Hof van Cassatie: Arrest van 24 April 2018 (België). RG P.18.0409.N

Date :
24-04-2018
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20180424-2
Numéro de rôle :
P.18.0409.N

Résumé :

Samenvatting 1

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Nr. P.18.0409.N

E. T.,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Jan Swennen, advocaat bij de balie Limburg.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 april 2018.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 56, § 1, Wet-boek van Strafvordering en artikel 22, derde lid, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat het uitblijven van enige reactie van de onderzoeksrechter op de herhaalde verzoeken tot samenvattend verhoor het recht van verdediging niet mis-kent daar dit moet beoordeeld worden over het geheel van de procedure, dat eisers herhaalde verzoeken om hem voor een samenvattende ondervraging op te roepen geen onmiddellijk verband houden met de redenen die de voorlopige hechtenis verantwoorden en dat voor de eiser nog tal van mogelijkheden openstaan om zijn standpunt over processen-verbaal die gevoegd werden na september 2017, kenbaar te maken; aldus miskent het arrest eisers recht van verdediging daar bij afwezigheid van samenvattend verhoor, hij niet geconfronteerd wordt met de resultaten van het gerechtelijk onderzoek, waarop de ernstige aanwijzingen van schuld en dus ook de handhaving van de voorlopige hechtenis zijn gesteund; ook kan een verzoek tot samenvattend verhoor enkel worden geformuleerd door een aangehouden inverdenkinggestelde en is het inherent aan de voorlopige hechtenis.

2. Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing op de beslissingen van de onderzoeksgerechten die inzake voorlopige hechtenis uitspraak doen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. Uit de enkele omstandigheid dat de onderzoeksrechter zou verzuimd hebben de verdachte overeenkomstig artikel 22, derde lid, Voorlopige Hechteniswet voor een samenvattend verhoor op te roepen, volgt geen miskenning van het recht van verdediging. De naleving van dit recht dient immers te worden beoordeeld in het geheel van de procedure van handhaving van de voorlopige hechtenis. Zo kan de verdachte overeenkomstig artikel 21, § 3, van die wet kennis nemen van het strafdossier en aldus alle gegevens betwisten met betrekking tot de aanwijzingen van schuld die zijn voorlopige aanhouding steunen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Het arrest oordeelt dat aan de eiser nog tal van mogelijkheden openstaan om zijn standpunt over processen-verbaal die gevoegd werden na september 2017 kenbaar te maken en het opmerkelijk is dat uit eisers conclusie niet kan afgeleid worden dat hij op deze processen-verbaal inhoudelijk betwisting voert. Aldus geeft het arrest te kennen dat de eiser die kennis heeft kunnen nemen van de gege-vens van het strafonderzoek, zijn recht van verdediging ten volle kan uitoefenen door de aanwijzingen van schuld die de processen-verbaal vervat in het strafdos-sier zouden inhouden, te betwisten. Op grond van die redenen is de beslissing dat eisers recht van verdediging niet is miskend, naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. Voor het overige komt het middel op tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de afwijzing van het in conclusie geformuleerd verzoek om de eiser de modaliteit van elektronisch toezicht toe te kennen is niet afdoende gemotiveerd; deze afwijzing steunt op het recidive- en collusiegevaar; dit collusiegevaar is evenwel niet meer aan de orde gezien de onderzoeksrechter het dossier reeds voor de eindvordering heeft mede-gedeeld en het onderzoek bijgevolg is beëindigd.

7. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.

In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

8. Het arrest wijst eisers verzoek om elektronisch toezicht af onder meer op grond van het recidivegevaar. Die zelfstandige reden die het middel niet aanvecht, draagt de beslissing.

In zoverre kan het middel niet leiden tot cassatie en is het niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek

9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 61,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit voorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 24 april 2018 uitgesproken door voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van ad-vocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche I. Couwenberg S. Berneman

P. Hoet A. Bloch P. Maffei