Hof van Cassatie: Arrest van 25 Oktober 2006 (België). RG P060727F

Date :
25-10-2006
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20061025-5
Numéro de rôle :
P060727F

Résumé :

Het arrest dat als materieel bestanddeel van het misdrijf vaststelt dat het reclamestuk dat de beklaagde had verspreid, vanwege de globale indruk ervan, niet onmiskenbaar als reclame kon worden herkend, omkleedt de schuldigverklaring van de beklaagde wegens het misdrijf dat bij artikel 23, 5°, Wet handelspraktijken is bepaald, regelmatig met redenen en verantwoordt haar naar recht.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Nr. P.06.0727.F

M. C.,

Mr. Etienne Wéry, advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

1. CALLENS, PIRENNE & CIE, S.C.,

2. METALTEX-BELUX, N.V.,

3. VERBOVEN LOUIS, N.V.,

4. GSPI, N.V.,

5. MONDIA LIEGE, N.V.,

6. FIRME DERWA, N.V.,

7. Mr. Anne-Catherine SCIAMANNA, curator APRI, BVBA,

8. MULTITEL, BVBA,

9. DIAPRINT, N.V.,

10. V. D. M. C.,

11. V.-F. G.,

12. MOUCHETTE L.-LES PHARMACIENS REUNIS,

13. L. J.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 31 maart 2006 gewezen door het Hof van Beroep te Bergen, correctionele kamer.

De eiseres voert drie middelen aan in een memorie waarvan een voor eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvordering :

Over het eerste middel:

De eiseres verwijt het arrest dat het de artikelen 149 van de Grondwet en 23, 5°, van de Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, schendt.

In zoverre het middel de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert wegens het ontoereikend karakter van de motivering, hoewel die bepaling alleen een vormvereiste voorschrijft, zonder verband met de kwaliteit van de redenen, faalt het naar recht.

Het voormelde artikel 23, 5°, verbiedt elke reclame die, vanwege de globale indruk, met inbegrip van de presentatie, niet onmiskenbaar als zodanig kan worden herkend, en die niet leesbaar, goed zichtbaar en ondubbelzinnig de vermelding "reclame" draagt.

Het arrest doet opmerken dat de boodschap aan de verweerders bedrieglijke reclame is. In zoverre vermeldt het met name "dat de algemene indruk die het betwiste stuk als geheel uitstraalt [...] die van een factuur is ; dat het zich namelijk als een te vereffenen factuur voordoet met vermelding van de identiteit van de geadresseerde, een klantnummer en een beknopte beschrijving van de dienst. Het vermeldt de prijs, BTW inbegrepen, en gaat samen met een voorgedrukt en afscheurbaar stortingsformulier [...] ; gelet op die gelijkenissen, zijn de twee vermeldingen die aangeven dat het om een aanbod gaat, te dezen onvoldoende om de aandacht van de geadresseerde te vestigen op het feit dat het reclame en geen factuur betreft".

Door die overwegingen stellen de appelrechters als materieel bestanddeel van het misdrijf vast dat het reclamestuk dat de eiseres had verspreid, door de totaalindruk ervan, niet onmiskenbaar als reclame kon worden herkend.

Zij hebben aldus dienaangaande de schuldigverklaring van de eiseres regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Over het tweede middel:

De eiseres verwijt het arrest dat het de artikelen 149 van de Grondwet en 23, 2°, van de Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, schendt.

In zoverre het middel de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert wegens het ontoereikend karakter van de motivering, ofschoon die bepaling alleen een vormvereiste voorschrijft, zonder verband met de kwaliteit van de redenen, faalt het naar recht.

Het voormelde artikel 23, 2°, verbiedt elke reclame die beweringen, gegevens of voorstellingen bevat die kunnen misleiden omtrent de identiteit, de aard, de samenstelling, de oorsprong, de hoeveelheid, de beschikbaarheid, de wijze en de datum van vervaardiging, of de kenmerken van een dienst.

Nadat de appelrechters hebben vermeld "dat [de eiseres] geenszins een onrechtmatig gebruik van het merk ¿Gele Gids' wordt verweten", kunnen zij, zonder zichzelf tegen te spreken, oordelen dat "het bedrieglijk karakter van de identiteit van de dienstverlener alsook van de aard of de kenmerken van de dienst (vermits de verspreiding van de Gouden Gids van Promedia die van de Gele Gids BE van [de eiseres] ver overschrijdt) [werd] aangetoond door het feit dat talrijke handelaars naar aanleiding hiervan deze met Promedia verwarden".

Zij stellen eveneens dat het "alle aanwijzingen samen zijn en niet de ene of gene afzonderlijk die talrijke consumenten hebben misleid, gaande van de gele kleur van het document, de term Gele Gids, de gelijkenis qua uitzicht met de documenten van Promedia, alsook het identieke bedrag dat werd gevorderd".

Door die overwegingen stellen de appelrechters als materieel bestanddeel van het misdrijf vast dat de beweringen, gegevens of voorstellingen die door de eiseres zijn gebruikt kunnen misleiden omtrent de identiteit, de aard of de kenmerken van de haar aangeboden dienst.

Zij hebben aldus dienaangaande de schuldigverklaring van de eiseres regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve toezicht

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen die door de verweerders zijn ingesteld :

Over het derde middel:

De eiseres voert aan dat het arrest niet antwoordt op haar conclusie waarin zij het bedrag van de schade betwist die door de verweerders is geleden.

Enerzijds had zij aangevoerd dat de dienst hun althans gedeeltelijk werd geleverd.

In zoverre het middel de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, wegens het ontoereikend karakter van de redengeving, ofschoon die bepaling alleen een vormvereiste voorschrijft, zonder verband met de kwaliteit van de redenen, faalt het naar recht.

Voor het overige, door te vermelden "dat het bewezen is dat de [verweerders] het bedrag van 298,87 euro hebben betaald in ruil voor een publicatie in een gids genaamd ¿Gele Gids BE', een dienst die niet als dusdanig werd geleverd ; dat niet is aangetoond, zoals [de eiseres] blijft beweren, dat de betaling door de betrokken [verweerders] gebeurde na ontvangst van de mailing van terechtzetting", beantwoordt het arrest de conclusie van de eiseres en omkleedt het zijn beslissing regelmatig met redenen.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Anderzijds had de eiseres aangevoerd dat aangezien de verweerders BTW-plichtig zijn, de schadevergoeding waarop zij aanspraak konden maken met die heffing diende te worden verminderd.

Het arrest antwoordt met geen enkele overweging op dit verweer.

In zoverre is het middel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres veroordeelt om aan de verweerders een vergoeding, BTW inbegrepen, te betalen.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres in negen tienden en de verweerders in het overige tiende van de kosten.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, de raadsheren Frédéric Close, Paul Mathieu, Benoît Dejemeppe en Jocelyne Bodson, en in openbare terechtzitting van vijfentwintig oktober tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Francis Fischer, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van eerstaanwezend adjunct-griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Benoît Dejemeppe en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,