Nous sommes très heureux de voir que vous aimez notre plateforme ! En même temps, vous avez atteint la limite d'utilisation... Inscrivez-vous maintenant pour continuer.
Hof van Cassatie: Arrest van 26 Januari 2001 (België). RG C990273N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20010126-5
- Numéro de rôle :
- C990273N
Résumé :
De belasting over de toegevoegde waarde wordt geheven tegen het tarief van 6% voor werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen voor zover de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen : wanneer de afnemer derhalve niet kenbaar maakt dat hij kan genieten van het verlaagd tarief, wordt bij de facturatie het normaal BTW-tarief toegepast.
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Nr. C.99.0273.N
OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN DE STAD BILZEN, op vervolging en benaarstiging van zijn ontvanger, de heer A. Thijssen, met burelen te 3740 Bilzen, Hospitaalstraat 15,
eiser tot cassatie van een arrest, op 20 oktober 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen,
vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
INSTALLATIE TECHNIEK PESCH, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 3840 Borgloon, Opleeuwstraat 9, ingeschreven in het handelsregister te Tongeren, nummer 55.698,
verweerster in cassatie,
vertegenwoordigd door mr. René Bützler, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1083 Ganshoren, de Villegaslaan 33-34, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
HET HOF,
Gehoord het verslag van voorzitter Verougstraete en op de conclusie van advocaat-generaal Goeminne;
Gelet op het bestreden arrest, op 20 oktober 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 77, §1, 1°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, 1 en 9, §1, van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde, rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de Belasting over de Toegevoegde Waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven,
doordat het Hof van Beroep te Antwerpen enerzijds beslist dat verweerster geen vordering tot teruggaaf overeenkomstig artikel 77, § 1 , 1°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde kon indienen omdat niet aan alle wettelijke voorwaarden daartoe zou zijn voldaan, en anderzijds beslist dat eiser zelf over de mogelijkheid beschikte om teruggaaf te vorderen van de onverschuldigd betaalde BTW en op die grond het beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaart, eisers vordering bijgevolg ongegrond verklaart en hem tevens verwijst in de kosten, op grond van de volgende redengeving :
"(...) dat te dezen uit het onderzoek van de overgelegde gegevens en van de door partijen verstrekte toelichting in conclusies, duidelijk blijkt dat bij de opstelling van de kwestieuze facturen geen vergissing werd begaan, alsook dan de alsdan geheven belasting (17 pct.) wettelijk was verschuldigd;
Dat immers (eiser) op geen enkel ogenblik aan (verweerster) heeft kenbaar gemaakt dat hij kon genieten van het verlaagde tarief van 6 pct., zodat (verweerster) volkomen gerechtigd en zelfs verplicht - was het wettelijk voorziene tarief van 17 pct. in rekening te brengen;
Dat dit verzuim van (eiser) dan ook niet als een vergissing in de factuur kan worden aangemerkt, en evenmin vermag te doen besluiten dat in tempore non suspecto een hogere belasting dan werkelijk verschuldigd werd betaald;
(...) dat, gelet op wat voorafgaat, (verweerster) niet vermocht een verzoek of vordering tot teruggave van de kwestieuze som in te stellen t.a.v. de Belgische Staat, daar niet was voldaan aan de door de wet voorgeschreven voorwaarden;
Dat dan ook (eiser) onterecht aanvoert dat (verweerster) in gebreke is gebleven de op haar rustende verplichting tot vordering van teruggave in te stellen, en zodoende geen gronden heeft om van (verweerster) de terugbetaling van de som van 663.339 BEF te eisen;
Dat bovendien (eiser) geheel uit het oog verliest dat hijzelf over de mogelijkheid beschikt om teruggave der onverschuldigd betaalde sommen te vorderen, zoals vastgesteld in artikel 9, § 1, van het KB nr. 4 van 20 december 1969; dat hij dan ook niet gerechtigd is zijn eigen nalatigheden af te wentelen op (verweerster)",
terwijl, eerste onderdeel, aan degene die de BTW aan de Staat heeft voldaan, krachtens artikel 77, § 1, 1°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde en artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde, teruggaaf verleend wordt van de BTW, die het bedrag dat wettelijk verschuldigd is te boven gaat;
deze teruggaaf ondermeer mogelijk is wanneer een vergissing is begaan bij het factureren, en er van dergelijke vergissing ondermeer sprake is bij de toepassing van een onjuist tarief;
in onderhavig geval niet betwist is dat eiser aan alle grondvoorwaarden voldeed voor de toepassing van het verlaagd BTW-tarief van 6 pct., en het hof van beroep dit ook zo stelt in het arrest in de volgende bewoordingen :
"(...) dat evenwel achteraf - n.a.v. een BTW-controle - bleek dat (eiser) m.b.t. de kwestieuze werken gerechtigd was zich te beroepen op de bepalingen van het KB nr. 20 van 20 juli 1970, en slechts gehouden was op de verschuldigde prijzen een bedrag aan BTW t.b.v. 6 pct. te betalen;
Dat derhalve vaststaat, en niet wordt betwist, dat (eiser) in feite het bedrag van 663.339 BEF teveel aan BTW aan (verweerster) heeft betaald",
het hof van beroep dienvolgens, na te hebben vastgesteld dat in casu aan alle grondvoorwaarden voldaan was voor de toepassing van het verlaagd BTW-tarief, niets anders kon dan te oordelen dat een loutere vergissing was begaan bij het factureren, namelijk de toepassing van een onjuist tarief, en dat verweerster derhalve teruggaaf kon vragen van de teveel betaalde BTW,
het hof van beroep derhalve, door aan te nemen dat bij het opstellen van de facturen geen vergissing werd begaan, zodat niet voldaan was aan de wettelijk voorgeschreven voorwaarden voor het recht op teruggaaf, de regels inzake teruggaaf miskent (schending van artikel 77, § 1, 1°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde, rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de Belasting over de Toegevoegde Waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven);
terwijl, tweede onderdeel, de teruggaaf ingesteld bij artikel 77, § 1, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde wordt verleend aan degene die de belasting aan de Staat heeft voldaan;
de belasting aan de Staat werd voldaan door verweerster en niet door eiser;
het hof van beroep verkeerdelijk oordeelt dat eiser overeenkomstig artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde zelf over de mogelijkheid beschikte om teruggaaf van de onverschuldigd betaalde BTW te vragen;
artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking, tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde immers enkel de teruggaaf procedure regelt voor bepaalde rechthebbenden op teruggaaf en zelf geenszins deze rechthebbenden aanwijst, het hof van beroep derhalve, door te stellen dat eiser zelf over de mogelijkheid beschikte om teruggaaf van de onverschuldigd betaalde BTW te vorderen, de regels inzake teruggaaf miskent (schending van artikel 1 en artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde) :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat, anders dan het onderdeel aanvoert, de appèlrechter niet vaststelt dat voldaan was aan alle grondvoorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6 pct.; dat de appèlrechter integendeel vaststelt dat op het ogenblik van de facturatie eiser op geen enkele wijze kenbaar had gemaakt dat hij kon genieten van een verlaagd tarief;
Overwegende dat, krachtens rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, de door de dienstverlener uitgereikte facturen en het dubbel dat hij bewaart, op grond van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen;
Dat hieruit volgt dat als de afnemer "op geen enkele wijze kenbaar maakt" dat hij kan genieten van het verlaagd tarief, omstandigheid die de appèlrechter bewezen acht, de dienstverlener niet bij vergissing het normaal BTW-tarief bij de facturatie toepast;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat het arrest zijn oordeel dat verweerster de betaalde belasting voor een deel niet kon terugvorderen, baseert op de in het eerste onderdeel vergeefs bestreden reden dat te dezen verweerster geen vergissing had begaan gelet op het tekortschieten van eiser in zijn informatieplicht;
Dat de reden dat eiser zelf over de mogelijkheid beschikte om de terugbetaling te vragen, een overtollige reden is;
Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
De kosten begroot op de som van zesentwintigduizend zevenhonderd veertien frank jegens de eisende partij en op de som van zesduizend honderd eenenveertig frank jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Verougstraete, de raadsheren Bourgeois, Goethals, Londers, Dirix, en in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend en een uitgesproken door voorzitter Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Goeminne, met bijstand van griffier Van Geem.
OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN DE STAD BILZEN, op vervolging en benaarstiging van zijn ontvanger, de heer A. Thijssen, met burelen te 3740 Bilzen, Hospitaalstraat 15,
eiser tot cassatie van een arrest, op 20 oktober 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen,
vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
INSTALLATIE TECHNIEK PESCH, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 3840 Borgloon, Opleeuwstraat 9, ingeschreven in het handelsregister te Tongeren, nummer 55.698,
verweerster in cassatie,
vertegenwoordigd door mr. René Bützler, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1083 Ganshoren, de Villegaslaan 33-34, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.
HET HOF,
Gehoord het verslag van voorzitter Verougstraete en op de conclusie van advocaat-generaal Goeminne;
Gelet op het bestreden arrest, op 20 oktober 1998 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 77, §1, 1°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, 1 en 9, §1, van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde, rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de Belasting over de Toegevoegde Waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven,
doordat het Hof van Beroep te Antwerpen enerzijds beslist dat verweerster geen vordering tot teruggaaf overeenkomstig artikel 77, § 1 , 1°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde kon indienen omdat niet aan alle wettelijke voorwaarden daartoe zou zijn voldaan, en anderzijds beslist dat eiser zelf over de mogelijkheid beschikte om teruggaaf te vorderen van de onverschuldigd betaalde BTW en op die grond het beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaart, eisers vordering bijgevolg ongegrond verklaart en hem tevens verwijst in de kosten, op grond van de volgende redengeving :
"(...) dat te dezen uit het onderzoek van de overgelegde gegevens en van de door partijen verstrekte toelichting in conclusies, duidelijk blijkt dat bij de opstelling van de kwestieuze facturen geen vergissing werd begaan, alsook dan de alsdan geheven belasting (17 pct.) wettelijk was verschuldigd;
Dat immers (eiser) op geen enkel ogenblik aan (verweerster) heeft kenbaar gemaakt dat hij kon genieten van het verlaagde tarief van 6 pct., zodat (verweerster) volkomen gerechtigd en zelfs verplicht - was het wettelijk voorziene tarief van 17 pct. in rekening te brengen;
Dat dit verzuim van (eiser) dan ook niet als een vergissing in de factuur kan worden aangemerkt, en evenmin vermag te doen besluiten dat in tempore non suspecto een hogere belasting dan werkelijk verschuldigd werd betaald;
(...) dat, gelet op wat voorafgaat, (verweerster) niet vermocht een verzoek of vordering tot teruggave van de kwestieuze som in te stellen t.a.v. de Belgische Staat, daar niet was voldaan aan de door de wet voorgeschreven voorwaarden;
Dat dan ook (eiser) onterecht aanvoert dat (verweerster) in gebreke is gebleven de op haar rustende verplichting tot vordering van teruggave in te stellen, en zodoende geen gronden heeft om van (verweerster) de terugbetaling van de som van 663.339 BEF te eisen;
Dat bovendien (eiser) geheel uit het oog verliest dat hijzelf over de mogelijkheid beschikt om teruggave der onverschuldigd betaalde sommen te vorderen, zoals vastgesteld in artikel 9, § 1, van het KB nr. 4 van 20 december 1969; dat hij dan ook niet gerechtigd is zijn eigen nalatigheden af te wentelen op (verweerster)",
terwijl, eerste onderdeel, aan degene die de BTW aan de Staat heeft voldaan, krachtens artikel 77, § 1, 1°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde en artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde, teruggaaf verleend wordt van de BTW, die het bedrag dat wettelijk verschuldigd is te boven gaat;
deze teruggaaf ondermeer mogelijk is wanneer een vergissing is begaan bij het factureren, en er van dergelijke vergissing ondermeer sprake is bij de toepassing van een onjuist tarief;
in onderhavig geval niet betwist is dat eiser aan alle grondvoorwaarden voldeed voor de toepassing van het verlaagd BTW-tarief van 6 pct., en het hof van beroep dit ook zo stelt in het arrest in de volgende bewoordingen :
"(...) dat evenwel achteraf - n.a.v. een BTW-controle - bleek dat (eiser) m.b.t. de kwestieuze werken gerechtigd was zich te beroepen op de bepalingen van het KB nr. 20 van 20 juli 1970, en slechts gehouden was op de verschuldigde prijzen een bedrag aan BTW t.b.v. 6 pct. te betalen;
Dat derhalve vaststaat, en niet wordt betwist, dat (eiser) in feite het bedrag van 663.339 BEF teveel aan BTW aan (verweerster) heeft betaald",
het hof van beroep dienvolgens, na te hebben vastgesteld dat in casu aan alle grondvoorwaarden voldaan was voor de toepassing van het verlaagd BTW-tarief, niets anders kon dan te oordelen dat een loutere vergissing was begaan bij het factureren, namelijk de toepassing van een onjuist tarief, en dat verweerster derhalve teruggaaf kon vragen van de teveel betaalde BTW,
het hof van beroep derhalve, door aan te nemen dat bij het opstellen van de facturen geen vergissing werd begaan, zodat niet voldaan was aan de wettelijk voorgeschreven voorwaarden voor het recht op teruggaaf, de regels inzake teruggaaf miskent (schending van artikel 77, § 1, 1°, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde, rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de Belasting over de Toegevoegde Waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven);
terwijl, tweede onderdeel, de teruggaaf ingesteld bij artikel 77, § 1, van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde wordt verleend aan degene die de belasting aan de Staat heeft voldaan;
de belasting aan de Staat werd voldaan door verweerster en niet door eiser;
het hof van beroep verkeerdelijk oordeelt dat eiser overeenkomstig artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde zelf over de mogelijkheid beschikte om teruggaaf van de onverschuldigd betaalde BTW te vragen;
artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking, tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde immers enkel de teruggaaf procedure regelt voor bepaalde rechthebbenden op teruggaaf en zelf geenszins deze rechthebbenden aanwijst, het hof van beroep derhalve, door te stellen dat eiser zelf over de mogelijkheid beschikte om teruggaaf van de onverschuldigd betaalde BTW te vorderen, de regels inzake teruggaaf miskent (schending van artikel 1 en artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggave inzake Belasting over de Toegevoegde Waarde) :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat, anders dan het onderdeel aanvoert, de appèlrechter niet vaststelt dat voldaan was aan alle grondvoorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6 pct.; dat de appèlrechter integendeel vaststelt dat op het ogenblik van de facturatie eiser op geen enkele wijze kenbaar had gemaakt dat hij kon genieten van een verlaagd tarief;
Overwegende dat, krachtens rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, de door de dienstverlener uitgereikte facturen en het dubbel dat hij bewaart, op grond van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen;
Dat hieruit volgt dat als de afnemer "op geen enkele wijze kenbaar maakt" dat hij kan genieten van het verlaagd tarief, omstandigheid die de appèlrechter bewezen acht, de dienstverlener niet bij vergissing het normaal BTW-tarief bij de facturatie toepast;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat het arrest zijn oordeel dat verweerster de betaalde belasting voor een deel niet kon terugvorderen, baseert op de in het eerste onderdeel vergeefs bestreden reden dat te dezen verweerster geen vergissing had begaan gelet op het tekortschieten van eiser in zijn informatieplicht;
Dat de reden dat eiser zelf over de mogelijkheid beschikte om de terugbetaling te vragen, een overtollige reden is;
Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
De kosten begroot op de som van zesentwintigduizend zevenhonderd veertien frank jegens de eisende partij en op de som van zesduizend honderd eenenveertig frank jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Verougstraete, de raadsheren Bourgeois, Goethals, Londers, Dirix, en in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend en een uitgesproken door voorzitter Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Goeminne, met bijstand van griffier Van Geem.