Hof van Cassatie: Arrest van 24 Oktober 2006 (België). RG P060859N

Date :
24-10-2006
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20061024-9
Numéro de rôle :
P060859N

Résumé :

Niet ontvankelijk is de aanvraag tot herziening, die gesteund is op artikel 443, eerste lid, 1°, Wetboek van Strafvordering, wanneer de beweerde onverenigbaarheid geen betrekking heeft op verschillende veroordelingen die wegens een zelfde feit bij onderscheiden arresten of vonnissen tegen verschillende beschuldigden of beklaagden al dan niet op tegenspraak zijn uitgesproken waarbij het bewijs van de onschuld van een der veroordeelden uit de tegenstrijdigheid van die beslissingen volgt, maar op de veroordeling van een van de beschuldigden of beklaagden en de vrijspraak van een andere beschuldigde of beklaagde.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Nr. P.06.0859.N
V D W A T M,
verzoeker tot herziening met toepassing van artikel 443 Wetboek van Strafvordering,
met als raadsman Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. BESLISSING WAARVAN DE HERZIENING WORDT GEVRAAGD
De aanvraag tot herziening heeft betrekking op een arrest op 26 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer.
Dat arrest heeft kracht van gewijsde ingevolge het arrest van het Hof op 2 december 2003 gewezen, waarbij het cassatieberoep van de verzoeker werd verworpen.
De verzoeker licht in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, de aanvraag toe.
De verzoeker heeft drie met redenen omklede gunstige adviezen neergelegd, ondertekend door advocaten die tien jaar zijn ingeschreven op het tableau van de Orde van advocaten.
Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. De verzoeker werd vervolgd wegens de telastleggingen A.I.a tot en met g, en C.I-III (inbreuken op het koninklijk besluit van 31 december 1930 omtrent de handel in slaap- en verdovende middelen).
Hij werd schuldig verklaard en veroordeeld wegens de telastlegging A.I.c.
De aanvraag is gestoeld, enerzijds, op artikel 443, eerste lid, 1°, Wetboek van Strafvordering, anderzijds, op artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering.
Aanvraag gesteund op artikel 443, eerste lid, 1°, Wetboek van Strafvordering
2. Artikel 443, eerste lid, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat herziening van in kracht van gewijsde gegane veroordelingen in criminele of correctionele zaken kan worden aangevraagd wanneer onverenigbaarheid bestaat tussen veroordelingen die wegens een zelfde feit bij onderscheidene arresten of vonnissen tegen verschillende beschuldigden of beklaagden al dan niet op tegenspraak zijn uitgesproken, en het bewijs van onschuld van een der veroordeelden uit de tegenstrijdigheid van de beslissingen volgt.
3. De aanvraag tot herziening is gesteund op de beweerde onverenigbaarheid tussen, enerzijds, het arrest op 26 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, waarbij verzoeker werd veroordeeld wegens voornoemde telastlegging, en anderzijds, het arrest op 14 april 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, waarbij E V werd vrijgesproken wegens inbreuken op het koninklijk besluit van 31 december 1930 omtrent de handel in slaap- en verdovende middelen.
Gelet op de vrijspraak van E V bestaat er geen onverenigbaarheid tussen veroordelingen die wegens een zelfde feit bij onderscheiden arresten of vonnissen tegen verschillende beschuldigden of beklaagden al dan niet op tegenspraak zijn uitgesproken.
De aanvraag tot herziening is in zoverre zij gesteund is op artikel 443, eerste lid, 1°, Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk.
Aanvraag gesteund op artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering
4. De aanvraag is gesteund:
- enerzijds, op de vrijspraak van E V bij arrest van 14 april 2004. De verzoeker werd schuldig verklaard aan het feit van de telastlegging A.I.c op grond van de verklaring van E V die geloofwaardig werd geacht omdat zij "haar eigen schuld bekende en verklaarde gehandeld te hebben in opdracht van (verzoeker)",
- anderzijds, op basis van het cognossement met betrekking tot de betrokken container, opgesteld op 7 augustus 1994 in Marokko, en de verkoopfactuur van de firma D aan de bvba A van 11 augustus 1994, waaruit zou blijken dat de feiten zich onmogelijk hebben kunnen voordoen op het ogenblik dat door het bestreden arrest werd in aanmerking genomen op basis van de verklaringen van M S.
Eerste grond
5. De vrijspraak van E V is een feit dat zich voorgedaan heeft sedert de veroordeling van de verzoeker.
Het bewijs van de onschuld van de verzoeker zou kunnen blijken uit dit feit.
In zoverre is de aanvraag tot herziening ontvankelijk.
Tweede grond
6. Uit het arrest waarvan de herziening wordt gevraagd, blijkt niet dat het bepalen van de tijdsomschrijving binnen dewelke de verzoeker het feit van de telastlegging A.I.c waaraan hij schuldig werd verklaard, zou hebben gepleegd, gesteund werd op een verklaring van M S.
De grond tot herziening van de bestreden beslissing steunt derhalve op een feitelijk gegeven dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
In zoverre is de aanvraag niet ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
Verklaart de aanvraag tot herziening op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Straf vordering, ontvankelijk in zoverre zij gesteund is op de vrijspraak van E V bij arrest van 14 april 2004.
Beveelt dat de aanvraag in die mate zal worden onderzocht door het Hof van Beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, voorgezeten door de eerste voorzitter, ten einde na te gaan of het nieuwe tot staving van de aanvraag aangevoerde feit beslissend genoeg lijkt te zijn om de zaak te herzien.
Verklaart de aanvraag tot herziening voor het overige niet ontvankelijk.
Houdt de beslissing over de kosten aan.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Jean-Pierre Frère, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2006 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.