Hof van Cassatie: Arrest van 21 November 1996 (België). RG C950313F

Date :
21-11-1996
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19961121-2
Numéro de rôle :
C950313F

Résumé :

Het gebruik van dwangtuigen, zoals handboeien of voetkluisters, is geen normale veiligheidsmaatregel t.a.v. een gehospitaliseerde gedetineerde, maar een uitzonderingsmaatregel die slechts onder de strikte, in art. 107, KB houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen, opgesomde voorwaarden kan worden toegepast.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op bestreden vonnis, op 17 januari 1995 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 1319, 1320, 1322, 1382 van het Burgerlijk Wetboek, 96, 97, 98, 107, 108, 109 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen, 3, 8 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende en bij de wet van 13 mei 1955 goedgekeurde Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, 7, 10 van het op 19 december 1966 te New York opgemaakte en bij de wet van 15 mei 1981 goedgekeurde Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, 2, 12 van het op 19 december 1966 te New York opgemaakte en bij de wet van 15 mei 1981 goedgekeurde Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, 149 van de Grondwet, van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en van het evenredigheidsbeginsel dat inzonderheid in artikel 3 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is neergelegd,
doordat het bestreden vonnis eraan herinnert, enerzijds, "dat (eiseres) betoogde om de volgende redenen morele schade te hebben geleden: 'de dochter van (eiseres), Christine Delforge, is op grond van een arrest van 13 juni 1990 van het Hof van Beroep te Bergen in hechtenis genomen. Wegens haar gezondheidstoestand moest ze evenwel van 22 oktober 1990 tot 26 oktober 1990 worden opgenomen in de dienst interne geneeskunde van de Cliniques Universitaires St-Luc te Brussel. Tijdens die periode was ze aan haar ziekenhuisbed vastgebonden met twee riemen van ongeveer één meter lang, waarvan de ene aan haar linkerpols en de andere aan haar linkerenkel was vastgemaakt. Daardoor kon Christine Delforge de voor haar gezondheidstoestand nodige rust niet nemen en diende ze voor haar elementaire behoeften de hulp van de bewaakster in te roepen. Die behandeling was onterend en vernederend, des te meer daar Christine Delforge wegens haar gezondheidstoestand was verzwakt. (Eiseres), die haar dochter mocht bezoeken in het ziekenhuis, was diep geschokt door de manier waarop haar dochter werd behandeld'", anderzijds," dat verweerder hierop het volgende antwoordt : 'de dochter van (eiseres), mevrouw Delforge, is in 1987 door de rechtbank te Brussel veroordeeld wegens valsheid in geschrifte, oplichting, gewone diefstal en het dragen van valse namen; op 13 juni 1990 is zij door het Hof van Beroep te Bergen veroordeeld wegens opzettelijke brandstichting in een bewoond huis; als gedetineerde moest zij van 22 oktober 1990 tot 26 oktober 1990 in de Clinique Universitaire St-Luc te Brussel worden opgenomen; zij kloeg erover met een regelbare handboei aan haar ziekenhuisbed te zijn vastgemaakt (een ketting van ongeveer één meter lang die aan haar enkel was bevestigd); het is nodig te weten dat de gedetineerde, reeds een vorige keer (op 27 september 1990) bij een medisch consult buiten de gevangenis, had gepoogd aan de haar begeleidende rijkswachters te ontsnappen; het gedrag van mevrouw Delforge baarde reeds vóór de litigieuze feiten erg veel zorgen, aangezien zij had gewild dat sommige van haar familieleden lang van tevoren op de hoogte werden gebracht van haar ziekenhuisopname, zij al gepoogd had een zekere som geld en geneesmiddelen te verbergen en gevraagd had om haar juwelen bij zich te hebben; al die gegevens, tezamen met haar vorige ontsnappingspoging, verklaren waarom de administratie zich genoodzaakt zag passende middelen aan te wenden om elke nieuwe ontsnappingspoging te verijdelen; mevrouw Delforge was de mening toegedaan dat de omstandigheden waarin z
ij tijdens haar verblijf in het ziekenhuis gevangen gehouden werd, indruisten tegen de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens alsook tegen de artikelen 7 en 10 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en daarom heeft zij op 4 december 1990 de Belgische Staat gedagvaard; mevrouw Delforge is op 23 maart 1991 overleden; (...)'"; dat het bestreden vonnis vervolgens de rechtsvordering, die eiseres baseert op de fout van verweerder, verwerpt op grond dat "de eerste rechter ten onrechte één frank morele schadevergoeding heeft toegekend aan (eiseres); dat immers : - laatstgenoemde, als eiseres, de volledige bewijslast draagt; - de litigieuze riemen slechts dienden ter 'vervanging' van de verschillende, in iedere gevangenis normale en noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen (zoals tralies); - de overgelegde foto's een volledig ontspannen, ja zelfs glimlachende jonge dame tonen; - niets dus erop wijst dat dit beeld voor een moeder schokkender was dan het beeld van haar kind in een gevangenis; - het geenszins bewezen is dat het gebruik van de riemen onverenigbaar was met de medische behandeling; - alle gegevens van het dossier, waaronder het rapport van de directeur van 1 oktober 1990, de aard van de feiten en de duur van de veroordeling bewijzen dat de jonge gedetineerde gevaarlijk is; - de normale en noodzakelijke veiligheidsmaatregelen helemaal niet onterend zijn, zodat ze niet indruisen tegen een van de drie, door (eiseres) aangevoerde internationale verdragen; - laatstgenoemde tenslotte geen enkel persoonlijk belang kan doen gelden om die 'praktijk' in het algemeen te veroordelen; - de vraag of die 'praktijk' al dan niet algemeen gangbaar was dus niet ter zake doet",
terwijl, vierde onderdeel, de artikelen 96 en 97 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen bepalen dat de zieke gedetineerden, in voorkomend geval in een ziekenhuis, de verzorging ontvangen die hun toestand vereist; artikel 98 van voornoemd reglement bepaalt dat, wanneer een gedetineerde naar een ziekenhuis wordt overgebracht, dit als een bijhuis van de strafinrichting moet worden beschouwd en de directeur van deze instelling zo nodig voor de bewaking van de overgebrachte gedetineerde zorgt; de artikelen 107, 108 en 109 van voornoemd reglement met betrekking tot de veiligheid en de handhaving van de orde uitdrukkelijk bepalen dat "dwangtuigen zoals handboeien, voetkluisters (...) slechts mogen gebruikt worden (...) voor zover de andere dwangmiddelen mislukt zijn, wanneer de gedetineerde zo te keer gaat dat hij een gevaar wordt voor zichzelf of iemand anders of materiële schade zou kunnen veroorzaken" (artikel 107); dat "(die) tuigen (...) niet als strafmiddel mogen worden gebruikt" (artikel 108) en dat "alleen de volstrekt noodzakelijke dwang voor de handhaving van de orde is toegelaten" (artikel 109); uit die bepalingen van openbare orde volgt dat het gebruik van dwangtuigen, zoals handboeien of voetkluisters, geen normale veiligheidsmaatregel is ten aanzien van een in een ziekenhuis opgenomen gedetineerde, maar een uitzonderingsmaatregel die slechts onder de strikte, hierboven opgesomde, voorwaarden kan worden toegepast; de artikelen 2 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten de Belgische Staat althans verbieden gelijk welke maatregel - zelfs een administratieve - te nemen ten aanzien van in een ziekenhuis opgenomen gedetineerden, wanneer deze afbreuk doet aan de waarborgen voor de volle uitoefening van het recht op lichamelijke of morele gezondheid die de Belgische Staat aan iedere zieke gedetineerde toekent; die bepalingen verweerder verbieden dwangtuigen zoals handbo
eien en voetkluisters die niet volstrekt noodzakelijk zijn voor de handhaving van de orde te gebruiken ten aanzien van een in een ziekenhuis opgenomen gedetineerde, en derhalve, de Belgische overheid verbieden het gebruik van handboeien die aan een ziekenhuisbed worden vastgemaakt door middel van een ketting van één meter lang, te beschouwen als een normale veiligheidsmaatregel ten aanzien van die gedetineerden; hieruit volgt dat het bestreden vonnis niet wettig kon beslissen dat "de litigieuze riemen slechts dienden ter 'vervanging' van de verschillende, in iedere gevangenis normale en noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen (zoals tralies)", en dat artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten niet geschonden is, zonder hierdoor de artikelen 96, 97, 98, 107, 108, 109 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965, 2 en 12 van het op 19 december 1966 te New York opgemaakte Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten te schenden;
Wat het vierde onderdeel betreft :
Overwegende dat het bestreden vonnis vaststelt dat de dochter van eiseres, die tijdens de periode van haar hechtenis in een ziekenhuis was opgenomen "aan haar ziekenhuisbed was vastgebonden met twee riemen van ongeveer een meter lang, (waarvan) de ene aan haar linkerpols en de andere aan haar linkerenkel was vastgemaakt";
Overwegende dat artikel 98 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen bepaalt dat, wanneer een gedetineerde naar een ziekenhuis wordt overgebracht, dit als een bijhuis van de strafinrichting moet worden beschouwd en de directeur van deze instelling zo nodig voor de bewaking van de overgebrachte gedetineerde zorgt;
Dat artikel 107 van voornoemd koninklijk besluit bepaalt dat dwangtuigen zoals handboeien, voetkluisters en dwangbuizen slechts mogen gebruikt worden op bevel van de directeur en voor zover de andere dwangmiddelen mislukt zijn, wanneer de gedetineerde zo te keer gaat dat hij een gevaar wordt voor zichzelf of iemand anders of materiële schade zou kunnen veroorzaken;
Dat uit die bepaling volgt dat het gebruik van dwangtuigen, zoals handboeien of voetkluisters, geen normale veiligheidsmaatregel is ten aanzien van een in een ziekenhuis opgenomen gedetineerde, maar een uitzonderingsmaatregel die slechts onder de strikte, daarin opgesomde voorwaarden kan worden toegepast;
Overwegende dat het bestreden vonnis, nu het beslist dat "de litigieuze riemen slechts dienden ter 'vervanging' van de verschillende, in iedere gevangenis normale en noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen (zoals tralies)", de hierboven aangewezen bepalingen schendt;
Dat het middel, in dat opzicht, gegrond is;
OM DIE REDENEN,
Vernietigt het bestreden vonnis;
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis;
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;
Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel, zitting houdende in hoger beroep.