Hof van Cassatie: Arrest van 3 Mei 2001 (België). RG C990152Fv

Date :
03-05-2001
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20010503-4
Numéro de rôle :
C990152Fv

Résumé :

De beslissing van de appèlrechters dat de voetganger die een andere, door hem van diefstal betichte, voetganger achtervolgt, geen onverschoonbare fout heeft gemaakt in de zin van art. 29bis, § 1, zesde lid, W. 21 november 1989, is naar recht verantwoord wanneer zij op grond van een feitelijke beoordeling overwegen dat het onvoorzichtige oversteken van de rijbaan in hoofdzaak het gevolg is van een impulsieve reactie die ingegeven is door de bezorgdheid om de gevluchte in te halen en dat, wegens de omstandigheid dat een eerste voertuig beide voetgangers ontweken heeft door op gepaste wijze te remmen, niet met zekerheid bewezen is dat de achtervolgende voetganger, die werd aangereden door het voertuig dat het eerste volgde, zich moedwillig zo gedragen heeft dat hij gevaar liep (1).

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Nr. C.99.0152.F
ZELIA, naamloze vennootschap,
Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
M. R.
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Mathieu en op conclusie van advocaat-generaal Henkes;
Gelet op bestreden vonnis, op 22 september 1998 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Charleroi;
Over het middel : schending van de artikelen 149 van de Grondwet, 29bis, §1, eerste, vijfde en zesde lid, van de wet van 21 november 1989 Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, dat ingevoegd is bij de wet van 30 maart 1994, zoals het gewijzigd is bij de wet van 13 april 1995,
doordat het bestreden vonnis vaststelt "dat (verweerder), garagehouder en eigenaar van het tankstation tegenover de plaats van het ongeval, op het trottoir een zekere S. heeft achtervolgd, die hij van diefstal betichtte, en zulks in de richting van Loverval naar Marcinelle; dat de twee die elkaar in hun achtervolging dicht op de hielen zitten, op een bepaald ogenblik, zonder te stoppen de weg oplopen wanneer er twee auto's uit de richting Marcinelle komen aangereden; dat het eerste voertuig ze kan ontwijken maar dat het tweede, door G.R. bestuurde voertuig, ze zwaar raakt"; "dat de burgerlijke aansprakelijkheid van G.R. door (eiseres) wordt verzekerd en dat (verweerder) op grond van artikel 29bis van de wet van 21 november 1989, ingevoegd bij de wet van 30 maart 1994, gewijzigd bij de wet van 13 april 1995, waarin een objectieve aansprakelijkheidsregeling ten voordele van de 'zwakke weggebruikers' wordt ingevoerd, van (eiseres) (...) vergoeding voor zijn lichamelijke schade vordert"; dat het bestreden vonnis, met bevestiging van het vonnis van de eerste rechter, vervolgens eiseres veroordeelt om aan verweerder het provisionele bedrag van 150.000 frank te betalen en een medisch deskundigenonderzoek beveelt, eiseres in de kosten van het hoger beroep veroordeelt en zegt dat de verdere behandeling van de zaak de taak is van de eerste rechter, op grond "dat er sprake is van een onverschoonbare fout wanneer de getroffene blijk geeft van een volstrekt moedwillige weigering om elementaire voorzorgsmaatregelen in acht te nemen of blijk geeft van een overdreven roekeloosheid; dat men tevergeefs in (verweerders) gedrag, waarvan bewezen is dat het gevaarlijk was, de kenmerken van een dergelijke fout zoekt; zijn onvoorzichtige oversteken van de rijbaan immers in hoofdzaak het gevolg is van een impulsieve reactie die ingegeven is door de bezorgdheid om de heer S. in te halen en niet van een bewust en opzettelijk voornemen om zich te onttrekken aan de verplichtingen die een voetganger in acht moet nemen wanneer hij de openbare weg wil oversteken; dat voorts erop gewezen moet worden dat de eerste auto, een door de heer B. bestuurde taxi, beide voetgangers ontweken heeft door op gepaste wijze te remmen, hetgeen (verweerder) geïnterpreteerd heeft als een vrijwillige stilstand om hen door te laten (zie zijn verhoor van 3 oktober 1995, p. 13 strafdossier), zodat hij volkomen terecht kon aannemen dat ook het tweede voertuig hen verder zou laten oversteken; dus niet met zekerheid aangetoond is dat hij nooit rekening heeft gehouden met de voertuigen die op de rijbaan reden en dus evenmin bewezen is dat hij zich moedwillig zo gedragen heeft dat hij gevaar liep; dat (verweerder) geen onverschoonbare fout heeft begaan zoals die is omschreven in voornoemd artikel 29bis; dat zijn vordering derhalve in beginsel gegrond is",
terwijl, eerste onderdeel, ingevolge artikel 29bis, §1, eerste lid, van de wet van 21 november 1989, "alle schade veroorzaakt aan elk slachtoffer (...) voortvloeiend uit lichamelijke letsels (...), vergoed wordt door de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van de eigenaar, de bestuurder of de houder van het motorrijtuig (...)"; voornoemd artikel 29bis, §1, vijfde en zesde lid, luidt als volgt : "Slachtoffers die een onverschoonbare fout hebben begaan die de enige oorzaak was van het ongeval, zich niet kunnen beroepen op de bepalingen van het eerste lid. Enkel de opzettelijke fout van uitzonderlijke ernst, waardoor degene die ze begaan heeft zonder geldige reden wordt blootgesteld aan een gevaar waarvan hij zich bewust had moeten zijn, is onverschoonbaar"; het bestreden vonnis in casu de "uitzonderlijke ernst" niet ontkent van de door verweerder begane fout, namelijk dat hij, toen er twee voertuigen kwamen aangereden, zonder te stoppen de rijbaan is opgelopen in een achtervolging van een derde die hij van diefstal betichtte; het bestreden vonnis zijn oordeel dat die fout niet onverschoonbaar is in de zin van voornoemd artikel 29bis, §1, zesde lid, hierop grondt dat "zijn onvoorzichtige oversteken van de rijbaan immers in hoofdzaak het gevolg is van een impulsieve reactie die ingegeven is door de bezorgdheid om de heer S. in te halen en niet van een bewust en opzettelijk voornemen om zich te onttrekken aan de verplichtingen die een voetganger in acht moet nemen wanneer het hij de openbare weg wil oversteken"; de voornoemde "bezorgdheid" om een derde in te halen die men van diefstal beticht, geen "geldige reden" in de zin van voornoemd artikel 29bis, §1, zesde lid, is om zich aan gevaar bloot te stellen; de voornoemde, door de "bezorgdheid" ingegeven "impulsieve reactie" niets afdoet van de moedwillige aard van de begane fout noch van het feit dat verweerder zich bewust had moeten zijn van het gevaar waaraan hij werd blootgesteld; uit de redenen van het bestreden vonnis niet blijkt dat die "impulsieve reactie" een dwang was waaraan verweerder niet kon weerstaan of dat hij geen controle meer over zijn daden had; het bestreden vonnis, dat op de bovenvermelde grond beslist dat de door verweerder begane fout niet onverschoonbaar is, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van artikel 29bis, §1, eerste, vijfde en zesde lid, zoals het in de aanhef van het middel is aangewezen);
tweede onderdeel, eiseres in haar verzoekschrift in hoger beroep aanvoerde "dat (verweerder) al lopend de steenweg naar Philippeville is overgestoken zonder naar rechts of naar links te kijken terwijl hij zijn werknemer op de hielen zat, hoewel die rijksweg, op de plaats van de feiten, een bijzonder belangrijke verkeersader is, die bestaat uit vijf rijstroken en waar er druk en snel verkeer is; (verweerders) houding trouwens door een onafhankelijk getuige, de heer V.A. is omschreven : 'als gekken kwamen ze naar het tankstation terug. Toen de zaakvoerder de klant nagenoeg had ingehaald, zijn ze opnieuw de steenweg opgelopen'; die uitzonderlijk ernstige houding bevestigd wordt door getuige S. die (verweerders) optreden omschrijft : 'eigenlijk heeft de eerste voetganger zich op de auto gegooid en daarna de tweede'; (...) de eerste rechter zich vergist wanneer hij preciseert dat (verweerder) 'wel degelijk de taxi van B. gezien heeft die stopte om hem door te laten en dat hij dus kon denken dat hij zonder gevaar kon doorlopen aangezien de auto van R. achter de taxi reed en dus door die taxi (gedeeltelijk) aan het gezicht onttrokken was'; (verweerder) immers kennelijk helemaal niet op het verkeer heeft gelet, aangezien hij de taxi ertoe verplicht heeft 'bruusk te remmen' (verklaring van de heer V.A.); (...) er natuurlijk meer rekening moet worden gehouden met de verklaringen van getuigen dan met de verklaring van een partij die zijn verklaringen geruime tijd na het ongeval heeft afgelegd en tijd heeft gehad om erover na te denken hoe hij bij de verbalisanten de voor hem zo gunstig mogelijke verklaring zou afleggen; het trouwens veelbetekenend is dat de achtervolgde persoon de heer S., verklaard heeft : 'ik heb niet gekeken voor ik de rijbaan opliep'"; eiseres in haar appèlconclusie voorts aanvoerde "dat de eerste rechter ten onrechte van oordeel is dat hij geen rekening hoeft te houden met de volstrekte onoplettendheid van (verweerder); deze immers enkel begaan was met de achtervolging van de heer S. en niet met het verkeer op de weg; (...) de gegevens uit het gerechtelijk opsporingsonderzoek zonder enige twijfel aantonen dat (verweerder) en de heer S., elkaar ten gevolge van een meningsverschil achtervolgd hebben, eerst op het rechtertrottoir in de rijrichting van de voertuigen en dat de heer S. op het laatste ogenblik de rijbaan al rennend is overgestoken (zie bekentenis in het opsporingsonderzoek : '... ik liep heel snel want ik had schrik van de fysieke kracht van betrokkene. Ik heb niet gekeken voor ik de rijbaan opliep ...'), zonder te kijken, op de hielen gezeten door (verweerder); het onvoorzichtige gedrag van laatstgenoemde hetzelfde is als dat van de heer S. (verklaring (van verweerder) in het opsporings-onderzoek; '... betrokkene heeft Rijksweg 5 overgestoken ... Ik ook ...'); de eerste automobilist, de heer B. (...) getuige is kunnen zijn van de scène vóór het ongeval, namelijk de achtervolging tussen de twee betrokkenen op het trottoir, en tijdens zijn verhoor het volgende heeft toegevoegd : 'ik verwachtte dat ze zouden reageren want hun gedrag leek me niet normaal. Mijn voorspellingen kwamen uit, want op een gegeven ogenblik (...) sloegen ze af en staken, zonder te stoppen, de rijbaan over. Ze volgden elkaar op een tot twee meter. Ze liepen voor mijn auto en doordat ik bruusk kon remmen, heb ik hen kunnen ontwijken, maar de auto achter mij heeft, nadat hij tegen het linkerachterflank van mijn voertuig was aangereden, hen niet kunnen ontwijken'; het dolle gedrag (van verweerder) en van de heer S. ook is beschreven door de getuigen V. A. (hij legt met name uit dat de twee voetgangers 'als gekken' de rijbaan zijn opgelopen) en S. die verklaarde : 'de eerste voetganger heeft zich op de auto gegooid
en daarna de tweede ...'"; het bestreden vonnis in bijkomende orde oordeelt dat "niet bewezen is dat (verweerder) zich moedwillig zo gedragen heeft dat hij gevaar liep", omdat verweerder, volgens de verklaring van 3 oktober 1995 uit het strafdossier, de omstandigheid dat de taxichauffeur "op gepaste wijze heeft geremd" geïnterpreteerd heeft als "een vrijwillige stilstand om (de twee voetgangers) door te laten", "zodat hij volkomen terecht kon aannemen dat ook het tweede voertuig hen verder zou laten oversteken"; het bestreden vonnis aldus geen antwoord geeft op de voornoemde middelen in het verzoekschrift in hoger beroep en in de conclusie van eiseres, waarin zij aanvoerde, enerzijds, dat uit het getuigenis van de heer V.A., mevrouw S. en de heer B. blijkt dat verweerder helemaal niet gelet heeft op het verkeer toen hij in zijn achtervolging van de heer S. de rijbaan opliep en de taxichauffeur ertoe verplichtte bruusk te remmen en, anderzijds, dat er natuurlijk meer rekening moet worden gehouden met de verklaringen van getuigen dan met de verklaring van een partij die zijn verklaringen geruime tijd na het ongeval heeft afgelegd en tijd heeft gehad om erover na te denken hoe hij een voor hem zo gunstig mogelijke versie van de feiten zou geven; het bestreden vonnis derhalve niet regelmatig met redenen is omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet) :
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat ingevolge artikel 29bis, §1, zesde lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, de onverschoonbare fout op grond waarvan het slachtoffer geen recht heeft op de in het eerste lid van die paragraaf bedoelde vergoeding, bestaat in de opzettelijke fout van uitzonderlijke ernst, waardoor degene die ze begaan heeft zonder geldige reden wordt blootgesteld aan een gevaar waarvan hij zich bewust had moeten zijn;
Overwegende dat het bestreden vonnis overweegt dat "(verweerders) onvoorzichtige oversteken van de rijbaan immers in hoofdzaak het gevolg is van een impulsieve reactie die ingegeven is door de bezorgdheid om de heer S. in te halen en niet van een bewust en opzettelijk voornemen om zich te onttrekken aan de verplichtingen die een voetganger in acht moet nemen wanneer het hij de openbare weg wil oversteken";
Dat het vervolgens overweegt "dat voorts erop gewezen moet worden dat de eerste auto, een door de heer B. bestuurde taxi, beide voetgangers ontweken heeft door op gepaste wijze te remmen, hetgeen (verweerder) geïnterpreteerd heeft als een vrijwillige stilstand om hen door te laten (...), zodat hij volkomen terecht kon aannemen dat ook het tweede voertuig hen verder zou laten oversteken; dat dus niet met zekerheid aangetoond is dat hij nooit rekening heeft gehouden met de voertuigen die op de rijbaan reden en dus evenmin bewezen is dat hij zich moedwillig zo gedragen heeft dat hij gevaar liep";
Overwegende dat de appèlrechters op grond van die feitelijke overwegingen naar recht hebben kunnen beslissen dat verweerder geen onverschoonbare fout in de zin van voornoemd artikel 29bis had begaan;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;
Wat het tweede onderdeel betreft :
Overwegende dat de appèlrechters met de overwegingen die zijn vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, de middelen beantwoorden die eiseres aanvoert in haar verzoekschrift in hoger beroep en in haar conclusies;
Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door waarnemend voorzitter Parmentier, de raadsheren Echement, Storck, Mathieu, Matray, en in openbare terechtzitting van drie mei tweeduizend en een uitgesproken door waarnemend voorzitter Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henkes, met bijstand van griffier Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Londers en overgeschreven met assistentie van griffier Van Geem.