Hof van Cassatie: Arrest van 23 November 2015 (België). RG S.13.0078.N

Date :
23-11-2015
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
9 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20151123-2
Numéro de rôle :
S.13.0078.N

Résumé :

Uit het geheel van de artikelen 63, §1 en 63, §2, eerste, tweede, derde en vierde lid Arbeidsongevallenwet volgt dat de krachtens artikel 63, § 2, vierde lid, Arbeidsongevallenwet op de verzekeringsonderneming op straffe van verhaal rustende verplichting de verzekeringsinstelling te verwittigen, niet alleen geldt bij wijziging van de graad van de arbeidsongeschiktheid als dusdanig, maar ook wanneer de arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van de verzekeringsonderneming niet meer het gevolg is van het arbeidsongeval, maar van een andere oorzaak (1). (1) Zie concl. OM.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Nr. S.13.0078.N

LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579, bus 40,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

VIVIUM nv, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koningsstraat 153,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 21 januari 2013.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 15 september 2015 een schrifte-lijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Derde onderdeel

1. Krachtens artikel 63, § 1, Arbeidsongevallenwet verwittigt de verzekerings-onderneming die weigert het ongeval ten laste te nemen of die oordeelt dat er twijfel bestaat inzake de toepassing van de wet op het ongeval, binnen de dertig dagen die volgen op de ontvangst van de verklaring het Fonds voor arbeidsongevallen.

Krachtens artikel 63, § 2, eerste lid, Arbeidsongevallenwet verwittigt de verzeke-ringsonderneming in het geval bedoeld bij paragraaf 1 of zo hij weigert het onge-val als een arbeidsongeval te erkennen binnen dezelfde tijd de verzekeringsinstel-ling waarbij de getroffene is aangesloten of waar hij is ingeschreven overeenkom-stig de wetgeving betreffende de verplichte verzekering tegen ziekte en invalidi-teit.

Die kennisgeving, vergezeld van een afschrift van de aangifte van het ongeval, geldt overeenkomstig artikel 63, § 2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet als een verklaring van arbeidsongeschiktheid die tijdig bij de verzekeringsinstelling werd ingediend.

Krachtens artikel 63, § 2, derde lid, Arbeidsongevallenwet, zijn de vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid bepaald door de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit verschuldigd door de verzekeringsonderneming die nalaat de verklaring bedoeld in het eerste lid tijdig te doen, vanaf het begin van de arbeids-ongeschiktheid tot en met dag van de verklaring aan de werknemer die, buiten de aangifteformaliteit, de voorwaarden vervult om ze te verkrijgen. Die vergoeding wegens arbeidsongeschiktheid wordt aan de getroffene betaald door de verzeke-ringsinstelling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, die ze recht-streeks verhaalt op de verzekeringsonderneming.

Krachtens artikel 63, § 2, vierde lid, Arbeidsongevallenwet verwittigt de verzeke-ringsonderneming, zo een wijziging optreedt in de graad van arbeidsongeschikt-heid, die aan de door het arbeidsongeval getroffene is toegekend, eveneens de verzekeringsinstelling binnen de zeven dagen die volgen op de dag waarop de wijziging van de ongeschiktheidsgraad zich voordoet.

2. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de krachtens artikel 63, § 2, vierde lid, Arbeidsongevallenwet op de verzekeringsonderneming op straffe van verhaal rustende verplichting de verzekeringsinstelling te verwittigen, niet alleen geldt bij wijziging van de graad van de arbeidsongeschiktheid als dusdanig, maar ook wanneer de arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van de verzekeringson-derneming niet meer het gevolg is van het arbeidsongeval, maar van een andere oorzaak.

3. De appelrechters die oordelen dat op de verweerster als verzekeringsonder-neming geen verwittigingsplicht rustte overeenkomstig artikel 63, § 2, vierde lid, Arbeidsongevallenwet, omdat de arbeidsongeschiktheid ongewijzigd was geble-ven en enkel niet meer het gevolg was van het arbeidsongeval maar wel van een heelkundige ingreep vreemd aan het arbeidsongeval, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, afdelingsvoorzit-ter Alain Smetryns, en de raadsheren Koen Mestdagh, Antoine Lievens en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 23 november 2015 uitgespro-ken door afdelingsvoorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe.

V. Van de Sijpe K. Moens A. Lievens

K. Mestdagh A. Smetryns B. Deconinck

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: De LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 Brussel, Haachtsesteenweg 579 (postbus 40), en met KBO nummer 0411.702.543,

EISER TOT CASSATIE,

Bijgestaan en vertegenwoordigd door Meester Bruno MAES, advocaat bij het Hof van Cassatie, en met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar keuze van woonplaats wordt gedaan.

TEGEN: De naamloze vennootschap VIVIUM, met vennootschapszetel te 1210 Brussel, Koningsstraat 153, KBO nummer 0404.500.094,

VERWEERSTER IN CASSATIE.

* * *

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser tot cassatie legt aan de beoordeling van het Hof van Cassatie het arrest (rep. nr. 2013/243) voor dat de vijfde kamer van het Arbeidshof te Brussel op 21 januari 2013 in hoger beroep en op tegenspraak uitsprak tussen genoemde partijen.

De betwisting gaat over de toepassing van artikel 63 §2 lid 4 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen.

Tegen het arrest van 21 januari 2013 roept eiser volgend middel tot cassatie in.

* * *

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen en rechtsbeginselen:

- artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet,

- artikel 63 §2 lid 3 en 4 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen,

- het algemeen beginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek,

- het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen en motivering:

Bij bevestiging van het vonnis in eerste aanleg verklaart het arrest van 21 januari 2013 de vordering van eiser tot cassatie tegen verweerster in cassatie ongegrond en tevens veroordeelt het eiser tot cassatie in de kosten, dit op grond van volgende overwegingen (p. 2 t.e.m. 5):

"I. FEITEN

"De heer Roger Mattheus was op 25 augustus 2005 het slachtoffer van een arbeidsongeval in dienst van zijn werkgever, de BVBA Verhaegen, waarvan [verweerster in cassatie] de NV ING Insurance, thans Vivium NV (...), verzekeraar arbeidsongevallen is.

"Met brief van 9 november 2005 meldde [verweerster in cassatie] aan de heer Mattheus dat het ongeval ten laste kon worden genomen als arbeidsongeval, met tenlasteneming van de vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid en medische kosten.

"Op 19 januari 2006 onderging de heer Mattheus een heelkundige ingreep, volgens [verweerster in cassatie] hierin niet tegengesproken door [eiser tot cassatie] het ziekenfonds, als gevolg van een voorafbestaande degeneratie van het bovenste spronggewricht en van de talar dome.

"Met brief van 17 februari 2006 meldde [verweerster in cassatie] vervolgens aan de heer Mattheus en zijn ziekenfonds, dat uit het onderzoek bij de raadsgeneesheer van [verweerster in cassatie] op 3 februari 2006 was gebleken dat de ingreep op 19 januari 2006 en de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid niet in verband stonden met het arbeidsongeval van 25 augustus 2005, zodat [verweerster in cassatie] vanaf 19 januari 2006 geen vergoeding meer zou uitkeren voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid.

"Met brief van 26 januari 2009 stelde het ziekenfonds van de heer Mattheus dat het ziekenfonds slechts op 22 februari 2006 verwittigd werd van de wijziging in de graad van arbeidsongeschiktheid, dit is buiten de wettelijke termijn van 7 dagen voorzien in artikel 63 §2 vierde lid van de Arbeidsongevallenwet Private Sector. Op grond van artikel 63 §2 derde lid van voornoemde wet vorderde het ziekenfonds terugbetaling van 1440,30 EUR arbeidsongeschiktheidsuitkeringen verleend voor de periode van 19 januari 2006 tot en met 22 februari 2006.

"Met brief van 18 februari 2009 antwoordde [verweerster in cassatie] dat de tijdelijke arbeidsongeschiktheid vanaf 19 januari 2006 (ingreep) een andere oorzaak had dan het arbeidsongeval van 25 augustus 2005, zodat de meldingsplicht van artikel 63 van de Arbeidsongevallenwet niet van toepassing was. Tevens meldde [verweerster in cassatie] dat zij op 10 februari 2006 het medisch verslag van de raadsgeneesheer had ontvangen en op 17 februari 2006 het ziekenfonds had aangeschreven.

"Hierop antwoordde het ziekenfonds (hierna genoemd LCM) dat, vermits de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het arbeidsongeval een einde nam op 19 februari 2006, LCM verwittigd diende te worden van de wijziging van de ongeschiktheidsgraad van 100 % naar 0 % uiterlijk op 26 januari 2006, en de verwittiging pas gebeurde op 22 februari 2006. Bijgevolg herhaalde LCM zijn vordering.

"II. RECHTSPLEGING

"a.-

Met inleidende dagvaarding van 2 september 2010 vorderde LCM [eiser tot cassatie] voor de Arbeidsrechtbank van Leuven betaling door [verweerster in cassatie] van 1.440,30 EUR, te vermeerderen met de intrest vanaf de datum van betaling en met de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

"Tevens vorderde de LCM de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

"b.

Met vonnis van 15 november 2011 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk doch ongegrond; de kosten werden ten laste gelegd van LCM.

"c.

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

"d.

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 17 februari 2012, tekende de LCM hoger beroep aan tegen dit vonnis. Hij vorderde dat het arbeidshof het vonnis zou hervormen en opnieuw recht doende zijn vordering ontvankelijk en gegrond zou verklaren, en [verweerster in cassatie] zou veroordelen tot betaling van 1.440,30 EUR te vermeerderen met de intrest vanaf 26 januari 2009; tevens [verweerster in cassatie] te verwijzen in de kosten van beide aanleggen.

"III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

"Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

"IV. BEOORDELING

"a.

Artikel 63 §2 vierde lid van de Arbeidsongevallenwet Private Sector bepaalt dat, zo een wijziging optreedt in de graad van arbeidsongeschiktheid die aan de door het arbeidsongeval getroffene is toegekend, de verzekeringsonderneming de ziekteverzekeringsinstelling (moet verwittigen) binnen de zeven dagen die volgen op de dag waarop de wijziging van de arbeidsongeschiktheidsgraad zich voordoet.

"De arbeidsongevallenverzekeraar die nalaat de verzekeringsinstelling binnen de wettelijke termijn te verwittigen van een wijziging in de graad van arbeidsongeschiktheid van de getroffene, moet aan de verzekeringsinstelling de arbeidsongeschiktheidsvergoedingen terugbetalen tot de dag waarop hij de wijziging ter kennis brengt van de verzekeringsinstelling.

(vgl. Cass. 3 oktober 1994, Arr. Cass. 1994, nr. 415).

"Dergelijke terugvordering is echter niet mogelijk voor betalingen die door de verzekeringsinstelling worden verricht voor een periode van arbeidsongeschiktheid die vreemd is aan het arbeidsongeval.

"De arbeidsongevallenverzekeraar die de getroffene van een arbeidsongeval vergoedt, is niet verplicht de verzekeringsinstelling die ten gunste van de getroffene uitkeringen betaalt wegens een arbeidsongeschiktheid die geen verband houdt met het arbeidsongeval, ervan te verwittigen dat er een wijziging was in de graad van arbeidsongeschiktheid.

(vgl. Cass. 3 maart 1986, Arr. Cass. 1985-86, 907)

"b.-

In de betwisting die wordt voorgelegd aan het arbeidshof, staat zoals pertinent vastgesteld door de arbeidsrechtbank, niet ter discussie bij ontstentenis van betwisting door LCM dat de arbeidsongeschiktheid van de heer Mattheus na de ingreep die hij op 19 januari 2006 onderging, geen uitstaans had met het arbeidsongeval waarvan de heer Mattheus op 25 augustus 2005 het slachtoffer was.

"Bijgevolg was er geen wijziging in de graad van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het arbeidsongeval, doch enkel een arbeidsongeschiktheid op grond van een andere oorzaak. In die omstandigheden rustte op [verweerster in cassatie] geen verwittigingsplicht in de zin van artikel 63 §2 vierde lid van de Arbeidsongevallenwet, en kan LCM geen terugbetaling vorderen van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zij vanaf 19 januari 2006 betaalde aan de heer Mattheus.

"c.

Ten onrechte argumenteert de LCM dat de verwittiging waarvan sprake in artikel 63 §2 vierde lid van de Arbeidsongevallenwet Private Sector door de verzekeringsonderneming dient te gebeuren ongeacht of de ongeschiktheid haar oorsprong vindt in het arbeidsongeval.

"Deze voorwaarde is niet terug te vinden in de tekst van de wet zelf en is strijdig met de bedoeling van de wetgever, zoals deze correct werd weergegeven door de eerste rechter op grond van een redenering die het arbeidshof tot de zijne maakt.

"De bedoeling van de wetgever is om de rechten van het slachtoffer van een arbeidsongeval op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te vrijwaren wanneer de verzekeraar arbeidsongevallen dit niet langer doet. Dit blijkt minstens onrechtstreeks uit het feit dat de kennisgeving van een beslissing tot niet erkenning van een arbeidsongeval met toepassing van artikel 63 §2 tweede lid van de Arbeidsongevallenwet Private Sector geldt als een verklaring van arbeidsongeschiktheid die tijdig bij de verzekeringsinstelling werd ingediend.

"Wanneer de arbeidsongeschiktheid, zoals in deze, niet langer een gevolg is van het arbeidsongeval, doch van een heelkundige ingreep vreemd aan het arbeidsongeval - wat door LCM niet wordt betwist - heeft een verwittiging door de verzekeraar arbeidsongevallen geen gevolgen voor het recht van de arbeidsongeschikte werknemer op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ten gevolge van de daaropvolgende oorzaak van arbeidsongeschiktheid, en bijgevolg geen nut.

"d.

Het was dan ook terecht dat de arbeidsrechtbank de vordering van LCM als ongegrond heeft afgewezen."

GRIEVEN

Eerste onderdeel (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet)

1. Het aangevochten arrest van 21 januari 2013 stelt vast (p. 2, midden) dat werknemer Roger Mattheus op 25 augustus 2005 het slachtoffer was van een ongeval dat verweerster in cassatie, arbeidsongevallenverzekeraar, als arbeidsongeval erkende en waarvoor verweerster in cassatie arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ten laste nam.

Het aangevochten arrest stelt tevens vast dat Roger Mattheus op 19 januari 2006 een heelkundige ingreep onderging (p. 2, midden) en "dat de arbeidsongeschiktheid van de heer Mattheus na de ingreep die hij op 19 januari 2006 onderging, geen uitstaans had met het arbeidsongeval waarvan de heer Mattheus op 25 augustus 2005 het slachtoffer was".

2. In zover het aangevochten arrest niet vaststelt dat de arbeidsongeschiktheid die Roger Mattheus in het arbeidsongeval van 25 augustus 2005 opliep, een einde nam op 19 januari 2006, antwoordt het niet op de conclusie die eiser tot cassatie in hoger beroep neerlegde en waarin hij aangevoerd had, enerzijds, dat de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het arbeidsongeval van 25 augustus 2005 een einde genomen had op 19 januari 2006 (en er vanaf 19 januari 2006 arbeidsongeschiktheid was ingevolge een andere oorzaak, m.n. een heelkundige ingreep die vreemd was aan het arbeidsongeval), en anderzijds, dat eiser tot cassatie van deze wijziging van de arbeidsongeschiktheidsgraad ingevolge het arbeidsongeval overeenkomstig artikel 63 §2 lid 4 van de Arbeidsongevallenwet tijdig had moeten verwittigd worden door verweerder in cassatie.

Bij gebrek aan antwoord op dit middel uit de conclusie van eiser tot cassatie is het aangevochten arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet.

Tweede onderdeel (schending van het algemeen beginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek, en van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging)

1. Overeenkomstig het algemeen beginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek, mag de rechter een punt van de vordering dat niet van openbare orde of dwingend recht is en waarover partijen geen betwisting hadden, niet ambtshalve wijzigen.

Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging moet de rechter -in geval van dergelijke wijziging- partijen minstens de gelegenheid bieden zich daartegen te verdedigen.

2. Voor het Arbeidshof bestond er tussen partijen, zoals uit hun conclusies blijkt, geen betwisting over het feit dat de arbeidsongeschiktheid van Roger Mattheus vanaf het arbeidsongeval op 25 augustus 2005 tot de heelkundige ingreep op 19 januari 2006 zijn oorzaak vond in dit arbeidsongeval, over het feit dat zijn arbeidsongeschiktheid vanaf 19 januari 2006 haar oorzaak had niet in het arbeidsongeval van 25 augustus 2005, maar in de heelkundige ingreep die vreemd was aan het arbeidsongeval, en over het feit dat de arbeidsongeschiktheid ingevolge het arbeidsongeval bijgevolg een einde nam vanaf 19 januari 2006.

3. In zover het aangevochten arrest van 21 januari 2013 door te oordelen (p. 5, al. 2) dat "er geen wijziging (was) in de graad van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het arbeidsongeval", overweegt dat de graad van de arbeidsongeschiktheid zoals die door verweerster in cassatie als gevolg van het arbeidsongeval van 25 augustus 2005 erkend was als voortvloeiende uit dit arbeidsongeval, niet gewijzigd was bij en na de heelkundige ingreep op 19 januari 2006, wijzigt het arrest derhalve ambtshalve een punt van de vordering dat niet van openbare orde of dwingend recht is en waarover partijen geen betwisting hadden.

Het arrest schendt hierdoor het algemeen beginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals vervat in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek.

4. Eiser tot cassatie kreeg niet de gelegenheid zich te verdedigen over dit ambtshalve aangevoerde punt.

Het arrest schendt bijgevolg het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging.

Derde onderdeel (schending van artikel 63 i.h.b. §2 lid 3 en 4 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen)

1. De wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen bepaalt in artikel 63:

"§ 1

De verzekeringsonderneming die weigert het ongeval ten laste te nemen of die oordeelt dat er twijfel bestaat inzake de toepassing van de wet op het ongeval, verwittigt binnen de dertig dagen die volgen op de ontvangst van de verklaring het Fonds voor arbeidsongevallen. Het Fonds voor arbeidsongevallen kan een onderzoek instellen naar de oorzaken en omstandigheden van het ongeval en maakt dan proces-verbaal op.

Een afschrift van het proces-verbaal wordt gezonden aan de verzekeringsonderneming, aan de getroffene of zijn rechthebbende en aan de verzekeringsinstelling waarbij de getroffene is aangesloten of waar hij is ingeschreven overeenkomstig de wetgeving inzake de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit.

"§ 2

In het geval bedoeld bij § 1 of zo de verzekeringsonderneming weigert het ongeval als een arbeidsongeval te erkennen verwittigt hij binnen dezelfde tijd de verzekeringsinstelling, waarbij de getroffene is aangesloten of waar hij is ingeschreven overeenkomstig de wetgeving betreffende de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit.

Die kennisgeving, vergezeld van een afschrift van de aangifte van het ongeval, geldt als een verklaring van arbeidsongeschiktheid die tijdig bij de verzekeringsinstelling werd ingediend.

De vergoedingen wegens arbeidsongeschiktheid bepaald door de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit zijn door de verzekeringsonderneming die nalaat de verklaring bedoeld in het eerste lid tijdig te doen, verschuldigd vanaf het begin van de arbeidsongeschiktheid tot en met de dag van de verklaringen aan de werknemer die, buiten de aangifteformaliteit, de voorwaarden vervult om ze te bekomen; Die vergoedingen wegen arbeidsongeschiktheid worden aan de getroffene betaald door de verzekeringsinstelling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, die ze rechtstreeks verhaalt op de verzekeringsonderneming.

Zo een wijziging optreedt in de graad van arbeidsongeschiktheid, die aan de door het arbeidsongeval getroffene is toegekend, verwittigt de verzekeringsonderneming eveneens de verzekeringsinstelling binnen de zeven dagen die volgen op de dag waarop de wijziging van de ongeschiktheidsgraad zich voordoet.

"(...)."

2. De verzekeringsonderneming (arbeidsongevallenverzekeraar) die een arbeidsongeval ten laste nam voor onbepaalde duur, dient overeenkomstig dit artikel 63, en i.h.b. §2 lid 4 ervan, zo een wijziging optreedt in de graad van arbeidsongeschiktheid ingevolge het arbeidsongeval die aan de getroffene is toegekend, de verzekeringsinstelling (ziekenfonds) te verwittigen binnen de zeven dagen die volgen op de dag waarop de wijziging van de graad van arbeidsongeschiktheid ingevolge het arbeidsongeval zich voordoet.

De verzekeringsonderneming (arbeidsongevallenverzekeraar) die nalaat de verzekeringsinstelling (ziekenfonds) hiervan te verwittigen, moet aan de verzekeringsinstelling (ziekenfonds) de arbeidsongeschiktheidsvergoedingen terugbetalen tot de dag waarop hij die wijziging ter kennis brengt van de verzekeringsinstelling (ziekenfonds).

3. De verzekeringsonderneming (arbeidsongevallenverzekeraar) dient de verzekeringsinstelling (ziekenfonds) overeenkomstig genoemd artikel derhalve ook te verwittigen indien de graad van arbeidsongeschiktheid van de getroffene niet wijzigt, maar op een bepaald ogenblik door de verzekeringsonderneming niet meer toegeschreven wordt aan het litigieuze arbeidsongeval, maar aan een oorzaak vreemd aan het arbeidsongeval.

De terugvordering waarvan sprake bij gebrek aan tijdige verwittiging, is derhalve ook mogelijk voor betalingen die door de verzekeringsinstelling (ziekenfonds) worden verricht voor een periode van arbeidsongeschiktheid die haar oorzaak vindt niet in het arbeidsongeval maar in een aan het arbeidsongeval vreemde oorzaak.

4. De verwittigingsplicht waarvan sprake in artikel 63 §2 lid 4 heeft onder meer tot doel de rechten van het slachtoffer van een arbeidsongeval op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te vrijwaren wanneer de arbeidsongevallen-verzekeraar die niet langer ten laste wil nemen.

5. De verwittigingsplicht waarvan sprake in artikel 63 §2 lid 4 heeft ook tot doel de rechten van de ziekteverzekeringsinstelling te vrijwaren: door de verwittiging kan de verzekeringsinstelling laten nagaan of de getroffene arbeidsongeschikt is in de zin van de ziekte- en invaliditeitswetgeving, en met name de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid heeft om ziekteuitkeringen te kunnen genieten.

6. Voor de toepassing van artikel 63 §2 lid 4 en de sanctie in geval van gebrek aan verwittiging, is het irrelevant dat de ziekteverzekeringsinstelling nadien erkent dat de ongeschiktheidsuitkeringen die zij betaalde aan de getroffene voor een arbeidsongeschiktheid waarvan de oorzaak vreemd was aan het eerdere arbeidsongeval, verschuldigd waren overeenkomstig de ziekte- en invaliditeitswetgeving.

Hierbij is het eveneens irrelevant dat de ziekteverzekeringsinstelling pas naderhand ontdekt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die ze betaalde, betrekking blijken te hebben op een arbeidsongeschiktheid die vreemd is aan het arbeidsongeval.

7. Het aangevochten arrest van 21 januari 2013 stelt vast:

- dat Roger Mattheus op 25 augustus 2005 het slachtoffer was van een ongeval dat verweerster in cassatie, arbeidsongevallenverzekeraar, als arbeidsongeval ten laste nam;

- dat Roger Mattheus op 19 januari 2006 een heelkundige ingreep onderging;

- dat verweerster in cassatie met een brief van 17 februari 2006 aan Roger Mattheus en eiser tot cassatie meldde dat genoemde heelkundige ingreep en de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid niet in verband stonden met het arbeidsongeval van 25 augustus 2005, zodat verweerster in cassatie vanaf 19 januari 2006 geen vergoeding meer uitkeerde voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid;

- dat eiser tot cassatie met een brief van 26 januari 2009 stelde slechts op 22 februari 2006 verwittigd te zijn van de wijziging in de graad van arbeidsongeschiktheid, dit is buiten de wettelijke termijn van 7 dagen voorzien in artikel 63 §2 lid 4 van de Arbeidsongevallenwet Private Sector;

- dat eiser tot cassatie op grond van artikel 63 §2 lid 3 van deze wet van verweerster in cassatie terugbetaling vorderde van 1.440,30 EUR arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de periode van 19 januari 2006 tot en met 22 februari 2006;

- dat volgens eiser tot cassatie de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het arbeidsongeval een einde nam op 19 februari 2006 en eiser tot cassatie bijgevolg uiterlijk op 26 januari 2006 door verweerster in cassatie had moeten verwittigd worden van de wijziging van de ongeschiktheidsgraad van 100% naar 0%.

Het aangevochten arrest stelt tevens vast:

- dat de arbeidsongeschiktheid van Roger Mattheus na de heelkundige ingreep op 19 januari 2006 geen uitstaans had met het arbeidsongeval van 25 augustus 2005, wat eiser tot cassatie niet betwistte;

- dat er geen wijziging was in de graad van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het arbeidsongeval, doch enkel een arbeidsongeschiktheid op grond van een andere oorzaak.

In zover het arrest van 21 januari 2013 oordeelt dat er te dezen geen verwittigingsplicht was en de vordering derhalve ongegrond was enerzijds, omdat de graad van arbeidsongeschiktheid voor en na de heelkundige ingreep dezelfde was, en anderzijds, omdat de arbeidsongeschiktheid vóór 19 januari 2006 zijn oorzaak vond in het arbeidsongeval en na 19 januari 2006 niet in het arbeidsongeval maar in een oorzaak vreemd aan het arbeidsongeval, m.n. de heelkundige ingreep, is het bijgevolg niet wettelijk verantwoord, zelfs niet nu het arrest tevens vaststelde dat eiser tot cassatie in conclusie erkende dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 19 januari 2006 een oorzaak had vreemd aan het arbeidsongeval en zelfs niet nu het arrest vaststelde dat eiser tot cassatie in conclusie erkend had dat Roger Mattheus vanaf 19 januari 2006 recht had op ongeschiktheidsuitkeringen conform de ziekte- en invaliditeitswetgeving.

Het arrest schendt derhalve artikel 63 §2 lid 3 en 4 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen.

TOELICHTING

Bij het derde onderdeel.

→ zie Cass. 3 oktober 1994, A.R. nr. S.94.0019.F, J.T.T. 1995, 127, als volgt samengevat:

"De arbeidsongevallenverzekeraar die nalaat de verzekeringsinstelling binnen de wettelijke termijn te verwittigen van een wijziging in de graad van arbeidsongeschiktheid van de getroffene, moet aan de verzekeringsinstelling de arbeidsongeschiktheidsvergoedingen van het stelsel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering terugbetalen tot de dag waarop hij die wijziging ter kennis brengt van de verzekeringsinstelling, voor zover de getroffene de voorwaarden vervult om de uitkeringen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering te verkrijgen; of die arbeidsongeschiktheid al dan niet veroorzaakt is door het arbeidsongeval doet niet ter zake. (Art. 63, §2, derde en vierde lid, Arbeidsongevallenwet)."

→ vgl. Cass. 4 januari 1982, A.R. nr. 6408, Arr. Cass. 1981-82, 575:

"Overwegende dat het arrest beslist dat eiseres, krachtens het vierde lid van §2, van artikel 63 van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, verweerder moest verwittigen binnen de drie dagen die volgen op de dag waarop de wijziging van de ongeschiktheidsgraad zich voordoet, op grond, enerzijds, dat een wijziging zowel de vermindering van die graad tot nul als een gedeeltelijke vermindering impliceert, en, anderzijds, dat die korte termijn noodzakelijk is om verweerder in staat te stellen de nodige medische controle op doeltreffende wijze te verrichten om eventueel een einde te maken aan de vergoeding als de ongeschiktheidsgraad voorgeschreven bij artikel 56 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering niet meer is bereikt;

"Overwegende dat het arrest met die overwegingen voormeld artikel 63, §2, vierde lid, niet schendt;

→ "De verzekeringsinstelling moet verwittigd worden zo er een wijziging optreedt in het arbeidsongeschiktheidspercentage dat aan de belanghebbende is toegekend (lees: in het kader van het arbeidsongeval) ten einde na te gaan of de titularis ongeschikt is in de zin van artikel 56 van de wet van 9 augustus 1963 en zo artikel 70, § 2 van die wet moet toegepast worden."

(Parl. St. Senaat, zitting 1969-70, 14 september 1970, nr. 650, p. 5; Parl. St. Senaat, Verslag Pede, zitting 1970-1971, 14 januari 1971, nr. 215, p. 176)

→ conclusie van Advocaat-generaal Leclercq bij Cass. 22 november 1999, A.R. nr. S.98.0045.F, J.T.T. 2000, 134:

"cette disposition n'a pas pour but isolé de protéger les droits de la victime d'un accident (...)

l'organisme assureur mutualiste doit être averti en vue d'examiner si cette victime est incapable au sens de la législation sur l'assurance maladie-invalidité.

(...) l'organisme assureur est en mesure de prendre toutes dispositions utiles pour assurer le contrôle et la gestion médicale du dossier aux fins de déterminer si la victime est ou non et reste ou non dans les conditions d'application de la législation sur l'assurance maladie-invalidité. »

→ RENETTE S., Procedure, in Arbeidsongevallen, Mechelen, Kluwer, losbl., comm. 5.1/13 en 14:

"Deze sanctie heeft niet alleen tot doel de belangen van het slachtoffer te vrijwaren, maar ook de belangen van de ziekteverzekeringsinstelling."

OM DEZE REDENEN,

Besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie voor eiser tot cassatie tot de vernietiging van het aangevochten arrest en de verwijzing van de zaak en partijen naar een ander arbeidshof. Kosten als naar recht.

Brussel, 1 juli 2013

Voor eiser,

zijn raadsman

Bruno Maes