Hof van Cassatie: Arrest van 26 September 2001 (België). RG P010814F
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20010926-6
- Numéro de rôle :
- P010814F
Résumé :
De schrapping van een algemene bepaling, die verbiedt uitstel te verlenen voor de veroordeling tot geldboeten, opgelegd om de inning van fiscale rechten te verzekeren, kan niet beletten dat bijzondere wetten voorschrijven dat uitstel in de door hen bepaalde gevallen voor de door hen bepaalde straffen uitgesloten wordt.
Arrêt :
Ajoutez le document à un dossier
()
pour commencer à l'annoter.
Nr. P.01.0814.F.
G. G., beklaagde, Mr. Pascal Lamon, advocaat bij de balie te Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.
HET HOF, Gehoord het verslag van raadsheer Fettweis en op de conclusie van advocaat-generaal Spreutels ;
Gelet op het bestreden arrest, op 30 april 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel ;
Overwegende dat, enerzijds, krachtens artikel 41 van het koninklijk besluit van 3 april 1953 tot samenordening van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, gewijzigd bij artikel 28 van de wet van 6 juli 1967, het uitstel en de opschorting van de uitspraak van de veroordeling, ingevoerd bij de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, niet van toepassing zijn op de door die wetsbepalingen opgelegde straffen, met uitzondering van de hoofdgevangenisstraf ; dat het eerste lid van artikel 20,§2, van de voormelde wet van 29 juni 1964 daarenboven bepaalt dat "de veroordeling met uitstel van toepassing is op al de straffen die, voor de inwerkingtreding van deze wet, krachtens bijzondere wetten niet met uitstel mochten worden uitgesproken, ter uitzondering van de straffen bedoeld in de artikelen (...) en 41 van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, gecoördineerd op 3 april 1953" ;
Overwegende dat, anderzijds, krachtens artikel 30 van de wet van 28 december 1983 betreffende het verstrekken van sterke drank en betreffende het vergunningsrecht, het uitstel en de opschorting van de uitspraak van de veroordeling, ingevoerd bij de voormelde wet van 29 juni 1964, slechts van toepassing zijn op de in deze wet van 28 december 1983 bepaalde straffen die geen enkel fiscaal karakter hebben ; dat de in artikel 25 van die wet opgelegde geldboetes een fiscaal karakter hebben ;
Overwegende dat geen enkele van de drie voormelde wetsbepalingen uitdrukkelijk is opgeheven ; dat zij evenmin impliciet zijn opgeheven door artikel 106 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen, dat artikel 8,§4, van de wet van 29 juni 1964 betreffende het uitstal, de opschorting en de probatie heeft opgeheven ; dat, immers, de opheffing van een algemene bepaling die verbiedt uitstel te verlenen voor een veroordeling tot geldstraffen, welke zijn ingevoerd teneinde de inning van fiscale rechten te waarborgen, niet kan beletten dat bijzondere wetten in de door hen bepaalde gevallen voorschrijven dat uitstel uitgesloten wordt voor de door die wetten opgelegde straffen ;
Overwegende dat het middel faalt naar recht ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
OM DIE REDENEN, Verwerpt de voorziening :
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Lahousse, de raadsheren Fischer, de Codt, Fettweis, Plas, en in openbare terechtzitting van zesentwintig september tweeduizend en een uitgesproken door afdelingsvoorzitter Lahousse, in aanwezigheid van advocaat-generaal Spreutels, met bijstand van griffier Pigelet Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Fettweis en overgeschreven met assistentie van eerstaanwezend adjunct-griffier Van den Abbeel.
G. G., beklaagde, Mr. Pascal Lamon, advocaat bij de balie te Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.
HET HOF, Gehoord het verslag van raadsheer Fettweis en op de conclusie van advocaat-generaal Spreutels ;
Gelet op het bestreden arrest, op 30 april 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel ;
Overwegende dat, enerzijds, krachtens artikel 41 van het koninklijk besluit van 3 april 1953 tot samenordening van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, gewijzigd bij artikel 28 van de wet van 6 juli 1967, het uitstel en de opschorting van de uitspraak van de veroordeling, ingevoerd bij de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, niet van toepassing zijn op de door die wetsbepalingen opgelegde straffen, met uitzondering van de hoofdgevangenisstraf ; dat het eerste lid van artikel 20,§2, van de voormelde wet van 29 juni 1964 daarenboven bepaalt dat "de veroordeling met uitstel van toepassing is op al de straffen die, voor de inwerkingtreding van deze wet, krachtens bijzondere wetten niet met uitstel mochten worden uitgesproken, ter uitzondering van de straffen bedoeld in de artikelen (...) en 41 van de wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken, gecoördineerd op 3 april 1953" ;
Overwegende dat, anderzijds, krachtens artikel 30 van de wet van 28 december 1983 betreffende het verstrekken van sterke drank en betreffende het vergunningsrecht, het uitstel en de opschorting van de uitspraak van de veroordeling, ingevoerd bij de voormelde wet van 29 juni 1964, slechts van toepassing zijn op de in deze wet van 28 december 1983 bepaalde straffen die geen enkel fiscaal karakter hebben ; dat de in artikel 25 van die wet opgelegde geldboetes een fiscaal karakter hebben ;
Overwegende dat geen enkele van de drie voormelde wetsbepalingen uitdrukkelijk is opgeheven ; dat zij evenmin impliciet zijn opgeheven door artikel 106 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen, dat artikel 8,§4, van de wet van 29 juni 1964 betreffende het uitstal, de opschorting en de probatie heeft opgeheven ; dat, immers, de opheffing van een algemene bepaling die verbiedt uitstel te verlenen voor een veroordeling tot geldstraffen, welke zijn ingevoerd teneinde de inning van fiscale rechten te waarborgen, niet kan beletten dat bijzondere wetten in de door hen bepaalde gevallen voorschrijven dat uitstel uitgesloten wordt voor de door die wetten opgelegde straffen ;
Overwegende dat het middel faalt naar recht ;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen ;
OM DIE REDENEN, Verwerpt de voorziening :
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Lahousse, de raadsheren Fischer, de Codt, Fettweis, Plas, en in openbare terechtzitting van zesentwintig september tweeduizend en een uitgesproken door afdelingsvoorzitter Lahousse, in aanwezigheid van advocaat-generaal Spreutels, met bijstand van griffier Pigelet Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Fettweis en overgeschreven met assistentie van eerstaanwezend adjunct-griffier Van den Abbeel.