Hof van Cassatie: Arrest van 27 Juli 2004 (België). RG P040912F
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20040727-1
- Numéro de rôle :
- P040912F
Résumé :
De stukken, in de voor de jeugdrechtbank geopende rechtsplegingen, die betrekking hebben op de persoonlijkheid van de betrokken minderjarige en het milieu waarin hij leeft, met name de maatschappelijke studies en de medisch-psychologische onderzoeken, die met toepassing van artikel 50 van de Jeugdbeschermingswet werden bevolen, willen enkel, in het belang van de minderjarige, de bestuursmodaliteiten over zijn persoon of de middelen die voor zijn opvoeding of behandeling passend zijn vaststellen. Zij mogen niet in het kader van strafrechtelijke vervolgingen worden aangewend (1). (1) Cass., 12 mei 1999, AR P.99.0036.F, nr 280.
Arrêt :
H. G.,
beklaagde, gedetineerd,
Mr. Nicolas Divry, advocaat bij de balie te Charleroi.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, dat op 26 april 2004 door het Hof van Beroep te Bergen, correctionele kamer, is gewezen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Philippe Echement heeft verslag uitgebracht.
Advocaat generaal Xavier De Riemaecker heeft geconcludeerd.
III. Cassatiemiddelen
Eiser voert vier middelen aan in een memorie waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht.
IV. Beslissing van het Hof
A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de strafrechtelijke beschikkingen van het arrest :
Over het eerste middel :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat krachtens de artikelen 50 en 55 van de Jeugdbeschermingswet, de stukken, in de voor de jeugdrechtbank geopende rechtsplegingen, die betrekking hebben op de persoonlijkheid van de betrokken minderjarige en het milieu waarin hij leeft, met name de maatschappelijke studies en de medisch-psychologische onderzoeken, die met toepassing van artikel 50 werden bevolen, in het belang van de minderjarige, enkel de bestuursmodaliteiten over zijn persoon of de middelen die voor zijn opvoeding of behandeling geschikt zijn, willen vaststellen ;
Overwegende dat de algemene opzet van voormelde wet, in het bijzonder de aldus omschreven finaliteit van die onderzoeken, die de daartoe noodzakelijke inmenging in het privé- en familieleven rechtvaardigt en waarborgt, uitsluit dat die stukken in het kader van strafrechtelijke vervolgingen worden gebruikt ;
Dat het middel dat, in dit onderdeel, aanvoert dat artikel 55 van voormelde wet, uit de context gelezen, "geen enkele restrictie oplegt aan de magistraat voor wie gegevens worden aangevoerd die deel zouden uitmaken van een rechtspleging voor de jeugdrechtbank", faalt naar recht ;
Wat het tweede en derde onderdeel samen betreft :
Overwegende dat, aangezien de in artikel 55 van de Jeugdbeschermingswet bedoelde stukken niet mogen worden gebruikt in het kader van een strafvervolging, het aan de strafrechter staat ze uit het debat te weren en hij hieruit geen enkele inlichting mag halen ;
Overwegende dat, uit de door eiser neergelegde conclusie blijkt dat hij voor het hof van beroep verwees naar met name "verscheidene zeer verhelderende stukken" uit het dossier voor de jeugdrechter waarbij de zaak door de procureur des Konings aanhangig was gemaakt, om maatregelen van bewaring t.a.v. twee van eisers kinderen te doen bevelen, en in voormelde conclusie de teneur ervan weergaf ;
Overwegende dat het hof van beroep, door te weigeren de argumenten van eiser die op deze stukken waren gegrond, in overweging te nemen, noch de wettelijke en grondwettelijke bepalingen heeft geschonden noch het algemeen rechtsbeginsel heeft miskend, die in het middel werden aangevoerd ;
Dat die onderdelen niet kunnen worden aangenomen ;
Wat het vierde onderdeel betreft :
Overwegende dat uit de vermeldingen van het arrest blijkt dat de appèlrechters alleen "in zoverre zij steunen op stukken uit een rechtspleging voor de jeugdrechtbank die, met name, krachtens artikel 55 van de Jeugdbeschermingswet niet wettig in het debat konden worden gebracht", geen acht hebben geslagen op de door eiser in conclusie aangevoerde argumenten ;
Dat het middel dat het hof van beroep verwijt "ambtshalve en zonder onderscheid" te hebben geweigerd "de door eiser aangevoerde gronden in hun geheel" in aanmerking te nemen, feitelijke grondslag mist ;
Over het tweede middel :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat het arrest stelt dat "de in artikel 828, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde grond tot wraking niet van toepassing is op de deskundige die meermaals in die hoedanigheid in dezelfde zaak is tussengekomen" ;
Overwegende dat uit die formulering en uit de teneur van voormeld artikel 828, 8° en 9°, blijkt dat het arrest ten gevolge van een verschrijving, die het Hof mag verbeteren, punt 8° van dat artikel aanhaalt i.p.v. punt 9°, zoals bedoeld in de conclusie van eiser ;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat, het hof van beroep, door naast de in dit onderdeel weergegeven grond, aan te voeren dat "de rechtbank in onderhavig geval, naast de genuanceerde, uitvoerige en overeenstemmende adviezen van de verschillende gerechtelijke deskundigen, terecht haar overtuiging heeft gesteund op het coherente karakter van de verklaringen van I. en C., enerzijds, en van de andere gezinsleden, anderzijds", de in het middel vermelde conclusie van eiser beantwoordt en zijn beslissing naar recht verantwoordt ;
Dat beide onderdelen feitelijke grondslag missen ;
OM DIE REDENEN,
HET HOF
Verwerpt het cassatieberoep ;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, te Brussel, door raadsheer Greta Bourgeois, waarnemend voorzitter, de raadsheren Jean-Pierre Frère, Philippe Echement, Ghislain Londers en Daniel Plas, en in openbare terechtzitting van zevenentwintig juli tweeduizend en vier uitgesproken door raadsheer Greta Bourgeois, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal Xavier De Riemaecker, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van eerste voorzitter Marc Lahousse en overgeschreven met assistentie van griffier-hoofd van dienst Karin Merckx.
De griffier-hoofd van dienst, De eerste voorzitter,