Hof van Cassatie: Arrest van 3 Juni 2010 (België). RG C.08.0582.N
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20100603-3
- Numéro de rôle :
- C.08.0582.N
Résumé :
Het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten belet de rechter die de strijdigheid van een plaatselijk besluit met de wetten niet vaststelt, dit besluit geheel of ten dele buiten toepassing te laten (1). (1) Zie Cass., 10 juni 1994, A.C., 1994, nr. 572; Cass., 10 nov. 1994, A.C., 1994, nr. 928; Cass., 24 jan. 1996, A.C., 1996, nr. 50; Cass., 10 juni 1996, A.C., 1996, nr. 227; Cass., 12 dec. 2003, A.C., 2003, nr. 2287; Cass., 16 juni 2006, AR C.O5.O287.F., A.C., 2006, nr. 334.
Arrêt :
Nr. C.08.0582.N
A.G.B. GEMEENTELIJK AUTONOOM PARKEERBEDRIJF ANTWERPEN, met zetel te 2000 Antwerpen, Jordaenskaai 25,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
C.L.,
verweerder.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 8 november 2007 in laatste aanleg gewezen door de Vrederechter van het tweede kanton Antwerpen.
Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wetsbepalingen
- het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten;
- artikel 263bis van de Nieuwe Gemeentewet - met ingang van 1 januari 2007 opgeheven door artikel 302, 164° van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005;
- artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot bepaling van de activiteiten van industriële of commerciële aard waarvoor de gemeenteraad een autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten;
- artikel 232 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, overeenkomstig artikel 1, 22° en 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 en ter uitvoering van artikelen 160 en 179 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 in werking getreden op 1 januari 2007.
Bestreden beslissing
Het vredegerecht oordeelt dat het redelijk voorkomt om de gevorderde retributies te "herleiden", op grond van de volgende overwegingen:
"(...) Dat de verweerder deze vordering betwist en stelt dat hij zijn klachten herhaaldelijk heeft geuit zowel ten aanzien van (de eiseres) als ten aanzien van de ombudsman van de stad Antwerpen.
Dat ondanks herhaalde klachten er van de ombudsman geen enkel antwoord kwam, terwijl (de eiseres) slechts zeer laattijdig antwoord gaf.
Dat de verweerder in zijn verschillende brieven volgende toestand heeft aangeklaagd, namelijk het feit dat er voor de Sint Laureisstraat waar hij woonachtig is geen bewonerskaarten uitgereikt worden met als gevolg dat elkeen er gratis en zonder tijdslimiet mag parkeren, en dat er voor de bewoners nooit parkeerplaats aanwezig is aangezien de straat steeds vol staat met de wagens van de werknemers van Alcatel Bell.
(...) Dat (de eiseres) om de toekenning van haar eis verzoekt aangezien het vaststaat dat de verweerder zijn voertuig in de naastgelegen straten heeft geparkeerd, doch zonder de parkeerretributie te betalen.
(...) Dat ten aanzien van de feiten inderdaad blijkt dat de verweerder woonachtig zijnde in een straat waar geen parkeermeters staan en voor wie geen bewonerskaart voorhanden is, herhaaldelijk geconfronteerd werd met het feit dat dicht bij zijn woonplaats parkeren, niet mogelijk was aanzien alle parkeerplaatsen ingenomen werden door de aangestelden van Alcatel Bell.
Dat hij derhalve verplicht werd om elders in de buurt te gaan parkeren, waar wel parkeermeters staan, wat voor verweerder een uiterst dure zaak betekent, aangezien hij herhaalde malen per dag met zijn camionette verplaatsingen moet doen en heen en weer dient te rijden.
Dat derhalve gesteld kan worden dat de stad Antwerpen die er voor moet zorgen dat haar bewoners hetzij over een bewonerskaart moet kunnen beschikken teneinde in de onmiddellijke omgeving van hun woonplaats en/of werkplaats te kunnen stationeren, en bij gebreke hiervan er minstens voor zorgen dat de bewoners dan tegen een redelijke tarief hun voertuig op de openbare weg kunnen stationeren, in casu in gebreke is gebleven zulks te doen.
Dat voorzover (eiseres) niet de stad Antwerpen vertegenwoordigt, wel dient gesteld dat huidige (eiseres) belast werd om voor rekening van de stad Antwerpen de retributie te innen, in welk geval het bedrag in redelijke verhouding dient te staan met de verleende dienst.
Dat in deze omstandigheden, het redelijk voorkomt om de retributies te herleiden tot 12,39 euro x 9 = 111,51 euro te vermeerderen met éénmalige aanmaningskost of 13,40 euro". (cf. p. 1 en 2 van het vonnis).
Grieven
Schending van het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten, artikel 263bis van de Nieuwe Gemeentewet - met ingang van 1 januari 2007 opgeheven door artikel 302, 164° van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot bepaling van de activiteiten van industriële of commerciële aard waarvoor de gemeenteraad een autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten en van artikel 232 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, overeenkomstig artikel 1, 22° en 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 en ter uitvoering van artikelen 160 en 179 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 in werking getreden op 1 januari 2007.
1. Uit het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten volgt dat het niet aan de rechterlijke macht toekomt om de opportuniteit van een administratieve rechtshandeling te beoordelen.
Het staat niet aan de rechter om de efficiëntie van een door een bestuurlijke overheid genomen beslissing te beoordelen.
De hoven en rechtbanken horen bij het oordeel over de wettelijkheid van een belastingverordening, noch het beginsel, noch de uitvoeringsmodaliteiten van de opportuniteit of de economische rechtvaardiging van de belasting te beoordelen.
2. De vrederechter oordeelt in voorliggend geval dat het ‘redelijk' voorkomt de retributies waarvan de eiseres betaling vordert te verminderen, rekening houdend met de vaststelling dat de stad Antwerpen, voor wiens rekening de eiseres de retributies int, in gebreke blijft ervoor te zorgen dat haar inwoners hetzij over een bewonerskaart beschikken, hetzij in de onmiddellijke omgeving van de woon- of werkplaats kunnen stationeren, minstens tegen een redelijk tarief hun voertuig op de openbare weg kunnen stationeren (cf. p. 2, tweede laatste alinea van het vonnis).
In zover het vredegerecht oordeelt dat de stad Antwerpen, voor wiens rekening eiseres de retributie zou innen, in gebreke blijft ervoor te zorgen dat haar inwoners hetzij over een bewonerskaart beschikken hetzij in de onmiddellijke omgeving van de woon- of werkplaats kunnen stationeren, minstens tegen een redelijk tarief hun voertuig op de openbare weg kunnen stationeren en daaruit afleidt dat het ‘redelijk' voorkomt de gevorderde parkeerretributies te herleiden tot negen maal 12,39 euro, zonder dat deze ‘redelijkheidstoets' deel uitmaakt van een onderzoek naar de aard zelf van de parkeerheffing als retributie dan wel naar de verenigbaarheid van die retributie met hogere rechtsnormen, bezondigt het zich aan een onwettig opportuniteitsoordeel en miskent het vonnis bijgevolg het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten.
3. In zover het vonnis overweegt dat de eiseres ermee belast werd om voor rekening van de stad Antwerpen de retributie te innen, miskent het ook de autonomie van de eiseres als autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid.
Luidens artikel 263bis van de Nieuwe Gemeentewet - met ingang van 1 januari 2007 opgeheven door artikel 302, 164°, van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 - bepaalt de Koning de activiteiten van commerciële of industriële aard waarvoor de gemeenteraad een autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten.
Artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot bepaling van de activiteiten van industriële of commerciële aard waarvoor de gemeenteraad een autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten vermeldt de exploitatie van parkeergelegenheden.
Artikel 232 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, overeenkomstig artikel 1, 22° en 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 en ter uitvoering van artikelen 160 en 179 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 in werking getreden op 1 januari 2007, huldigt eveneens de autonomie van het autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid:
"Een autonoom gemeentebedrijf wordt opgericht bij gemeenteraadsbeslissing op grond van een door het college van burgemeester en schepenen opgemaakt verslag. In dat verslag worden de voor- en de nadelen van externe verzelfstandiging tegen elkaar afgewogen en wordt aangetoond dat beheer binnen de rechtspersoonlijkheid van de gemeente niet dezelfde voordelen kan bieden. De oprichtingsbeslissing stelt de statuten van het autonoom gemeentebedrijf vast. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen inzake het goedkeuringstoezicht verkrijgt het autonoom gemeentebedrijf rechtspersoonlijkheid op de datum van voormelde oprichtingsbeslissing".
De beslissing dat de eiseres voor rekening van de stad Antwerpen de retributies zou innen, strijdt dus tevens met eiseres' autonomie als autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid, regel die vervat ligt in artikel 263bis van de Nieuwe Gemeentewet, artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 tot bepaling van de activiteiten van industriële of commerciële aard waarvoor de gemeenteraad een autonoom gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten en in artikel 232 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Krachtens artikel 1 van de Wet van 22 februari 1965, kunnen de gemeenteraden, overeenkomstig de wetgeving en de reglementen op de politie van het wegverkeer, parkeerretributies instellen wanneer zij reglementen inzake het parkeren vaststellen, die betrekking hebben op het parkeren onder bepaalde omstandigheden.
2. Krachtens artikel 159 van de Grondwet, passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zover zij met de wetten overeenstemmen.
3. Het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten belet de rechter die de strijdigheid van een plaatselijk besluit met de wetten niet vaststelt, dit besluit geheel of ten dele buiten toepassing te laten.
Dit algemeen rechtsbeginsel belet de rechter aldus de opportuniteit van een retributie, verschuldigd krachtens een niet onwettig bevonden retributiereglement, te beoordelen en in te grijpen in de tariefstructuur van dit reglement.
4. De vrederechter, die het retributiereglement van de stad Antwerpen niet buiten toepassing verklaart wegens strijdigheid met de wetten, vermindert de krachtens dit reglement verschuldigde vergoeding, die door de eiseres wordt geïnd, tot het bedrag dat hem redelijk voorkomt.
Door aldus te oordelen miskent hij het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten.
Het middel is in zoverre gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de zaak naar het vredegerecht van het eerste kanton Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Albert Fettweis, Alain Smetryns en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 3 juni 2010 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.