Hof van Cassatie: Arrest van 26 April 2018 (België). RG C.15.0258.N

Date :
26-04-2018
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20180426-9
Numéro de rôle :
C.15.0258.N

Résumé :

Samenvatting 1

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.

Nr. C.15.0258.N

BELGISCHE MEDEDINGINGSAUTORITEIT, autonome dienst met rechts-persoonlijkheid, afgekort BMa, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, City Atri-um, Vooruitgangsstraat 50,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. TUI TRAVEL BELGIUM nv, met zetel te 8400 Oostende, Gistelsesteen-weg 1,

2. JETAIR nv, met zetel te 8400 Oostende, Gistelsesteenweg 1,

3. JETAIRCENTER nv, met zetel te 1930 Zaventem, Nationale Luchthaven van Brussel 40, bus 2,

eerste, tweede en derde verweersters,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Bergstraat 11, waar de verweersters woonplaats kiezen,

4. BCD TRAVEL BELGIUM nv, met zetel te 2600 Antwerpen (Berchem), Posthoflei 3,

vierde verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest,

5. BELGIAN TRAVEL ORGANISATION, beroepsvereniging, met zetel te 1930 Zaventem, Imperiastraat 10,

vijfde verweerster,

6. CWT BELGIUM bvba, met zetel te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, Wolu-wedal 46,

zesde verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest,

7. GLOBAL BUSINESS TRAVEL bvba, met zetel te 1932 Sint-Stevens-Woluwe, Lenneke Marelaan 6,

zevende verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149/20, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 18 februari 2015.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 19 februari 2018 een schriftelij-ke conclusie neergelegd.

Sectievoorzitter Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Artikel 773, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter op stuk-ken uitspraak doet over het verzoek tot heropening van het debat wegens de ont-dekking gedurende het beraad van een nieuw stuk of feit van overwegend belang.

Noch artikel 6.1 EVRM, noch het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor het recht van verdediging, vereist dat de rechter die van oordeel is afwijzend te moeten beschikken over een dergelijk verzoek, de verzoeker hiervan vooraf kennis geeft teneinde hem toe te laten verweer te voeren omtrent de redenen op grond waarvan de rechter het verzoek meent te moeten afwijzen.

2. Het arrest stelt vast dat de eiseres op 29 december 2014 een verzoekschrift heeft ingediend tot heropening van het debat teneinde haar opmerkingen te kun-nen meedelen over een nieuw stuk dat ze van overwegend belang acht, te weten het arrest dat het Grondwettelijk Hof op 10 december 2014 heeft uitgesproken en waarbij een verzoek tot vernietiging van artikel IV.79, § 1, tweede lid, Wetboek van Economisch Recht wordt verworpen.

Het oordeelt vervolgens dat:

- het voormelde arrest geen interpretatieve evolutie inhoudt ten aanzien van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof die al bekend was op het ogenblik waarop de zaak in beraad werd genomen;

- de overweging (punt B.8.2) van het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 179/2014 van 10 december 2014 aansluit bij hetgeen het Grondwettelijk Hof al oordeelde in het arrest nr. 197/2011 van 22 december 2011 (punt B.11), inzon-derheid op het punt van de jurisdictionele toetsingsprocedure inzake de regel-matigheid van een beslissing tot het nemen van bepaalde onderzoeksmaatrege-len en de mogelijkheid om een gepast herstel te bieden dat elk nadelig gevolg teniet doet, wanneer een onregelmatigheid wordt vastgesteld.

3. Door op deze gronden te oordelen dat het aangevoerde arrest geen nieuw en ter zake dienend feit vormt dat de heropening van het debat wettigt, zonder de ei-seres toe te laten verweer te voeren over de invloed van dit arrest op de voorlig-gende procedure, schendt het arrest noch voornoemde verdragsbepaling noch miskent het voormeld algemeen rechtsbeginsel.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

4. Artikel 15 Grondwet bepaalt dat de woning onschendbaar is. Geen huiszoe-king kan plaats hebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.

Artikel 8.1 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

Krachtens artikel 8.2 EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag toege-staan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de be-scherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de be-scherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

5. Uit voormeld artikel 15 Grondwet en de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de bescherming die deze bepaling biedt, niet verder reikt dan de bescherming onder artikel 8 EVRM.

Het onderdeel dat geheel van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

(...)

Derde middel

6. Artikel 15 Grondwet bepaalt dat de woning onschendbaar is. Geen huiszoe-king kan plaats hebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.

Artikel 8.1 EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé le-ven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Krachtens het tweede lid van deze bepaling is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

7. Artikel IV.79, § 1, tweede lid, Wetboek van Economisch Recht bepaalt dat na de mededeling van de grieven bedoeld in artikel IV.42, § 4, en artikel IV.59, eerste lid, bij het hof van beroep te Brussel ook beroep kan worden aangetekend tegen beslissingen van het auditoraat betreffende het aanwenden in het onderzoek van de in het kader van een huiszoeking zoals bedoeld in artikel IV.41, § 3, vierde lid, verkregen gegevens, voor zover deze gegevens daadwerkelijk zijn gebruikt voor het staven van de grieven.

8. In zijn arrest van 10 december 2014, nr. 179/2014, heeft het Grondwettelijk Hof een beroep tot vernietiging verworpen van de artikelen 11 tot 13 van de Wet van 3 april 2013 houdende invoeging van de bepalingen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, in boek IV "Bescherming van de mededinging" en boek V "De mededinging en de prijsevoluties" van het Wet-boek van Economisch Recht, die artikel IV.79 hebben ingevoegd in het Wetboek van Economisch Recht.

Het Grondwettelijk Hof heeft in dit arrest, ter bevestiging van zijn arrest van 22 december 2011, nr. 197/2011 (r.o. B.11), geoordeeld dat de rechten die gewaar-borgd zijn bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, impli-ceren dat, wat betreft de huiszoekingen, de betrokkenen binnen een redelijke ter-mijn een daadwerkelijke jurisdictionele toetsing, zowel in feite als in rechte, kun-nen verkrijgen van de regelmatigheid van de beslissing waarbij de maatregel is voorgeschreven en, in voorkomend geval, van de maatregelen die op grond van die beslissing zijn genomen. Die toetsingsprocedure moet het, in geval van vast-stelling van een onregelmatigheid, mogelijk maken hetzij te voorkomen dat de handeling plaatsvindt, hetzij, indien zij reeds heeft plaatsgevonden, de betrokke-nen een gepast herstel te bieden.

Het Grondwettelijk Hof heeft in dit arrest geoordeeld dat het aan het hof van be-roep staat erover te waken dat geen enkel gegeven dat onwettig is verkregen, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks kan worden gebruikt ter ondersteuning van de grieven (r.o. B.8.2).

9. Krachtens artikel 9, § 2, Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grond-wettelijk Hof, zijn de door het Grondwettelijk Hof gewezen arresten waarbij be-roepen tot vernietiging verworpen worden, bindend voor de rechtscolleges wat de door die arresten beslechte rechtspunten betreft.

10. Het arrest oordeelt dat:

- de verweersters de voorliggende vorderingen hebben ingesteld met toepassing van artikel IV.79, § 1, tweede lid, Wetboek van Economisch Recht, tegen de e-mail van de Auditeur-generaal van 9 oktober 2013 die bevestigde dat de sa-menstelling van het onderzoekdossier ongewijzigd is gebleven;

- deze vorderingen wezenlijk de vraag betreffen of de betrokken ondernemingen tijdens de administratieve procedure voor het Mededingingscollege zich be-wijsmateriaal moeten laten tegenwerpen dat dankzij de schending van een sub-jectief grondrecht werd verkregen en derhalve van nature uit onwettig is;

- de geschonden grondwettelijke norm de onschendbaarheid van de woning be-oogt te verzekeren;

- mocht die onschendbaarheid gerespecteerd zijn gebleven volgens de grondwet-telijke norm, de bezwarende feitelijke gegevens niet verzameld konden wor-den;

- de onregelmatigheid dus de vrijheid zelf betreft die door de miskende norm wordt beschermd;

- die miskenning verder een onomkeerbaar gevolg heeft: de huiszoekingen zijn voltrokken; ze kunnen niet worden teruggeschroefd en evenmin worden over-gedaan;

- wanneer ten tijde van de huiszoekingen een rechtsgang had kunnen worden ge-opend tegen beslissingen van het Korps van Verslaggevers, waarbij om de toe-passing van artikel 19, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek kon worden verzocht, had kunnen worden voorkomen dat de gegevens uit die huiszoekingen werden gebruikt;

- alle ongrondwettig verzamelde gegevens inmiddels evenwel verwerkt zijn in de mededeling van de grieven.

11. Op die gronden oordeelt het arrest onaantastbaar dat een passend herstel dat elk nadelig gevolg teniet doet, slechts kan worden verleend door de bij en op grond van de huiszoekingen verzamelde gegevens te weren uit het onderzoekdos-sier. Door aldus ervoor te waken dat geen enkel gegeven dat onwettig is verkre-gen, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks kan worden gebruikt ter ondersteu-ning van de grieven, verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht, zonder schending van de aangevoerde wetsbepalingen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 2.065,63 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Alain Smetryns, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 26 april 2018 uitgesproken door sectievoorzitter Alain Smetryns, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe.

V. Van de Sijpe K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué K. Mestdagh A. Smetryns