Hof van Cassatie: Arrest van 30 Januari 2007 (België). RG P061496N

Date :
30-01-2007
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
2 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20070130-4
Numéro de rôle :
P061496N

Résumé :

Uit de artikelen 42 Wegverkeerswet en N6, 1.1° en 2.2, van de bijlagen aan het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, volgt dat de houder van een rijbewijs die aan alcohol verslaafd is, lijdt aan een lichamelijke ongeschiktheid als bedoeld in artikel 42 Wegverkeerswet; wanneer naar aanleiding van een veroordeling wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijke toedoen van de dader, de rechter vaststelt dat de schuldige, houder van een rijbewijs, lijdt aan alcoholverslaving, moet hij, naast de uitgesproken straf, het in die wetsbepaling bedoelde verval, dat een veiligheidsmaatregel is, uitspreken (1) (2). (1) Cass., 12 juni 1979, AR 5473, A.C., 1978(79), 1213; Cass., 24 okt. 1984, AR 3725, nr 141. (2) Als de vastgestelde nietigheid, die tot cassatie aanleiding geeft, uitsluitend betrekking heeft op een bijkomende straf of maatregel (zie voetnoot 2) dan wordt de omvang van de cassatie, in de regel, beperkt tot die bijkomende straf of maatregel (Cass., 24 okt. 1984, AR 3725, nr 141; DECLERCQ, R., Beginselen van Strafrechtspleging, 3de Ed. 2003, p. 1249, nr 2899). In het geval waarop het geannoteerde arrest betrekking heeft, zou de strikte toepassing van deze regel geleid hebben tot een situatie waarin het Hof niet anders kon dan het bestreden vonnis te vernietigen in zoverre het geen uitspraak deed over het in artikel 42 Wegverkeerswet bepaalde verval wegens lichamelijke ongeschiktheid. Een dergelijke beslissing zou onvermijdelijk tot gevolg hebben dat de verwijzingsrechter alsnog een dergelijk verval zou hebben dienen uit te spreken. Door de omvang van de cassatie uit te breiden tot de gehele straf (maar met behoud van de schuldigverklaring), laat het Hof thans aan de verwijzingsrechter de mogelijkheid om, desgevallend, de eerder uitgesproken straf te behouden, maar de motivering van de straf aan te passen: de door het Hof aangenomen onwettigheid ligt immers niet bij de uitgesproken straf zelf, maar wel bij de motivering van de strafmaat.

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Nr. P.06.1496.N
PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE IEPER
eiser,
tegen
H. E. C.,
beklaagde,
verweerder.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Correctionele Rechtbank te Ieper van 19 oktober 2006.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.
II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. Het bestreden vonnis verleent aan de verweerder uitstel van de tenuitvoerlegging van het rijverbod met uitzondering van de duurtijd van de onmiddellijke intrekking van het rijbewijs door de procureur des Konings. Anders dan het middel volledig ervan uitgaat, verleent het vonnis aldus geen uitstel van de tenuitvoerlegging voor de volledige duur van het uitgesproken rijverbod.
Het middel mist feitelijke grondslag.
Tweede middel
2. Artikel 42 Wegverkeerwet bepaalt : "Verval van het recht tot sturen moet uitgesproken worden wanneer, naar aanleiding van een veroordeling wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader, de schuldige lichamelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig; in dat geval wordt het verval uitgesproken hetzij voorgoed, hetzij voor een termijn gelijk aan de waarschijnlijke duur van de ongeschiktheid al naargelang deze blijvend of voorlopig blijkt te zijn".
Dit verval is een veiligheidsmaatregel die naast de uitgesproken straf moet worden uitgesproken.
3. Artikel N6 van de bijlagen aan het Koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, bepaalt de minimumnormen en attesten inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig. Die bijlage beschrijft de functionele stoornissen en aandoeningen die de uitsluiting tot gevolg hebben, en de geneeskundige normen waaraan de kandidaat voor een rijbewijs, een voorlopig rijbewijs of een leervergunning en de houder van een rijbewijs moeten voldoen.
Punt 2.2 van dat artikel bepaalt dat "de kandidaat die aan de alcohol verslaafd is of zich niet kan onthouden van alcoholgebruik wanneer hij een motorvoertuig bestuurt, (...) niet rijgeschikt (is)".
Overeenkomstig punt 1.1° van hetzelfde artikel voor de toepassing van deze bijlage wordt onder "kandidaat" verstaan onder meer "(...) de houder van een rijbewijs van wie de lichamelijke of geestelijke toestand niet meer in overeenstemming is met de in deze bijlagen vermelde minimumnormen".
4. Uit deze bepalingen volgt dat de houder van een rijbewijs die aan alcohol verslaafd is, lijdt aan een lichamelijke ongeschiktheid als bedoeld in artikel 42 Wegverkeerwet. Wanneer naar aanleiding van een veroordeling wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijke toedoen van de dader, de rechter vaststelt dat de schuldige, houder van een rijbewijs, lijdt aan alcoholverslaving, moet hij het in die wetsbepaling bedoelde verval uitspreken.
5. Het bestreden vonnis veroordeelt de verweerder tot straf wegens overtreding van artikel 34, ,§2, 1°, Wegverkeerwet. Om de strafmaat te bepalen oordeelt het vonnis dat de bewezen verklaarde feiten kaderen in een verslavingsprobleem met betrekking tot zijn alcoholgebruik. Aldus stelt het bestreden vonnis vast dat de verweerder lichamelijk ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen als bedoeld in artikel 42 Wegverkeerwet en dienden de appelrechters bijgevolg het in die wetsbepaling bedoelde verval wegens lichamelijke ongeschiktheid uit te spreken.
Het bestreden vonnis spreekt, naast de opgelegde straf, dit verval niet uit en is derhalve niet naar recht verantwoord.
Het middel is gegrond.
Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
6. In zoverre het bestreden vonnis uitspraak doet over de schuld, zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de straf en de bijdragen.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Laat de kosten ten laste van de Staat.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Correctionele Rechtbank te Veurne, zitting houdende in hoger beroep.
Begroot de kosten op 61,31 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren, Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei en Luc Van hoogenbemt, en op de openbare terechtzitting van 30 januari 2007 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.