Hof van Cassatie: Arrest van 23 December 2003 (België). RG P031363N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20031223-5
- Numéro de rôle :
- P031363N
Résumé :
De kamer van inbeschuldigingstelling, die met toepassing van artikel 28sexies, ,§ 4, Wetboek van Strafvordering, uitspraak doet over het hoger beroep tot opheffing van een opsporingshandeling van de procureur des Konings met betrekking tot goederen, heeft, anders dan bij het gerechtelijk onderzoek in het geval van 235bis, Wetboek van Strafvordering, geen bevoegdheid om de regelmatigheid van het gehele opsporingsonderzoek te onderzoeken; dergelijke beslissing is geen eindbeslissing en doet geen uitspraak in één van de gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zodat het cassatieberoep niet ontvankelijk is (1). (1) Zie Cass., 16 feb. 1999, AR P.99.0015.N, nr 89; 17 nov. 1999, AR P.99.1540.F, nr 611; 16 mei 2000, AR P.00.0296.N, nr 299; 30 okt. 2001, AR P.01.1259.N, nr 584.
Arrêt :
P. J.,
eiser, verzoeker tot opheffing van een opsporingshandeling,
met als raadsman Mr. Bart Spriet, advocaat bij de balie te Turnhout.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 25 september 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldiging-stelling.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
IV. Beslissing van het Hof
A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Overwegende dat de kamer van inbeschuldigingstelling die met toepassing van artikel 28sexies, ,§ 4, Wetboek van Strafvordering uitspraak doet over het hoger beroep tot opheffing van een opsporingshandeling van de procureur des Konings met betrekking tot goederen, anders dan bij het gerechtelijk onderzoek in het geval van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, geen bevoegdheid heeft om de regelmatigheid van het gehele opsporingsonderzoek te onderzoeken;
Dat deze beslissing geen eindbeslissing is noch uitspraak doet in een der gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering;
Dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is;
B. Onderzoek van het middel
Overwegende dat het middel, dat niet de ontvankelijkheid van het cas-satieberoep betreft, geen antwoord behoeft;
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt het cassatieberoep;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Gezegde kosten begroot op de som van honderd zevenenveertig euro vierenzeventig cent, waarvan vijftig euro vijfentachtig cent verschuldigd en ze-sennegentig euro negenentachtig cent door eiser betaald.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van drieëntwintig december tweeduizend en drie, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Paul Van den Abbeel.