Hof van Cassatie: Arrest van 23 September 1994 (België). RG C930494N

Date :
23-09-1994
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19940923-5
Numéro de rôle :
C930494N

Résumé :

Krachtens art. 47 Executieverdrag moet de partij die om de tenuitvoerlegging verzoekt, enig document overleggen waaruit kan worden vastgesteld dat de beslissing volgens de wet van de Staat van herkomst uitvoerbaar is en betekend is geworden; niet ontvankelijk is het cassatiemiddel dat niet aanwijst welke wetsbepaling van het vreemde recht zou zijn geschonden door de wijze waarop de betekening is geschied. (Art. 47 Executieverdrag van 27 sept. 1968, goedgekeurd bij de wet van 13 jan. 1971.)

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 3 mei 1993 door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt gewezen;
Over het middel gesteld als volgt : schending van de artikelen 570 van het Gerechtelijk Wetboek, 27, 28, 31 tot en met 49 van het Verdrag tussen de Staten-leden van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en artikel IV van het Protocol als bijlage aan voornoemd verdrag gevoegd, ondertekend te Brussel op 27 september 1968 en goedgekeurd bij wet van 13 januari 1971; 2 tot en met 7, 9, 10, 24 en 25 van het verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke zaken en in handelszaken, opgemaakt te 's Gravenhage op 15 november 1965 en goedgekeurd bij wet van 24 januari 1970; 1 tot en met 3 van de Overeenkomst tussen de Belgische Regering en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland tot het vergemakkelijken van de rechtsbetrekkingen bij toepassing van het op 1 maart 1954 te 's Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering, ondertekend te Brussel op 25 april 1959 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 december 1959 met erratum in het Belgisch Staatsblad van 12 januari 1960,
doordat het bestreden vonnis het verzet van eiser ontvankelijk, maar ongegrond verklaart, op grond van de motieven : "Volgens art. 47 van het Verdrag van Brussel van 27.9.1968 dient de partij dewelke de uitvoering van een buitenlands vonnis vordert o.a. te bewijzen dat dit vonnis betekend werd en uitvoerbaar is en dit cfr. de wet van het land waar het werd gewezen. Ten deze dient de rechtbank vast te stellen dat (verweerster) genoemd bewijs leverde daar het voorgelegde vonnis melding maakt van de betekening per 18.4.1988 en de uitvoerbaarheid ervan werd bevestigd op 1.8.1991 zodat voldaan werd aan genoemde vereisten van art. 47.",
terwijl, krachtens artikel 47, aanhef en 1° van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, de partij, die de tenuitvoerlegging verzoekt, onder meer een document moet voorleggen waaruit kan worden vastgesteld dat de beslissing volgens de wet van de Staat van herkomst betekend is; krachtens artikel IV, eerste lid van het Protocol, als bijlage aan voornoemd verdrag gevoegd, de gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken, opgemaakt op het grondgebied van een verdragsluitende Staat, die medegedeeld of betekend moeten worden aan personen die zich op het grondgebied van een andere verdragsluitende Staat bevinden, worden toegezonden op de wijze als is voorzien in tussen de verdragsluitende Staten gesloten verdragen of overeenkomsten; de verdragen en overeenkomsten gesloten tussen de Duitse Bondsrepubliek en België voorzien als wijzen van toezending aan een Belgisch ingezetene : 1° de uitwisseling via de in beide landen aangeduide centrale overheden zoals geregeld in de artikelen 2 tot en met 7 van het verdrag van 15 november 1965; 2° de toezending langs consulaire weg zoals geregeld in artikel 9 van hetzelfde verdrag; 3° de betekening door een bevoegde Belgische gerechtsdeurwaarder op verzoek van zijn Duitse collega overeenkomstig art. 10, b van hetzelfde verdrag ingevolge machtiging voorzien door artikel IV, lid 2 van het Protocol, gevoegd als bijlage aan het hoger genoemd verdrag van 27 september 1968 of op verzoek rechtstreeks van de belanghebbende zelf overeenkomstig art. 10, c van het genoemd verdrag van 15 november 1965; 4° de toezending door de bevoegde duitse gerechtelijke autoriteiten rechtstreeks aan de Procureur des Konings in wiens rechtsgebied in België zich de persoon bevindt voo
r wie het stuk bestemd is, zoals geregeld door de artikelen 1 tot en met 3 van de Overeenkomst tussen de Belgische Regering en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland van 25 april 1959, welke overeenkomst uitdrukkelijk toepasselijk blijft op het verdrag van 15 november 1965 krachtens artikel 24 van dit verdrag; de betekening aan de vertegenwoordiger van eiser in Duitsland, zoals geattesteerd op het door verweerster voorgelegde afschrift van het vonnis dd. 8 april 1988 van het Amtsgericht Bad-Kreuznach, als volgt gesteld in de beëdigde vertaling : "Attest overeenkomstig alinéa 213 a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voorgaande beslissing werd aan verweerder-vertegenwoordiger op 18.4.88 betekend. Bad Kreuznach, 1 augustus 1991. Griffie Afd. 9 van het Amtsgericht (w.g.) onleesbaar", niet beantwoordt aan enige wijze van betekening voorzien in de hierboven vermelde verdragen, noch aan enige andere verdragsrechtelijke regel tussen België en Duitsland afgesloten; zodat het bestreden vonnis, door te beslissen dat door de betekening aan de vertegenwoordiger van eiser voldaan is aan de vereiste van betekening overeenkomstig de wet van het land van herkomst, in onderhavig geval Duitsland, terwijl dergelijke betekening niet behoort tot een van de wijzen waarop krachtens de tussen Bondsrepubliek Duitsland en België gesloten verdragen en overeenkomsten toezending aan eiser dient te geschieden, welke van toepassing zijn krachtens artikel 47 van het Verdrag van 27 september 1968, niet enkel genoemd artikel 47 van genoemd verdrag en artikel IV van het erbij gevoegde Protocol schendt, maar tevens de bepalingen van de in het middel aangehaalde verdragen en overeenkomsten die de wijzen van toezending regelen (Schending van de in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen), minstens niet naar recht verantwoord is omdat het enkel feit dat een betekening aan de vertegenwoordiger van eiser geschiedde, het besluit niet toelaat dat de toezending aan eiser in België volgens de hoger aangeduide wijzen geëerbiedigd werd (schending van de in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen) :
Overwegende dat, krachtens artikel 47 van het Executieverdrag, de partij die de tenuitvoerlegging verzoekt, enig document moet overleggen waaruit kan worden vastgesteld dat de beslissing volgens de wet van de Staat van herkomst uitvoerbaar is en betekend is geworden;
Dat het middel het vonnis verwijt te beslissen dat door de betekening aan de vertegenwoordiger van eiser voldaan is aan de vereiste van betekening overeenkomstig het land van herkomst;
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat, volgens het attest dat op het litigieuze vonnis voorkomt, dit vonnis betekend werd aan de "verweerder-vertegenwoordiger";
Dat het middel dat niet aanwijst welke wetsbepaling van het Duitse recht zou zijn geschonden door de wijze van betekening die te dezen werd gevolgd, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.