Hof van Cassatie: Arrest van 29 November 1995 (België). RG P950832F

Date :
29-11-1995
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
5 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19951129-4
Numéro de rôle :
P950832F

Résumé :

De wettigheid van de rechtspleging wordt niet aangetast door een onregelmatigheid in het proces-verbaal van een terechtzitting waarop de correctionele rechtbank zich ertoe heeft beperkt de uitspraak van haar vonnis te verdagen.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden vonnis, op 12 mei 1995 in hoger beroep gewezen door de Correctionele Rechtbank te Luik;
I. Op de voorziening van eiser, beklaagde :
A. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de strafvordering :
Over de door eiser aangevoerde middelen, luidend als volgt :
Over het eerste middel : schending van de artikelen 190bis, 190, 176, 163 en 153 van het Wetboek van Strafvordering en 149 van de Grondwet,
doordat het bestreden vonnis het hoger beroep ontvankelijk verklaart en het vonnis dd. 7 februari 1995 van de Politierechtbank te Luik wijzigt op grond dat "gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald de processen-verbaal van de terechtzittingen van 14 april 1995 en 5 mei 1995; dat de rechtspleging regelmatig is",
terwijl het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 mei 1995 de vermelding draagt "de voorzitter spreekt het vonnis uit";
en terwijl het enige beschikbare vonnis waarvan eiser in cassatie afschrift heeft gekregen, dagtekent van 12 mei 1995 en vermeld wordt in een ander proces-verbaal dat dagtekent van 12 mei 1995 en de vermelding draagt "de voorzitter spreekt het vonnis uit"; het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 mei 1995 noodzakelijkerwijs onjuist is, zodat onmogelijk kan worden nagegaan of de rechtspleging regelmatig is, meer bepaald of op 5 mei 1995 een voor eiser gunstiger vonnis is uitgesproken, de aangehaalde artikelen van het Wetboek van Strafvordering zijn geschonden en de rechtspleging nietig is :
Overwegende dat uit de stukken van de rechtspleging, meer bepaald uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 mei 1995, blijkt dat de correctionele rechtbank zich ertoe beperkt heeft de uitspraak van het bestreden vonnis te verdagen naar een latere terechtzitting;
Dat de omstandigheid dat voormeld proces-verbaal een onregelmatigheid inhoudt de wettigheid van de rechtspleging niet aantast;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Over het tweede middel : schending van de artikelen 190bis, 190, 176, 163, 153 en 211 van het Wetboek van Strafvordering,
doordat het bestreden vonnis het hoger beroep ontvankelijk verklaart en het vonnis dd. 7 februari 1995 van de politierechtbank wijzigt op grond dat "gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald de processen-verbaal van de terechtzittingen van 14 april 1995 en 5 mei 1995; overwegende dat de rechtspleging regelmatig is",
terwijl de inventaris van de door de politierechtbank op 20 februari 1992 toegezonden stukken een niet geïdentificeerde handtekening bevat;
Dat hierdoor niet kan worden nagegaan of het wel degelijk de griffier is die de inventaris heeft ondertekend; dat derhalve niet kan worden nagegaan of de rechtspleging regelmatig is, de aangehaalde artikelen van het Wetboek van Strafvordering geschonden zijn en de rechtspleging nietig is :
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat eiser dat verweer heeft voorgedragen voor de appelrechters;
Dat het middel niet ontvankelijk is;
Over het derde middel : schending van de artikelen 1320 van het Burgerlijk Wetboek, en 149 van de Grondwet, artikel 10.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975,
doordat het bestreden vonnis de eiser Degive wegens de hem ten laste gelegde feiten veroordeelt tot een geldboete van 50 frank x 100, dat is 5.000 frank, of een vervangende gevangenisstraf van 8 dagen en, na hem jegens de b.v.b.a. Wagener Collienne & Co te hebben veroordeeld tot betaling van het in mindering te brengen provisionele bedrag van 1 frank en van de interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf de dag van de feiten,
de beklaagde Degive veroordeelt in de kosten van beide instanties en van zijn hoger beroep, namelijk 4.030 frank, op grond dat,
eerste onderdeel, "uit de studie van het strafdossier en het onderzoek ter zitting volgt dat de aan Degive Jean-Louis ten laste gelegde feiten bewezen zijn gebleven; dat ze zich vermengen en slechts tot de toepassing van één enkele straf kunnen leiden; dat de beklaagde Degive vertraagde bij de nadering van de driekleurige verkeerslichten, ofschoon ze hem niet betroffen, wat hij aanvoert te hebben gedaan uit overwegingen van veiligheid en voorzichtigheid; dat de getuige Jadoul verklaarde dat Degive sterk had vertraagd; dat deze verklaringen die van de heer Palm bevestigen, namelijk dat de wagen "Degive bruusk geremd heeft",
terwijl het bestreden vonnis de bewijskracht van de akten, te dezen de verklaringen van de heer Jadoul, miskent door te stellen dat "deze verklaring die van de heer Palm bevestigt, namelijk dat de wagen "Degive bruusk geremd heeft" "terwijl Jadoul in feite zegt dat Degive "sterk vertraagd heeft" (zie strafdossier) en er hierdoor "een te voorziene hindernis ontstond" (zie verklaring aan de maatschappij); de getuige Jadoul, naast zijn verklaring in het strafdossier, op een vragenlijst van de verzekeringsmaatschappij een verklaring had gesteld die door de raadsman van eiser in cassatie bij de politierechtbank was ingediend en door de griffie van de politierechtbank was overgemaakt aan de griffie van de correctionele rechtbank onder nr. 15 op de inventaris, bestemd voor het dossier dat uit een grijze map bestaat; de getuige Jadoul op de vraag "wie is verantwoordelijk?" antwoordde "de vrachtwagen misschien die zijn snelheid niet heeft kunnen aanpassen aan een voorzienbare hindernis"; een miskenning van de bewijskracht van de akten is de verklaring dat de woorden "sterk vertraagd" de woorden "bruusk geremd" bevestigen; er immers zowel in het gangbare Franse taalgebruik als in de rechtsbegrippen een essentieel onderscheid bestaat tussen die twee bijwoorden, aangezien de term bruusk remmen een notie van duur bevat : het betreft een kortstondig remmen, zodanig dat de achterliggers er over het algemeen door verrast worden; Robert omschrijft "bruusk als plots, wat niets laat voorzien" en "plots als wat zich binnen een zeer korte tijd voordoet"; het begrip "sterk vertraagd" daarentegen betrekking heeft op het absolute verschil in snelheid, doch geen enkele notie van tijd bevat : te dezen kon worden vastgesteld dat het verkeer te Seraing met een snelheid van 80 kilometer per uur verliep, maar dat het 3 kilometer verderop, te Val Benoît, sterk vertraagd was tot 60, wat misschien heel geleidelijk is gebeurd; de verklaring van de getuige Jadoul aan de verzekeringsmaatschappij "de vrachtwagen (is) misschien (verantwoordelijk) omdat hij niet is kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis" uiteraard opheldering verschaft over zijn verklaring in het strafdossier, zodat beide verklaringen een geheel vormden waaraan de bewijskracht van de akten toekwam; het bestreden vonnis, nu het stelt dat een gedeelte van die akte ("sterk vertraagd") de verklaring van Palm "bruusk geremd" bevestigt, ofschoon het hier ging om een totaal ander begrip dat volkomen onverenigbaar was met het andere gedeelte van de verklaring van de getuige Jadoul ("voorzienbare hindernis"), de bewijskracht van de akten miskent; het bestreden vonnis aldus nalaat te antwoorden op de conclusie van eiser in cassatie, die reeds op bladzijde 2 aanvoerde dat de bewijskracht van de akten door het vonnis van de politierechtbank was miskend,
die op bladzijde 3 gewag maakte van de twee verklaringen van de getuige Jadoul, op bladzijde 5 een betoog hield over het niet foutieve rijgedrag van de eiser Degive, en ten slotte op bladzijde 9 ertoe besloot : "vast te stellen en voor recht te zeggen dat de verklaringen van de getuige Jadoul die van Palm helemaal niet bevestigen en dat, volgens Jadoul, Degive door te remmen een voorzienbare hindernis deed ontstaan, zodat het beroepen vonnis de bewijskracht van de akten heeft miskend; vast te stellen en voor recht te zeggen dat geen enkel gegeven in het strafdossier aantoont of vermeldt dat Degive heftig, overdreven of bruusk zou hebben geremd" en voorts "vast te stellen en voor recht te zeggen dat de appellant Degive door te vertragen in geen geval een fout heeft kunnen begaan, daar hij veeleer verplicht was te vertragen krachtens artikel 12.2";
tweede onderdeel, Degive derhalve ten dele aansprakelijk is voor het ongeval;
En voorts "dat de aansprakelijkheid wordt gedeeld naar rato van 3/4 ten laste van Degive en 1/4 ten laste van Palm, gelet op de respectieve ernst van de door hen begane fouten",
terwijl het bestreden vonnis de aansprakelijkheid deelt zonder opgave van gronden en nalaat vast te stellen dat het ongeval zich zonder de aan eiser verweten overtreding niet met dezelfde gevolgen zou hebben voorgedaan;
derde onderdeel, het bestreden vonnis alle kosten in eerste aanleg (de kosten van de rechtstreekse dagvaarding?) en in hoger beroep ten laste legt van eiser in plaats van ze ten laste te leggen ofwel van de Belgische Staat die op zijn niet ontvankelijk hoger beroep is afgewezen, ofwel van enige andere partij;
vierde onderdeel, een dergelijk rijgedrag van Degive niet verantwoord is, noch door de verkeerstekens, noch door de plaatsgesteldheid, noch door het verkeer en/of de verkeersdichtheid; de beklaagde Degive door zijn rijgedrag het verkeer heeft gehinderd; het onverhoedse remmen en het abnormaal traag rijden van Degive niet vereist waren om veiligheidsredenen;
terwijl het bestreden vonnis diende vast te stellen dat het strafdossier dienaangaande geen enkel gegeven bevatte, dat in de verklaringen van Jadoul stond dat "de wagen scheen te vertragen" (verklaring aan de verzekeringsmaatschappij), "de vrachtwagen is misschien verantwoordelijk omdat hij niet is kunnen stoppen voor een voorzienbare hindernis" en dat die verklaringen, tezamen met de verklaring in het strafdossier, de enige getuigenis waren; dat zij een geheel vormden, dat totaal onverenigbaar was zowel met het begrip "abnormaal traag rijden", als met het begrip "onverhoeds remmen" en dat eiser op zijn conclusie geen antwoord had gekregen; het bestreden vonnis dienaangaande niet regelmatig met redenen is omkleed, nu het niet antwoordt op de conclusie van eiser die op de bladzijden 2 en 3 melding maakte van het getuigenis Jadoul, op bladzijde 5 het niet foutieve rijgedrag van de eiser Degive beschreef en op bladzijde 9 van zijn conclusie ertoe concludeerde : "vast te stellen en voor recht te zeggen dat de verklaringen van de getuige Jadoul de verklaringen van Palm helemaal niet bevestigen en dat, volgens Jadoul, Degive door te remmen een voorzienbare hindernis deed ontstaan, zodat het beroepen vonnis de bewijskracht van de akten heeft miskend; vast te stellen en voor recht te zeggen dat geen enkel gegeven van het strafdossier aantoont of vermeldt dat Degive heftig, overdreven of bruusk zou hebben geremd"; en voorts "vast te stellen en voor recht te zeggen dat de appellant Degive door te vertragen in geen geval een fout heeft begaan,
daar hij veeleer verplicht was te vertragen krachtens artikel 12.2"; het bestreden vonnis dus wat alle onderdelen van het derde middel betreft de aangevoerde en alle andere, eventueel toepasselijke wettelijke bepalingen schendt :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat het bestreden vonnis door vast te stellen dat "de getuige Jadoul verklaarde dat Degive sterk had vertraagd (en) dat deze verklaring die van de heer Palm bevestigt, namelijk dat de wagen 'Degive bruusk geremd heeft'", aan de verklaring van de getuige Jadoul geen uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en derhalve de bewijskracht niet miskent van het proces-verbaal waarin ze is opgetekend, en de conclusie van eiser beantwoordt;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat het bestreden vonnis vermeldt dat eiser bruusk geremd heeft, dat een dergelijk rijgedrag van (eiser) niet verantwoord was, noch door de verkeerstekens, noch door de plaatsgesteldheid, noch door het verkeer en/of de verkeersdichtheid, dat (eiser) door zijn rijgedrag het verkeer heeft gehinderd, dat het onverhoedse remmen en het abnormaal traag rijden (van eiser) niet vereist waren om veiligheidsredenen en dat (eiser) derhalve ten dele verantwoordelijk is voor het ongeval"; dat het vonnis vervolgens beslist dat ook de bestuurder Palm foutief handelde door zijn snelheid niet aan te passen aan de aard van het door hem bestuurde voertuig en geen voldoende afstand te laten tussen zijn voertuig en zijn voorligger, waardoor hij een fout in noodzakelijk oorzakelijk verband met het ongeval heeft begaan; dat het voorts "de aansprakelijkheid deelt naar rato van 3/4 ten laste van (eiser) en 1/4 ten laste van Palm, gelet op de respectieve ernst van de door hen begane fouten";
Dat de appelrechters aldus, door aan de zijde van beide bestuurders een fout bewezen te verklaren in noodzakelijk oorzakelijk verband met het ongeval en hun respectieve aansprakelijkheid voor de door dat ongeval veroorzaakte schade te ramen, hun beslissing regelmatig met redenen omkleden en naar recht verantwoorden;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat het derde onderdeel betreft :
Overwegende dat eiser op 17 februari 1995 hoger beroep heeft ingesteld tegen het op 7 februari 1995 te zijnen aanzien gewezen vonnis;
Overwegende dat het hof van beroep, ofschoon het een door eiser rechtstreeks gedaagde medebeklaagde, die door de eerste rechter definitief was vrijgesproken wegens de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van het openbaar ministerie, ten dele aansprakelijk verklaart voor de schadelijke gevolgen van het ongeval, beslist dat eiser alle hem verweten misdrijven heeft begaan en hem een straf heeft opgelegd;
Dat het derhalve eiser wettig veroordeelt in de kosten van beide instanties en in zijn appelkosten, met dien verstande dat de kosten van het hoger beroep van het openbaar ministerie ten laste van de Staat worden gelaten;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat het vierde onderdeel betreft :
Overwegende dat de appelrechters door de in het middel weergegeven consideransen die deel uitmaken van de beoordeling van de feitelijke gegevens door de feitenrechters, op de conclusie van eiser antwoorden door ze tegen te spreken en hun beslissing regelmatig met redenen omkleden;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
En overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen;
B. In zoverre de voorziening gericht is tegen de beslissing op de door verweerster tegen eiser ingestelde civielrechtelijke vordering :
Overwegende dat eiser afstand doet van zijn voorziening;
II. Op de voorziening van eiser, burgerlijke partij :
Overwegende dat eiser afstand doet van zijn voorziening;
OM DIE REDENEN,
Verleent akte van de afstand van de voorziening, in zoverre zij gericht is tegen de beslissingen op de door en tegen eiser ingestelde civielrechtelijke vorderingen;
Verwerpt de voorziening voor het overige;
Veroordeelt eiser in de kosten.