Hof van Cassatie: Arrest van 26 Mei 2006 (België). RG C050150F
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20060526-4
- Numéro de rôle :
- C050150F
Résumé :
Het Hof van cassatie dient geen vraag, die tot staving van de grief van schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt voorgesteld, aan het Arbitragehof te stellen, wanneer het middel geen onderscheid aanklaagt dat wordt gemaakt tussen verschillende rechtsonderhorigen of categorieën van rechtsonderhorigen die zich in dezelfde juridische toestand bevinden maar wel tussen hen die zich in een andere juridische toestand bevinden, met name tussen, enerzijds, echtgenoten waarvan slechts één titularis van de huurovereenkomst van het goed dat als hoofdverblijfplaats van het gezin dient, en, anderzijds, echtgenoten die samen titularis zijn van die huurovereenkomst.
Arrêt :
1. C. C.,
2. S. J.,
Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
d. L. S.,
Mr. Lucien Simont, advoaat bij het Hof van Cassatie.
RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis, op 8 december 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel.
Afdelingsvoorzitter Philippe Echement heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.
CASSATIEMIDDELEN
De eisers voeren in hun verzoekschrift één middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet;
artikel 215, ,§,§ 1 en 2, en, voor zoveel als nodig, 4, van het Burgerlijk Wetboek;
de artikelen 12.3 en 12.8 van de wet van 4 november 1969 ingevoegd in het Burgerlijk Wetboek en houdende de regels betreffende de pacht in het bijzonder, gewijzigd bij de wet van 7 november 1988;
artikel 26, ,§2, van de bijzondere wet op het Arbitragehof, gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003;
artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek;
algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging.
Aangevochten beslissingen
Het bestreden vonnis bevestigt het beroepen vonnis en zegt dat verweersters rechtsvordering ontvankelijk en gegrond is en dat de opzegging die op 19 juli 2001 aan eiser is gedaan goed en geldig is, op grond van alle redenen die hier geacht worden te zijn weergegeven en inzonderheid op grond van de overweging "dat het vaststaat dat (eiser) op het ogenblik van zijn huwelijk met (eiseres) in 1981 de enige titularis was van de bewuste pachtovereenkomst en dat de litigieuze opzegging niet aan (eiseres) ter kennis is gebracht;
dat er geen enkele wettelijke grondslag is om te stellen dat de regelmatigheid van die opzegging niet voor het eerst in hoger beroep kan worden betwist; dat met betrekking tot dat geschil, artikel 251 van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat het recht op de huur van het onroerend goed dat een der echtgenoten gehuurd heeft, zelfs voor het huwelijk, en dat het gezin geheel of gedeeltelijk tot voornaamste woning dient, aan beide echtgenoten gezamenlijk behoort, niettegenstaande enige hiermede strijdige overeenkomst, en dat met name bepaalt dat de opzeggingen 'aan elk der echtgenoten afzonderlijk' ter kennis moeten worden gebracht, evenwel vermeldt dat die bepalingen 'niet van toepassing zijn op handelshuurovereenkomsten, noch op pachtcontracten'; dat in die omstandigheden (eiseres) louter door haar huwelijk geen pachter werd met alle aan de bewuste pachtovereenkomst verbonden rechten en verplichtingen (...); dat moet worden geoordeeld dat die hoedanigheid evenwel in onderling overleg kan worden toegekend aan een nieuwe medepachter tijdens de pachtovereenkomst, gelet op de wettelijke mogelijkheid om die pacht met toestemming van de verpachter geheel of gedeeltelijk over te dragen; dat te dezen geen enkele geschreven pachtovereenkomst of overeenkomst van pachtoverdracht wordt overgelegd ten bewijze dat (eiseres) de aangevoerde hoedanigheid van pachter zou bezitten; dat artikel 3 van de Pachtwet bepaalt dat bij ontstentenis van een dergelijk geschrift, of wanneer een anders geformuleerd geschrift bestaat, degene die een landeigendom exploiteert het bewijs kan leveren van het bestaan van een pacht en van de pachtvoorwaarden door alle middelen, met inbegrip van getuigen en vermoedens; dat dienaangaande moet worden overwogen dat het bewijs van een pachtovereenkomst kan worden afgeleid uit feitelijke omstandigheden, die aantonen dat de betrokken partijen de wezenlijke verplichtingen hebben uitgevoerd van een dergelijke pacht die, volgens artikel 1, 1°, van de Pachtwet impliceert, dat het gepachte goed door de pachter hoof
dzakelijk gebruikt wordt voor zijn landbouwbedrijf;
dat een dergelijke vaststaande pachtovereenkomst voor de uitbreiding van de rechten en verplichtingen ervan tot derden, zoals de echtgenoot van de pachter, zodat het goed door twee pachters samen wordt gepacht, bovendien een vaststaande akkoord tussen alle betrokken partijen impliceert; dat in die omstandigheden en bij ontstentenis van een geschrift, het toekennen van de hoedanigheid van pachter aan (eiseres) impliceert dat wordt aangetoond dat zij persoonlijk het goed exploiteert en dat de partijen akkoord gaan om haar in die pachtovereenkomst als pachter te erkennen; dat in die zin kan worden vastgesteld dat de (eisers) in 1982 samen een krediet voor de aankoop van een tractor hebben aangegaan; dat de genoemde echtgenoten op 20 januari 1990 ook samen een pachtovereenkomst hebben gesloten voor een totale oppervlakte van meer dan 5 hectaren grond; dat de vader van (verweerster), die toen verpachter was, verschillende aanvragen tot betaling van de pachtprijs aan de beide betrokken echtgenoten heeft gestuurd; dat met uitzondering van de ondertekening van leveringsdocumenten, geen enkel stuk evenwel aangeeft hoe de echtgenote van (eiser), die licentiate in de rechten is, sedert hun huwelijk in 1981 precies aan de betrokken landbouwexploitatie deelneemt; dat er geen enkel bewijs is dat die echtgenote (eiseres) een bepaalde landbouwactiviteit uitoefent, terwijl het wel waarschijnlijk is dat zij aan die activiteit deelneemt op het gebied van de administratie en het onderhoud; dat, hoe dan ook, uit de hoedanigheid van meewerkende echtgenoot alleen geen persoonlijke exploitatie van het goed kan worden afgeleid; dat gelet op de feitelijke en juridische werkelijkheid van een gehuwd koppel, de omstandigheid dat beide echtgenoten sinds hun huwelijk samen aan de hoevewerkzaamheden deelnemen en dat de aanvragen tot betaling van de pachtprijs aan beide echtgenoten samen zijn gericht, onder de benaming 'de Heer en Mevrouw C. K.', evenmin volstaat om met zekerheid aan te tonen dat de hoedanigheid van medecontractant van de ene echtgenoot wordt uitgebreid tot de andere; dat er dienaangaande geen aanwijzingen zijn dat (eiser) ten voordele van zijn echtgenote afstand heeft gedaan van zijn recht om alleen te kunnen beschikken over de rechten uit de bewuste pachtovereenkomst; dat integendeel uit een notariële akte van 26 februari 1990 blijkt dat de betrokken echtgenoten onder een stelsel van volledige scheiding van goederen zijn gehuwd; dat (eiser) zelf een verklaring bij de P.A.C. uit 2001 overlegt die alleen in zijn naam is gedaan en waarin de naam van zijn echtgenote niet wordt vermeld; dat dienaangaande moet wordt vastgesteld dat, met toepassing van de artikelen 216 en 217 van het Burgerlijk Wetboek, en behoudens beroep,'iedere echtgenoot het recht heeft een beroep uit te oefenen zonder de instemming van de andere echtgenoot', dat 'iedere echtgenoot zijn inkomsten alleen ontvangt' en dat hij, zelfs al moet hij ze bij voorrang aan zijn bijdrage in de lasten van het huwelijk besteden, 'het overschot kan besteden voor de aanschaf van goederen in zoverre dit verantwoord is voor de uitoefening van zijn beroep; die goederen staan uitsluitend onder zijn bestuur'; dat in feite moet worden vastgesteld dat (eiseres) voor de eerste rechter niet is tussengekomen als pachter en dat (eiser) zelf die hoedanigheid evenmin heeft aangevoerd om de regelmatigheid te betwisten van de litigieuze opzegging die alleen aan hem werd gedaan; dat in het licht van al die omstandigheden niet is aangetoond dat de landbouwexploitatie van (eiser) in gemeenschap werd gebracht, en evenmin dat de betwiste pacht tot zijn echtgenote werd uitgebreid zodat zij medepachter is geworden; dat de (eisers) in die omstandigheden teve
rgeefs de regelmatigheid betwisten van de litigieuze opzegging gelet op het voorschrift van artikel 12.3 van de Pachtwet dat vereist dat indien verscheidene pachters het goed gemeenschappelijk pachten, van de opzegging kennis moet gegeven worden aan al degenen die het goed exploiteren, wat ten deze niet het geval is; dat de (eisers) evenwel van mening zijn dat de betwiste opzegging toch ter kennis van beide echtgenoten had moeten worden gebracht met toepassing van het tweede lid van artikel 215, ,§2, van het Burgerlijk Wetboek en dat in dat verband een verschillende behandeling bij de bescherming van de gezinswoning in geval van pacht niet verantwoord is, zodat zij in voorkomend geval vragen dat aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag wordt gesteld in zoverre de betrokken wetsbepalingen 'geenszins de kennisgeving van de opzegging aan de echtgenoten afzonderlijk vereisen, zelfs niet in de onderstelling dat een gebouw dat als hoofdverblijfplaats voor de exploitant en zijn gezin dient tot de pachtovereenkomst behoort'; dat dienaangaande onmiddellijk erop moet worden gewezen dat de algemene wettelijke verplichting dat de opzegging afzonderlijk ter kennis van de echtgenoten moet worden gebracht, volgens artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek alleen geldt voor een huurovereenkomst waarvan het recht aan beide echtgenoten gezamenlijk toebehoort met toepassing van het eerste lid van dat artikel en dus ten aanzien van twee echtgenoten die beiden als medehuurders worden beschouwd; dat het hoofdzakelijk professioneel karakter van een pachtovereenkomst waarin de huisvesting van de pachter niet de voornaamste doelstelling is en voor een landbouwactiviteit waarmee de mede-echtgenoot helemaal niets te maken kan hebben, duidelijk volstaat om een behandeling te verantwoorden die verschilt van het gemene recht dat van toepassing is op de huurovereenkomst voor de hoofdverblijfplaats van de huurder, in zoverre die gezamenlijk aan de echtgenoten toebehoort niettegenstaande elke andersluidende overeenkomst, met toepassing van artikel 215, ,§2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek; dat met toepassing van artikel 26, ,§2, derde lid, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, dienaangaande geen enkele prejudiciële vraag gerechtvaardigd is; dat de (eisers) ten deze overigens niet vragen dat een prejudiciële vraag zou worden gesteld met betrekking tot het recht op de pachtovereenkomst waarop de echtgenoot van de pachter in een pachtovereenkomst geen aanspraak kan maken wegens de uitsluiting die is bepaald in het vierde lid van artikel 215, ,§2, van het Burgerlijk Wetboek, maar een dergelijke vraag slechts op een meer specifieke manier wensen gesteld te zien aangezien zij blijkbaar van oordeel zijn dat er een wettelijke bescherming van de gezinswoning zou bestaan die in het algemeen vereist dat de opzegging moet worden ter kennis gebracht van de echtgenoten afzonderlijk wanneer het gehuurde goed een gebouw omvat dat als hoofdverblijfplaats dient voor de huurder en zijn gezin, niet alleen wanneer de huurovereenkomst hetzij contractueel, hetzij met toepassing van artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek of van een andere wetsbepaling, aan beide echtgenoten toebehoort, wat hier niet het geval is, maar ook wanneer de echtgenoot geen medehuurder is; dat (verweerster) dienaangaande terecht opmerkt dat "rechtens vanzelfsprekend een opzegging alleen gericht moet zijn aan de medecontractant, met uitsluiting van elke derde" (...), dat met betrekking tot het ontbreken van kennisgeving aan een echtgenoot die geen huurder is, erop dient te worden gewezen dat een dergelijke kennisgeving te zijnen aanzien geen contractuele uitwerking zou hebben, aangezien zij betrekking zou hebben op een huurovereenkomst die contractueel enkel verbi
ndend is voor haar echtgenoot, maar enkel tot doel zou hebben die echtgenoot, die geen huurder is, op de hoogte te brengen van een juridisch feit zodat hij zijn eventuele rechten en belangen kan doen gelden; dat de onregelmatigheid in die omstandigheden als louter vormelijk zou kunnen worden beschouwd als de echtgenoot die geen huurder is van de bewuste kennisgeving op een andere wijze op de hoogte wordt gebracht en zou rekening moeten worden gehouden met artikel 12.8 van de Pachtwet, waarin wordt bepaald dat 'een opzegging die naar de vorm onregelmatig verklaard zou moeten worden, door de rechter toch geldig kan worden verklaard indien de betrokken onregelmatigheid geen twijfel kan doen rijzen over de aard of de ernst van de opzegging door de pachter, noch over de identiteit van de persoon in wiens voordeel de opzegging wordt verricht', wat niet wordt betwist; dat dienaangaande moet worden vastgesteld dat de niet uit de echt gescheiden echtgenote van (eiser) nooit heeft aangevoerd dat zij niet was ingelicht en dat zij thans door haar vrijwillige tussenkomst haar rechten of belangen verdedigt en niet beweert dat zij niet onmiddellijk op de hoogte was van de kennisgeving die aan haar echtgenoot werd gedaan noch van de daaraan voorafgaande informele stappen; dat de formele onregelmatigheid alleen, te weten het ontbreken van kennisgeving ter informatie, bijgevolg in dit geval de litigieuze geldigverklaring niet in de weg kan staan; dat in die omstandigheden, zelfs een positief antwoord op de voorgestelde prejudiciële vraag in dit geval geen invloed zou hebben op de geldigheid van de litigieuze opzegging met betrekking tot de eventueel aldus vastgestelde onregelmatigheid; dat (verweerster) dienaangaande terecht van mening is dat de prejudiciële vraag van de (eisers) 'niet ter zake dienend is doordat de oplossing van het geschil niet afhangt van het eventuele antwoord van het Arbitragehof' (...); dat derhalve volgens artikel 26, ,§2, derde lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, in die omstandigheden geen prejudiciële vraag aan het Arbitragehof dient te worden gesteld".
Grieven
Eerste onderdeel
Artikel 215, ,§2, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het recht op de huur van het onroerend goed dat een der echtgenoten gehuurd heeft, zelfs voor het huwelijk, en dat het gezin geheel of gedeeltelijk tot voornaamste woning dient, aan beide echtgenoten gezamenlijk behoort, niettegenstaande enige hiermede strijdige overeenkomst (eerste lid) en zegt dat de opzeggingen betreffende die huur moeten betekend worden aan elk der echtgenoten afzonderlijk (tweede lid). Die bepalingen zijn evenwel niet van toepassing op pachtcontracten (vierde lid).
Artikel 12.3 van de Pachtwet van 4 november 1969 bepaalt dat indien verscheidene pachters het goed gemeenschappelijk pachten, van de opzegging kennis moet gegeven worden aan al degenen die het goed exploiteren.
Artikel 12.8, tweede lid, van de Pachtwet van 4 november 1969 bepaalt dat een opzegging die naar de vorm onregelmatig verklaard zou moeten worden, door de rechter toch geldig kan worden verklaard indien de betrokken onregelmatigheid geen twijfel kan doen rijzen over de aard of de ernst van de opzegging door de pachter, noch over de identiteit van de persoon in wiens voordeel de opzegging wordt verricht.
De samenhang van die artikelen wijst op een verschillende behandeling met betrekking tot de bescherming van de hoofdverblijfplaats van de huurder en zijn echtgenote naargelang die woning valt onder toepassing van een pachtovereenkomst dan wel van een huurovereenkomst voor een hoofdverblijfplaats waarop de Pachtwet niet van toepassing is. Een dergelijk onderscheid, ook al betreft het categorieën van personen die objectief verschillend zijn, berust op geen objectief criterium en is niet redelijk verantwoord.
De eisers hebben beiden hun woonplaats in de gehuurde woning, zoals met name blijkt uit de procedurestukken waarop het Hof vermag acht te slaan. Zij hebben in hun laatste aanvullende en samenvattende conclusie die aan de appelrechters zijn voorgelegd, bevestigd dat de gehuurde woning hun gemeenschappelijke hoofdverblijfplaats is en die omstandigheid, die als dusdanig door het bestreden vonnis niet wordt betwist, tot staving van hun verzoek tot prejudiciële vraag aangevoerd.
Daaruit volgt dat het bestreden vonnis, door te oordelen, enerzijds, dat de algemene wettelijke verplichting om aan de echtgenoten afzonderlijk kennis te geven van de opzegging, krachtens artikel 215, ,§2, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, alleen geldt voor een huurovereenkomst voor de hoofdverblijfplaats van de echtgenoten waarvan het recht krachtens de eerste paragraaf van die bepaling gezamenlijk aan beide echtgenoten toebehoort en dat die verplichting uitgesloten wordt door artikel 215, ,§2, vierde lid, van hetzelfde wetboek voor echtgenoten die een hoofdverblijfplaats betrekken die onder toepassing valt van de Pachtwet, en, anderzijds, dat in het kader van een pachtovereenkomst de louter vormelijke onregelmatigheid die erin zou bestaan dat er geen kennisgeving ten titel van informatie is gegeven aan de echtgenoot die geen huurder is, de geldigverklaring krachtens artikel 12.8 van de Pachtwet van 4 november 1969 niet kan beletten, uitwerking verleent aan wetsbepalingen die discriminerend zijn voor een pachter en zijn echtgenote ten aanzien van een gewone huurder en diens echtgenote, en bijgevolg de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, en voor zoveel als nodig, artikel 12.3 van de Pachtwet van 4 november 1969.
De grief berust aldus op de onverenigbaarheid van de door het bestreden vonnis toegepaste wetsbepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Bijgevolg hoort het Hof van Cassatie zijn uitspraak op te schorten tot het Arbitragehof heeft geantwoord op de volgende prejudiciële vraag, die met toepassing van artikel 26, ,§2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, gewijzigd bij de bijzondere wet van 9 maart 2003, op het Arbitragehof is gesteld:
"Schenden de artikelen 215, ,§2, van het Burgerlijk Wetboek, inzonderheid het vierde lid, en 12.3 en 12.8 van de wet van 4 november 1969, ingevoegd in het Burgerlijk Wetboek en houdende de regels betreffende de pacht in het bijzonder, gewijzigd bij de wet van 7 november 1988, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat ze de verpachter, in het geval van een pachtovereenkomst, vrijstellen van de verplichting om ook aan diens echtgenote daarvan kennis te geven, en aldus een verschillende behandeling inzake de bescherming van de gezinswoning instellen tussen, enerzijds, de pachter en zijn echtgenote, waaraan de verpachter geen afzonderlijke kennisgeving moet doen van de opzegging, en, anderzijds, de echtgenoten waarvan één van beide titularis is van een huurovereenkomst voor een hoofdverblijfplaats en waaraan, krachtens artikel 215, ,§2, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, de verhuurder aan elk afzonderlijk kennis moet geven van de opzegging?"
BESLISSING VAN HET HOF
Eerste onderdeel
Artikel 215, ,§ 2, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat het recht op de huur van het onroerend goed dat een der echtgenoten gehuurd heeft, zelfs voor het huwelijk, en dat het gezin geheel of gedeeltelijk tot voornaamste woning dient, aan beide echtgenoten gezamenlijk behoort, niettegenstaande enige hiermede strijdige overeenkomst dat de opzeggingen, kennisgevingen en exploten betreffende die huur gezonden of betekend moeten worden aan elk der echtgenoten afzonderlijk of uitgaan van beide echtgenoten gezamenlijk en dat die bepalingen niet van toepassing zijn op handelshuurovereenkomsten, noch op pachtcontracten.
Artikel 12.3 van de Pachtwet bepaalt dat indien verscheidene pachters het goed gemeenschappelijk pachten, van de opzegging kennis moet gegeven worden aan al degenen die het goed exploiteren.
Ingevolge artikel 12.8, tweede lid, van de voornoemde wet, kan een opzegging die naar de vorm onregelmatig verklaard zou moeten worden, door de rechter toch geldig worden verklaard indien de betrokken onregelmatigheid geen twijfel kan doen rijzen over de aard of de ernst van de opzegging door de pachter, noch over de identiteit van de persoon in wiens voordeel de opzegging wordt verricht.
Het middel klaagt een verschillende behandeling aan met betrekking tot de bescherming van de hoofdverblijfplaats van de pachter en zijn echtgenote naargelang die woning onder toepassing valt van een pachtovereenkomst dan wel van een huurovereenkomst voor een hoofdverblijfplaats die niet onder toepassing van de Pachtwet valt. Het voert aan dat de voormelde wetsbepalingen onverenigbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en stelt het Hof voor een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof over de verschillende behandeling inzake de bescherming van de gezinswoning tussen enerzijds, de pachter en zijn echtgenoot, waaraan de verpachter niet elk afzonderlijk kennis moet geven van de opzegging, en, anderzijds, de echtgenoten waarvan één titularis is van een huurovereenkomst voor een hoofdverblijfplaats en waaraan de verhuurder elk afzonderlijk kennis moet geven van de opzegging.
Het middel klaagt geen onderscheid aan dat wordt gemaakt tussen verschillende rechtsonderhorigen of categorieën van rechtsonderhorigen die zich in dezelfde juridische toestand bevinden, maar wel het onderscheid tussen, enerzijds, echtgenoten waarvan slecht één titularis is van de huurovereenkomst en, anderzijds, echtgenoten die samen titularis zijn van die huurovereenkomst en die zich bijgevolg niet in dezelfde juridische toestand bevinden.
Daaruit volgt dat de vraag die de eisers tot staving van hun grief van schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voorstellen, niet aan het Arbitragehof dient te worden gesteld.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt de voorziening.
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Philippe Echement, de raadsheren Christian Storck, Albert Fettweis, Christine Matray en Philippe Gosseries, en in openbare terechtzitting van zesentwintig mei tweeduizend en zes uitgesproken door afdelingsvoorzitter Philippe Echement, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Ernest Waûters en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.
De griffier, De afdelingsvoorzitter,