Hof van Cassatie: Arrest van 29 September 1994 (België). RG C930279F

Date :
29-09-1994
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19940929-4
Numéro de rôle :
C930279F

Résumé :

De rechter, die vaststelt dat het bestuur het bevel heeft gegeven de uitvoering van een overheidsopdracht te onderbreken, hoeft niet vast te stellen dat de aannemer geen fout heeft begaan om hem een vergoeding voor de door hem geleden schade toe te kennen. (Art. 15.E M.B. 14 okt. 1964.)

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF,
Gelet op het bestreden arrest, op 5 januari 1993 door het Hof van Beroep te Bergen gewezen;
Over het middel : schending van de artikelen 15E, alinéa 2, en 25, alinéa 2, van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964 houdende het algemeen lastenkohier van de overeenkomsten van de Staat, 1319, 1320, 1322, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het arrest zegt dat verweersters rechtsvordering tegen eiseres op grond van artikel 15E, alinéa 2, van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964 ontvankelijk en in beginsel gegrond is en een deskundige aanwijst om de door verweerster geleden schade te ramen, op grond "dat, in het kader van de toepassing van die bepaling, de door de stad Thuin ontwikkelde argumentering inzake artikel 25, alinéa 2, van het A.L.K. of de fout van de aannemer die de plaats van de telefoonkabels kende of hoorde te kennen, niet ter zake dienend zijn; dat de enige vraag is of de onderbreking van het werk, zoals zij te dezen is gebeurd, onder de bepalingen van artikel 15E valt of, met andere woorden, het gaat om een 'onderbreking op bevel van het bestuur', in de zin van genoemd artikel; dat uit de bewoordingen van artikel 15E niet kan worden afgeleid dat het alleen betrekking heeft op de bevelen tot stopzetting die uit eigen beweging door het bestuur zijn gegeven en die gesteund zijn op aan het bestuur te wijten redenen die het motu proprio zou aanvoeren; dat elke aannemer, die het werk op de hem aangewezen dag moet aanvatten, dat werk regelmatig moet voortzetten zodat het voltooid is binnen de in het bestek bepaalde termijn; dat alleen het bestuur de opportuniteit beoordeelt van het onderbreken van het werk als het oordeelt dat de verdere uitvoering gedurende een bepaalde periode niet zonder hinder kan gebeuren; dat artikel 15E in die zin moet worden begrepen en precies het geval betreft waarin het bestuur, in het kader van zijn bevoegdheid van leiding en toezicht en zonder dat het daarom noodzakelijk een fout heeft begaan, de mogelijkheid benut om de uitvoering van een werk te onderbreken als het dat opportuun acht, en waarin het daartoe een bevel tot onderbreking aan de aannemer aflevert die dan een rekening tot schadeloosstelling kan indienen; dat genoemd artikel 15E bijgevolg ook betrekking heeft op de beslissingen van het bestuur, luidens welke het van oordeel is dat het noodzakelijk of gewoon opportuun is het werk te onderbreken wegens omstandigheden die aan het bestuur door de aannemer zijn gemeld en waarvan het, zij het impliciet doch zeker, erkent dat zij het voortzetten van het werk radikaal en terecht verhinderen; (...) dat de stad Thuin, nu zij onderlegde technici in dienst had en op deskundige wijze door haar wegendienst werd bijgestaan, voldoende onderlegd was om een toestand waarvan zij de evolutie had kunnen volgen, juist te beoordelen, toen de nv. Travexploit haar bij brief van 13 februari 1989 meedeelde dat de uitvoering volstrekt onmogelijk was wegens de aanwezigheid van R.T.T.-kabels in de sleuf en over de hele plaats van de werken en haar formeel vroeg om "ons een bevel tot schorsing te geven", wat een precies verzoek was dat de nv. Travexploit duidelijk in het kader van artikel 15E wilde plaatsen; dat de genoemde stad nooit enige houding heeft aangenomen waaruit kon worden afgeleid dat zij weigerde het gevraagde bevel tot stopzetting te geven en dat zij oordeelde dat het werk zonder grote hinder kon worden voortgezet; (...) dat de stad Thuin, in die omstandigheden, klaarblijkelijk impliciet doch zeker (zij het ten onrechte) heeft erkend dat de uitvoering wegens de R.T.T.-kabels onmogelijk was en daaruit normalerwijze heeft besloten 'dat het werk moet worden geschorst'; dat het schepencollege bijgevolg door, tijdens zijn beraadslaging van 5 maart 1979 te 'beslissen' dat 'het we
rk ... met ingang van 13 februari 1979 geschorst is', in feite een bevel tot onderbreking van het werk in de zin van artikel 15E van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964 heeft gegeven; dat er duidelijk sprake is van een bevel tot onderbreking aangezien de stad Thuin later, op 4 juli 1979, formeel een bevel tot hervatting van het werk ter kennis van de aannemer heeft gebracht; dat niet wordt betwist dat de andere vereisten van voormeld artikel 15E te dezen zijn vervuld, zodat de nv. Travexploit bij ontstentenis van akkoord de volledige vergoeding kan vragen van de door haar geleden schade die zij kan aantonen",
terwijl, eerste onderdeel, de aannemer, krachtens artikel 15E, alinéa 2, van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964, een rekening tot schadeloosstelling mag indienen voor de onderbrekingen op bevel van het bestuur; de toepassing van die bepaling vereist dat de aannemer die ze aanvoert geen fout heeft begaan die een oorzakelijk verband vertoont met de onderbreking van het werk waarvoor hij een rekening tot schadeloosstelling voorlegt; eiseres in haar appelconclusie aanvoerde dat verweerster "de aanbesteding niet nauwlettend heeft onderzocht", dat zij "de toestand van de plaatsen grondiger had moeten onderzoeken" en daaruit afleidde dat verweerster "onbetwistbaar een fout heeft begaan daar zij zo onvoorzichtig is geweest haar prijs te bepalen zonder de zaak eerst voldoende te onderzoeken" en dat die verplichting van de aannemer om de nodige stappen te doen overigens bevestigd wordt in artikel 25, alinéa 2, van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964 dat de werken, metingen en kosten die aan de uitvoering van de aanneming eigen zijn ten laste van de aannemer legt; het bestreden arrest niet mocht weigeren de fouten te onderzoeken die ten laste van verweerster werden gelegd en de inwerking van artikel 25, alinéa 2, door te beslissen dat "met betrekking tot de toepassing van (artikel 15E, alinéa 2), de argumentatie van de stad Thuin omtrent artikel 25, alinéa 2, of omtrent de fout van (verweerster), die de plaats van de telefoonkabels kende of hoorde te kennen, zonder belang is"; het arrest, dat artikel 15E, alinéa 2, toepast zonder vast te stellen dat de aannemer die het aanvoert geen fout heeft begaan die een oorzakelijk verband vertoont met de onderbreking van het werk en zonder de inwerking van artikel 25, alinéa 2, te onderzoeken, niet naar recht is verantwoord (schending van de artikelen 15E, alinéa 2, van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964 houdende het algemeen lastenkohier van de overeenkomsten van de Staat);
tweede onderdeel, de aannemer krachtens artikel 15E, alinéa 2, van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964 alleen een rekening tot schadeloosstelling mag indienen als het bevel tot onderbreking van het werk door het bestuur is gegeven; die bepaling derhalve het geval beoogt waarin het bestuur uit eigen beweging een bevel tot onderbreking van het werk neemt; het begrip bevel impliceert dat er eenzijdige band is tussen het bestuur dat het bevel geeft en de geadresseerde; het arrest, te dezen, vaststelt dat "(verweerster) (eiseres) bij brief van 13 februari 1989 meedeelde dat de uitvoering van het werk volstrekt onmogelijk was wegens de aanwezigheid van R.T.T.-kabels (...) en haar formeel vroeg om 'ons een bevel tot schorsing te geven'"; met andere woorden, de onderbreking niet uit eigen beweging door het bestuur was bevolen, maar uitdrukkelijk door verweerster was gevraagd; het arrest bijgevolg uit de omstandigheden die het vermeldt niet heeft kunnen afleiden dat eiseres in haar besluit van 5 maart 1979 "een bevel tot onderbreking van het werk in de zin van artikel 15E van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964 heeft gegeven"; het bijgevolg artikel 15E, alinéa 2, van het in het middel aangewezen ministerieel besluit van 14 oktober 1964 schendt;
derde onderdeel, in de aanhef van de beslissing van eiseres van 5 maart 1979 wordt vastgesteld dat "de onderneming Travexploit sinds 13 februari 1979 het werk heeft moeten onderbreken" en "dat het werk dus moet geschorst worden"; artikel 1 van dat besluit verder zegt dat het litigieuze werk "geschorst is met ingang van 13 februari 1979"; de beslissing van eiseres aldus niet meer was dan een bekrachtiging van de feitelijke schorsing van het werk door eiseres en niet een bevel dat het bestuur eenzijdig aan de geadresseerde, verweerster, oplegt; het arrest, door te beslissen dat het besluit van 5 maart 1979 moet worden uitgelegd als de uitdrukking van een bevel in de zin van artikel 15E, alinéa 2, van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964, dat besluit derhalve uitlegt op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek);
Wat het tweede en het derde onderdeel betreft :
Overwegende dat het arrest vaststelt dat het schepencollege van eiseres in zijn besluit van 5 maart 1979 heeft "beslist" dat "het werk ... met ingang van 13 februari 1979 is geschorst" en dat eiseres later, op 4 juli 1979, "formeel een bevel tot hervatting van het werk ter kennis van de aannemer heeft gebracht";
Dat het hof van beroep, zonder dat besluit uit te leggen op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, uit die vaststellingen heeft kunnen afleiden dat eiseres "in feite een bevel tot onderbreking van het werk in de zin van artikel 15E van het ministerieel besluit van 14 oktober 1964 had afgeleverd", ook al had verweerster om dat bevel gevraagd;
Dat die onderdelen niet kunnen worden aangenomen;
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat het hof van beroep, nu het heeft vastgesteld dat eiseres het bevel tot onderbreking van het werk had gegeven, zijn beslissing dat verweerster het recht had de vergoeding van haar aangetoonde schade te eisen verantwoordt zonder dat het bovendien moet vaststellen dat verweerster geen fout heeft begaan;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
zonder acht te slaan op de memorie van wederantwoord die eiseres heeft neergelegd en die geen betrekking heeft op de ontvankelijkheid van de voorziening,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.