Hof van Cassatie: Arrest van 25 November 1992 (België). RG 9270

Date :
25-11-1992
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
1 page
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19921125-14
Numéro de rôle :
9270

Résumé :

Een handeling, verzuim of praktijk die tot gevolg of tot doel heeft het vergunningsrecht geheel of gedeeltelijk te ontduiken en die bestaat in de aangifte van een te lage huurwaarde van de plaatsen en lokaliteiten die voor het gebruik van sterke drank bestemd zijn, is een aflopend misdrijf. ( Artt. 3, alinéa 1 en 25, Wet van 28 december 1983. )

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 31 mei 1991 door het Hof van Beroep te Brussel gewezen;
Overwegende dat het arrest eiseres veroordeelt, ter zake van het feit dat zij zich in haar hoedanigheid van zaakvoerster van een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid schuldig heeft gemaakt aan handelingen, verzuimen of praktijken die tot gevolg of tot doel hebben het bij de wet van 28 december 1983 betreffende het verstrekken van sterke drank en betreffende het vergunningsrecht bepaalde recht te ontduiken, nu zij op 30 maart 1984 een te lage vermoedelijke huurwaarde van de drankgelegenheid heeft aangegeven (feit I A), tot die datum verzuimd heeft het aanvullend vergunningsrecht van 5.625 frank, dat verschuldigd was ingevolge het op 27 juli 1984 aan eiseres ter kennis gebrachte deskundigenonderzoek, aan de ontvanger te betalen (feit I B) en tot die datum verzuimd heeft het vergunningsrecht van 29.625 frank, dat in de tweede helft van de maand januari van het jaar 1985 moest worden betaald, aan de bevoegde ontvanger der accijnzen te betalen (feit II B), tot een geldboete van 11.250 frank zijnde tweemaal het ontdoken vergunningsrecht wegens het feit I, en tot een geldboete van 59.250 frank zijnde tweemaal het ontdoken vergunningsrecht wegens het feit II, en de sluiting van de drankgelegenheid tot na de betaling van de rechten en geldboeten beveelt; dat het arrest beslist dat de strafvordering niet verjaard is, op grond "dat de beklaagde door de verschuldigde rechten niet te betalen, een onrechtmatige toestand heeft geschapen die zonder verdere handelingen harerzijds blijft voortduren zolang de schulden niet zijn betaald";
Overwegende dat het misdrijf, opgeleverd door de aangifte van een te lage huurwaarde, gepleegd met de bedoeling om het bij de wet van 28 december 1983 betreffende het verstrekken van sterke drank en betreffende het vergunningsrecht bepaalde recht gedeeltelijk te ontduiken, wordt voltrokken op de dag van de bij artikel 3, alinéa 1, van die wet voorgeschreven aangifte;
Overwegende dat, krachtens artikel 17, tweede lid, van de wet, het aanvullend recht, verschuldigd ingevolge de vaststelling van de huurwaarde door de hoofdcontroleur der accijnzen moet worden betaald binnen tien dagen na de kennisgeving ervan; dat krachtens het eerste lid van hetzelfde artikel, het vergunningsrecht voor de eerste maal moet worden betaald bij het indienen van de aangifte, en voor de volgende jaren, in de tweede helft van de maand januari van het jaar waarvoor het verschuldigd is;
Overwegende dat uit het onderling verband van de artikelen 3, 17 en 25 van de wet blijkt dat de aldaar strafbaar gestelde feiten op een bepaald ogenblik door een enkel feit voltrokken worden, namelijk de aangifte van een te lage huurwaarde, alsook de niet-betaling van het recht of het aanvullend recht binnen de voorgeschreven termijn; dat het hier dus gaat om aflopende misdrijven;
Overwegende dat de omstandigheid dat het recht en het aanvullend recht verschuldigd blijven geen invloed heeft op de aard van die misdrijven;
Overwegende dat de verjaring van de strafvordering voor aflopende misdrijven begint te lopen vanaf hun voltrekking; dat uit de bewoordingen van de telastleggingen blijkt dat het feit I A is gepleegd op 30 maart 1984, het feit I B bij het verstrijken van de termijn van tien dagen volgend op de kennisgeving van 27 juli 1984 en het feit II B bij het verstrijken van de tweede helft van de maand januari 1985;
Overwegende dat het arrest meer dan zes jaar na het plegen van de feiten is gewezen; dat de strafvordering, bij ontstentenis van enige schorsingsgrond, vervallen was op de dag van de uitspraak van het arrest;
Dat het middel gegrond is;
Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest in zoverre het eisers veroordeelt op de strafvordering; verwerpt de voorziening voor het overige; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; veroordeelt eiseres in de helft van de kosten; laat de overblijvende kosten ten laste van de Staat; zegt dat er geen grond is tot verwijzing.