.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden vonnis verklaart het verzet van eiseres tegen het vonnis van de Vrederechter van het kanton Sint-Jans-Molenbeek van 12 november 1998, waarbij zij is veroordeeld tot de afgifte aan verweerster, in haar hoedanigheid van curator van de roerende goederen aangesteld op grond van het artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek, van tegoeden die toebehoorden aan wijlen mevrouw W., onontvankelijk wegens gebrek aan belang op grond van de volgende overwegingen :
"(Eiseres) tekende derdenverzet aan tegen een beschikking waarin uitspraak werd gedaan over banktegoeden toebehorende aan de nalatenschap van wijlen mevrouw W..
Overeenkomstig art. 1122 Ger. W. staat het verzet enkel open voor ieder die niet behoorlijk werd opgeroepen of die niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen en die aldus in de mogelijkheid wordt gesteld om op te komen tegen een beslissing die zijn rechten benadeelt.
Om verzet tegen een gerechtelijke beslissing te kunnen aantekenen, moet de derde derhalve voldoen aan de vereisten van de artikelen 17 en 18 Ger. W.
Tenzij de wet anders bepaalt, kan overeenkomstig de artikelen 17 en 18 Ger. W. de rechtsvordering, ingesteld door een natuurlijke of rechtspersoon, niet worden toegelaten, indien de eiser geen persoonlijk en rechtstreeks belang, d.w.z. een eigen belang heeft.
Het belang, waarvan de ontvankelijkheid van de rechtsvordering afhangt, moet een bij de inleiding reeds verkregen en dadelijk belang zijn, wat niet vereist dat de eiser op dat tijdstip reeds schade had geleden of een schadevergoeding aan een derde had uitgekeerd.
In dat verband treedt de rechtbank de zienswijze van (verweerster) bij dat (eiseres) (niet) doet blijken van een persoonlijk en dadelijk belang, wanneer zij stelt dat 'dat zij immers door de tegoeden, die haar indertijd door de overledene werden toevertrouwd, aan niet-gevolmachtigden te overhandigen, zich bloot zou stellen aan aansprakelijkheidsvorderingen vanwege potentiële erfgenamen, die van (eiseres) op hun beurt een tweede maal de afgifte van deze fondsen zouden kunnen eisen'.
(Eiseres) is immers geen eigenares van de bij haar gedeponeerde goederen, enkel depositaris. In die hoedanigheid dient zij afgifte te doen van tegoeden die haar niet toebehoren in handen van de houder van een gerechtelijk mandaat, in uitvoering van een gerechtelijke beslissing. Onder die voorwaarden kan de aansprakelijkheid van (eiseres) niet in het gedrang komen, aangezien de opdracht tot teruggave werd bevolen door de rechtbank.
Nu (eiseres) geen blijk geeft van het bestaan in haar hoofde van een door de wet vereist belang in de zin van de artikelen 17 en 18 Ger. W., dient haar derdenverzet als onontvankelijk afgewezen te worden zodat het bestreden vonnis op dit punt bevestigd wordt".
Het bestreden vonnis veroordeelt eiseres tot betaling van een schadevergoeding van 50.000 BEF wegens tergend en roekeloos geding op grond van volgende overwegingen :
"Beide partijen leggen al dan niet gepubliceerde rechtspraak neer over de draagwijdte van de rechten en verplichtingen van de curator van de roerende goederen aangesteld op grond van art. 1154 Ger. W. aangaande de gelden voorkomende op de bankrekeningen van de overledene (o.a. Rb. Luik, 7 nov. 1988, T. Vred., 1991, 60 ; Vred. Anderlecht 2, T. Vred., 1991, 493 : Vred., Antwerpen III, T. Vred., 1996, 387 ; Vred. Vorst, 24 maart 1998, T. Vred., 1998, 508, dat hervormd werd bij vonnis van deze rechtbank, 14de Kamer, 12.10.1999, J.T., 1999, 741 waarbij de stelling van de Generale Bank, toen verdedigd door dezelfde raadsman, bijgetreden werd. Zie ook Pierre Moreau, Le curateur aux meubles et les scellés, T. Vred. 1998, 481 ; H. Jespers, De curator aangesteld door de vrederechter bij toepassing van art. 1154 Gerechtelijk Wetboek in : Bevoegdheden van de vrederechters en politierechters, Die Keure, 1992, 251 enz.).
Zelfs indien de rechtspraak verdeeld blijkt aangaande bevoegdheden van de curator en niet blijkt dat deze kwestie het voorwerp reeds uitmaakte van een voorziening in cassatie, werd de aansprakelijkheid van de bank bij het lichtzinnig weerhouden van gelden van de nalatenschap reeds meermaals ter sprake gebracht, ook al blijkt uit de voorgelegde rechtspraak dat de onontvankelijkheid van de vorderingen van de banken bij gebrek aan belang ook niet opgeworpen werd (Anderlecht 2, T. Vred., 1998, 493 ; Rb. Luik, 7 nov. 1988, T. Vred., 1991, 60).
De bank, die ook over juridische diensten beschikt en van deze rechterlijke beslissingen op de hoogte kan zijn (er worden overigens geen beslissingen voorgelegd waaruit blijkt dat een bank veroordeeld zou zijn geweest om een tweede keer gelden uit te betalen aan een erfgenaam om reden dat zij de gelden overmaakte aan een curator aangesteld op grond van art. 1154 Ger. W.) dient ook te weten dat deze uitzonderlijke procedure van derdenverzet vertragingen zal veroorzaken in de uitbetaling van de schuldeisers van de nalatenschap met de hoger oplopende intresten van dien en werkoverlast van de aangestelde curator die veelal deficitaire onbeheerde boedels dient te beheren en vereffenen, (ter zake met een maximum ereloon van 10.000 BEF volgens de beschikking Proces-verbaal van beschrijving van 14 september 1998).
Zodoende dient de bestreden beslissing waarbij de tegenvordering in betaling van een schadevergoeding van 50.000 BEF wegens tergend en roekeloos geding ook op dat punt bevestigd te worden".
Grieven
1. Eerste onderdeel
Luidens de artikelen 1033 en 1122 van het Gerechtelijk Wetboek kan ieder die niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen verzet respectievelijk derdenverzet instellen tegen een beslissing die zijn rechten benadeelt. De vereiste benadeling van de rechten van de eiser op verzet is een toepassing van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, dat stelt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen belang heeft om ze in te dienen. Krachtens artikel 18, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, moet het belang een reeds verkregen en dadelijk belang zijn.
Opdat er een benadeling zou zijn van zijn rechten, is niet vereist dat de rechten van de eiser op verzet reeds op het ogenblik van het verzet geschaad zijn. De mogelijkheid van benadeling volstaat. De vraag of de bestreden beslissing werkelijk de rechten van de eiser op verzet benadeelt is een kwestie die de grond van de zaak aanbelangt.
Het bestreden vonnis stelt vast dat de draagwijdte van de bevoegdheid van de curator van roerende goederen aangesteld in toepassing van het artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende gelden op de bankrekeningen van de overledene, het voorwerp uitmaakt van discussie in rechtsleer en rechtspraak.
Eiseres voerde ter ondersteuning van haar verzet precies aan dat verweerster in haar hoedanigheid van curator van de roerende goederen van mevrouw Y. W. (aangesteld in toepassing van het artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek) niet bevoegd is om de gelden van wijlen mevrouw Y. W., die eiseres bewaarde op een bankrekening op naam van deze laatste, in ontvangst te nemen en dat zij als bewaarnemer foutief zou handelen en haar aansprakelijkheid in het gedrang zou kunnen komen indien zij die gelden aan verweerster zou afgeven. Artikel 1937 van het Burgerlijk Wetboek legt immers aan de bewaarnemer de verplichting op de in bewaring gegeven zaak slechts terug te geven aan degene die ze hem heeft toevertrouwd of aan hem in wiens naam de bewaring gedaan is of aan die aangewezen is om deze terug te ontvangen en krachtens artikel 1939 van het Burgerlijk Wetboek, mag de bewaarnemer ingeval van overlijden van de bewaargever, de in bewaring gegeven zaak slechts aan zijn erfgenamen teruggeven, bepaling die in geval van aanstelling van een curator in toepassing van artikel 1154 van het Gerechtelijk Wetboek blijft gelden voor roerende zaken gevonden buiten de verblijfplaats van de overledene, zoals in casu de gelden bewaard door eiseres op een bankrekening.
Een gerechtelijke beslissing die de bewaarnemer veroordeelt tot afgifte van de in bewaring gegeven zaak aan een persoon belast met een gerechtelijk mandaat levert geen rechtvaardigingsgrond op voor dit foutief handelen wanneer die gerechtelijke beslissing onwettig is om de reden dat die persoon volgens de wet niet de bevoegdheid heeft om de in bewaring gegeven zaak in ontvangst te nemen.
Anders beslissen houdt een schending in van de regels van het Burgerlijk Wetboek inzake contractuele en delictuele aansprakelijkheid (artikelen 1142, 1146, 1147, 1148, 1149, 1150, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek).
Het vonnis van de Vrederechter van het kanton Sint-Jans-Molenbeek van 12 november 1998, waartegen eiseres verzet heeft aangetekend is derhalve van aard de rechten van eiseres te benadelen (zodat voldaan is aan de vereiste van de artikelen 1033 en 1122 van het Gerechtelijk Wetboek), met als gevolg dat eiseres in de zin van de artikelen 17 en 18, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek belang heeft met het instellen van een verzet tegen die beslissing.
Hieruit volgt dat het bestreden vonnis, door het verzet van eiseres onontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang om redenen die hierop neerkomen dat de afgifte van de in bewaring gegeven zaken aan verweerster, belast met een gerechtelijk mandaat, door de rechtbank werd bevolen en de bestreden beslissing eiseres dus geen schade zou kunnen berokkenen, de artikelen 17, 18, eerste lid, 1033 en 1122 van het Gerechtelijk Wetboek, 1142, 1146, 1147, 1148, 1149, 1150, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek schendt en, in de mate het zou oordelen dat verweerster, omdat zij door het gerecht en bij gerechtelijke beslissing als curator over roerende zaken is aangeduid om de litigieuze tegoeden in ontvangst te nemen, bevoegdheid heeft die tegoeden te ontvangen, ook de artikelen 1937 en 1939 van het Burgerlijk Wetboek en 1154 van het Gerechtelijk Wetboek schendt. Vermelde onwettigheden brengen mee dat de veroordeling van eiseres wegens tergend en roekeloos geding, als gevolgbeslissing, onwettig is wegens schending van dezelfde wetsbepalingen.
2. Tweede onderdeel
Eenieder heeft recht een vordering voor de rechter te brengen of een rechtsmiddel tegen een beslissing aan te wenden. Dit recht is de keerzijde van het verbod zijn eigen rechter te zijn, zijnde een algemeen rechtsbeginsel. De uitoefening van dit recht kan niet als foutief worden beschouwd door het enkel feit dat de vordering of het rechtsmiddel door de rechter als onontvankelijk of ongegrond wordt afgewezen.
Vereist is dat de vordering of het rechtsmiddel op foutieve of lichtzinnige wijze voor de rechter werd gebracht.
Uit het bestreden vonnis, dat het verzet van eiseres onontvankelijk verklaart, blijkt niet dat eiseres op foutieve of lichtzinnige wijze zou hebben gehandeld bij het instellen van het derdenverzet. De omstandigheid dat de uitzonderlijke procedure van derdenverzet vertraging veroorzaakt in de uitbetaling van schuldeisers met hoger oplopende interesten en werkoverlast voor de aangestelde curator, wijst niet op een foutief of lichtzinnig optreden door eiseres voor de rechter. Er kan slechts sprake zijn van een lichtzinnig weerhouden van de litigieuze tegoeden indien eiseres op foutieve of lichtzinnige wijze derdenverzet zou hebben ingesteld, hetgeen het bestreden vonnis niet vaststelt.
Hieruit volgt dat het bestreden vonnis, door eiseres te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 50.000 BEF wegens tergend en roekeloos geding, de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek schendt, alsmede het algemeen rechtsbeginsel van het verbod zijn eigen rechter te zijn welke impliceert dat in principe eenieder recht heeft een vordering voor de rechter te brengen.
IV. Beslissing van het Hof
1. Eerste onderdeel
Overwegende dat, krachtens artikel 1122, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, eenieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, derdenverzet kan doen tegen een, zij het voorlopige, beslissing die zijn rechten benadeelt ;
Dat, krachtens deze bepaling, derdenverzet slechts niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang wanneer het uitgaat van een persoon wiens rechtspositie door de beslissing niet kan worden aangetast ;
Dat een persoon belang heeft derdenverzet in te stellen tegen een beslissing die hem veroordeelt ;
Overwegende dat het bestreden vonnis oordeelt dat eiseres, die bewaarnemer is, "afgifte (dient) te doen van tegoeden die haar niet toebehoren in handen van de houder van een gerechtelijk mandaat, in uitvoering van een gerechtelijke beslissing" en dat "onder die voorwaarden de aansprakelijkheid van (eiseres) niet in het gedrang (kan) komen aangezien de opdracht tot teruggave werd bevolen door de rechtbank" ;
Dat het bestreden arrest vervolgens oordeelt dat eiseres aldus geen blijk geeft van het bestaan van een door de wet vereist belang om op ontvankelijke wijze een derdenverzet in te stellen tegen de beslissing waarbij haar bevel wordt gegeven de in bewaring gegeven gelden in handen van verweerster te vereffenen ;
Dat het bestreden vonnis door aldus te oordelen zijn beslissing niet naar recht verantwoordt en de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen schendt ;
Dat het onderdeel gegrond is ;
2. Omvang van cassatie
Overwegende dat de vernietiging van de beslissing dat het derdenverzet van eiseres niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, zich uitstrekt tot de beslissing die eiseres veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding die er het gevolg van is ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Vernietigt het bestreden vonnis ;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis ;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over ;
Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, zitting houdende in hoger beroep.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Eric Dirix, Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van eenentwintig maart tweeduizend en drie uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols.