Hof van Cassatie: Arrest van 29 Maart 2018 (België). RG C.17.0399.N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20180329-10
- Numéro de rôle :
- C.17.0399.N
Résumé :
Samenvatting 1
Arrêt :
Nr. C.17.0399.N
G.V.
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
1. M.E.,
2. G.V.
verweerders.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, sectie familie- en jeugdrechtbank, van 11 mei 2017.
Sectievoorzitter Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Krachtens artikel 1240, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, opgenomen in "Boek IV. Bijzondere rechtsplegingen" en met name in de eerste afdeling "Rech-terlijke Bescherming" van hoofdstuk X "Beschermde personen" wordt de be-schermingsmaatregel bij eenzijdig verzoekschrift gevorderd overeenkomstig de artikelen 1026 tot 1034.
Krachtens artikel 1243, § 1, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek worden de te be-schermen persoon en desgevallend, zijn vader en zijn moeder, de echtgenoot, de wettelijke samenwonende en de meerderjarige kinderen van de te beschermen persoon, voor zover de te beschermen persoon met hen samenleeft, of de persoon met wie de te beschermen persoon een feitelijk gezin vormt, door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om door de vrederechter te worden gehoord, desgeval-lend in aanwezigheid van de vertrouwenspersoon en de lasthebber van de te be-schermen persoon. Van het verhoor wordt een proces-verbaal opgesteld.
Krachtens het vierde lid van voormelde paragraaf worden de personen die, over-eenkomstig het eerste lid, bij gerechtsbrief worden opgeroepen, aldus partij in het geding, tenzij zij zich hiertegen verzetten ter zitting. Van deze bepaling geeft de griffier kennis in de gerechtsbrief.
2. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de personen, waaronder de te beschermen persoon, die bij gerechtsbrief worden opgeroepen om door de vrede-rechter te worden gehoord, partij worden in het geding, tenzij zij zich hiertegen verzetten ter zitting zodat, bij afwezigheid van dergelijk verzet, de verdere proce-dure een tegensprekelijk verloop kent en deze partijen ook gerechtigd zijn om ho-ger beroep in te stellen.
3. Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
- het verzoekschrift tot een gerechtelijke beschermingsmaatregel neergelegd werd door de tweede verweerster op 1 februari 2017;
- onder meer de te beschermen persoon, zijnde de eiseres, bij gerechtsbrief, met vermelding van de tekst van artikel 1243, § 1, vierde lid voormeld, Gerechtelijk Wetboek, opgeroepen werd om te worden gehoord in raadkamer op 24 februari 2017;
- bij beschikking van de vrederechter van 1 maart 2017, de eiseres onbekwaam werd verklaard en de eerste verweerder aangesteld werd als bewindvoerder;
- de eiseres met verzoekschrift neergelegd op 31 maart 2017 hiertegen hoger be-roep heeft ingesteld.
4. De appelrechter oordeelt:
- overeenkomstig de bepalingen van artikel 1240 Gerechtelijk Wetboek wordt een rechterlijke beschermingsmaatregel ten aanzien van een meerderjarige thans gevorderd middels een eenzijdig verzoekschrift overeenkomstig de artikelen 1026 tot 1034 Gerechtelijk Wetboek;
- hoewel er aangenomen wordt dat er tegen een beschikking inzake rechterlijke bescherming principieel wel hoger beroep mogelijk zou moeten zijn, heeft de wetgever nagelaten ter zake enige wettelijke bepalingen aan te nemen;
- hieruit af te leiden is dat de wetgever gewild heeft dat het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een beschikking op eenzijdig verzoekschrift dient te gebeu-ren overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1031 en 1033 Gerechtelijk Wetboek, hetzij door de verzoeker of een tussenkomende partij met toepassing van artikel 1031, of wie niet in die hoedanigheid in de zaak is tussengekomen, door derdenverzet met toepassing van artikel 1033 Gerechtelijk Wetboek;
- vaststaat dat de eiseres in eerste aanleg niet is opgetreden als de oorspronkelijk verzoekende partij, terwijl er evenmin sprake is van haar vrijwillige of ge-dwongen tussenkomst in de procedure in eerste aanleg;
- het door de eiseres ingestelde hoger beroep derhalve als onontvankelijk wordt afgewezen.
5. Door aldus, bij afwezigheid van verzet vanwege de eiseres, de te bescher-men persoon, te oordelen dat zij niet gerechtigd is om hoger beroep in te stellen tegen de haar opgelegde beschermingsmaatregel, terwijl zij overeenkomstig artikel 1243, § 1, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek was opgeroepen om te worden gehoord en zich niet had verzet tegen het partij worden in het geding, verant-woordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht.
Het middel is gegrond.
Verwijzing
6. Gelet op de aard van het geschil, komt het aangewezen voor de zaak te ver-wijzen naar dezelfde rechtbank zetelend in hoger beroep, anders samengesteld.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de zaak naar de rechtbank eerste aanleg Limburg anders samengesteld en rechtszitting houdende in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Beatrijs Deconinck, en de raadsheren Koen Mestdagh, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 29 maart 2018 uitgesproken door sectie-voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe.
V. Van de Sijpe K. Moens B. Wylleman
K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix