Hof van Cassatie: Arrest van 30 September 1991 (België). RG 7454

Date :
30-09-1991
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
3 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-19910930-6
Numéro de rôle :
7454

Résumé :

Een beding in een arbeidsovereenkomst is wegens strijdigheid met de Arbeidsovereenkomstenwet of haar uitvoeringsbesluiten nietig, wanneer het de rechten welke die wetgeving aan de werknemer verleent, inkort of de verplichtingen welke diezelfde wetgeving hem oplegt, verzwaart. ( Art. 6 Arbeidsovereenkomstenwet. )

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
HET HOF; - Gelet op het bestreden arrest, op 27 juni 1990 door het Arbeidshof te Gent gewezen;
Over het middel, gesteld als volgt : "schending van artikelen 1134, 1135, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, 6 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, en van het beschikkingsbeginsel, volgens hetwelk de rechter geen aan de openbare orde vreemde betwisting mag opwerpen die door de conclusies der partijen was uitgesloten, bekrachtigd door artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, en, voor zoveel als nodig, van deze wettekst zelf,
doordat het arbeidshof in het bestreden arrest van 27 juni 1990, na te hebben vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst van handelsvertegenwoordiging van 1 maart 1983 niet diende te worden nietigverklaard wegens strijdigheid met het Taaldecreet van 19 juli 1973, en dat verweerster onder meer aanspraak maakte op achterstallige commissielonen waarvan het bedrag even groot is als de door eiseres aan haar terugbetaalde beroepsonkosten, namelijk 1.414.935 frank, verhoogd met achterstallige feestdagenvergoeding en eindejaarspremie daarop berekend, de vordering toewijst wat de som van 1.414.935 frank betreft, zij het onder heropening der debatten teneinde partijen te horen over de eventuele verrekening met ondertussen uitbetaalde bedragen ter voldoening van het bij collectieve arbeidsovereenkomst gestelde minimumloon, en over de gevolgen hiervan voor feestdagenvergoeding en eindejaarspremie, op de gronden dat "partijen overeen (kwamen) dat het bedrag van de bezoldiging 6,10 % op de verkoop bedraagt, bruto bezoldiging kosten inbegrepen", dat "uit de overgelegde stukken blijkt dat het brutoloon als volgt werd berekend : 1) vaststelling van 6,10 % van het maandelijks verkoopcijfer; 2) eventueel vermeerderd met het vervangingsloon; 3) verminderd met de kosten van : - restaurant : voor elke werkdag werd een forfaitair bedrag van 250 frank aangegeven; - kilometervergoeding : vanaf maart 1983 tot januari 1985 werd 7 frank in rekening gebracht, in februari 1985, 7,5 frank en vanaf maart 1985, 8 frank. Buiten maandelijkse veranderlijke bedragen voor post, telefoon en parking, werd voor kledij in juni 1983, 12.495 frank aangerekend (tailleur), in mei 1985 7.386 frank (geen toelichting), in oktober 1985, 22.500 frank (tailleur), in december 1986, 3.595 + 2.590 frank (geen toelichting) en in februari 1987, 11.689 frank (geen toelichting). Op te merken valt terloops dat daarbuiten (verweerster) ook nog verschillende andere kostenrekeningen heeft opgemaakt naar aanleiding van verkoopdagen, shows en dergelijke georganiseerd in Brussel (Trade Mart) en Parijs evenals voor vergaderingen te Roubaix. Deze kostenrekeningen (sommige in Franse franken) werden niet in mindering gebracht op 6,10 % zoals de maandelijkse kosten. Daaruit mag worden afgeleid dat zij afzonderlijk werden terugbetaald als niet contractueel voorziene kostenvergoeding; 4) het resultaat van deze bewerking vormt dan het brutoloon. Van dit brutoloon wordt afgetrokken : - de sociale zekerheidsbijdrage ten laste van de werknemer; - de bedrijfsvoorheffing; 5) het aldus bekomen nettobedrag wordt dan verhoogd met de opgegeven kosten", dat ten aanzien van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten "(de) terugbetaling van beroepsonkosten niet aanzien (wordt) als loon, tenzij deze terugbetaling de werkelijke gedane kosten overtreffen (...)" dat "terzake dient opgemerkt dat (...) in (de) jaren 1983-87 de aangegeven kosten namelijk 250 frank per dag restaurant, 7 of 7,5 frank per kilometer, uitgaven voor post, parking, telefoon en kledij, deze laatste deels toegelicht en deels niet toegelicht, rekening houdende met de aard onder meer van de verkochte pr
odukten namelijk damesondergoed, als redelijk en met de werkelijkheid overeenstemmend mogen aanzien worden", dat "bijgevolg de terugbetaling van deze beroepsonkosten niet als loon aanzien worden in de zin van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten", dat "dit beding tot terugbetaling van de beroepsonkosten begrepen in het bruto commissieloon van 6,10 % op het verkoopcijfer nietig (is) in toepassing van artikel 6 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten, daar het ertoe strekt de rechten van de werkneemster te verkorten of haar verplichtingen te verzwaren", dat "immers, door terugbetaling van de kosten, werkelijk gedaan door (verweerster), aan te wenden als loon, (eiseres) de rechten van haar werkneemster (heeft) verkort en haar verplichtingen verzwaard" en "(...) vermits de terugbetaling van beroepsonkosten niet aanzien kan worden als loon een equivalent bedrag aan deze beroepskosten (dient) toegekend als loon, berekend op 1.414.935 frank, welk bedrag niet lijkt betwist door (eiseres)" en verweerster eveneens een uitwinningsvergoeding toekent, berekend op grond van dit toegekende bedrag,
terwijl, eerste onderdeel, overeenkomstig de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst van 1 maart 1983 het bedrag van de bezoldiging waarop verweerster kon aanspraak maken lastens eiseres, gelijk is aan 6,10 % op de verkoop, bruto bezoldiging, kosten inbegrepen ("Montant de la rémunération est de 6,10 % sur vente, rémunération brute, frais compris"); partijen aldus duidelijk maakten, zoals door het arbeidshof overigens vastgesteld, dat een percentage van de gerealiseerde omzet het bedrag uitmaakte van het aan de vertegenwoordigster toekomend loon, de inhoudingen erop en de beroepsonkosten; de omstandigheid dat de terugbetaling van de beroepsonkosten niet als loon kan worden aanzien in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, niet wegneemt dat partijen wettig konden overeenkomen dat van een bepaald bedrag, procentueel berekend op de gerealiseerde omzet bij verkoop, de kosten dienden te worden afgetrokken om het brutoloon te bepalen, dat op zijn beurt, na aftrek van de sociale en fiscale afhoudingen, het nettoloon zou opleveren; deze berekeningswijze hoegenaamd geen afbreuk doet aan de rechten van de werknemer, noch zijn verplichtingen verzwaart, en derhalve niet kon worden nietigverklaard overeenkomstig artikel 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978, volgens welke alle met de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten strijdige bedingen nietig zijn voor zover zij ertoe strekken de rechten van de werknemer in te korten of zijn verplichtingen te verzwaren; het de werknemer immers steeds mogelijk is na te gaan of het volgens hogerbedoelde berekeningswijze bekomen nettoloon voldoet aan de eventueel bij wet of collectieve arbeidsovereenkomst gestelde minima, en op dit vlak zonodig aanvullende betalingen op te eisen van de werkgever; verweerster overigens zelf in de akte van hoger beroep instemde "met de opmerking van gedaagde dat het toegelaten is de kosten op te nemen in de aanslagvoet voor het berekenen van het commissieloon" (p. 6), doch hierbij opmerkte dat de aanslagvoet in zulke gevallen meestal hoger ligt; verweerster dit standpunt uitdrukkelijk herhaalde in de appelconclusie (p. 3, onderaan); het arbeidshof bovendien nalaat te preciseren waarin de eventuele inkorting van de rechten of verzwaring van de verplichtingen van de werknemer zouden bestaan; zodat het arbeidshof ten onrechte hogergenoemde clausule inzake de berekening van het aan verweerster toekomend loonbedrag nietig verklaarde, minstens Uw Hof niet in de mogelijkheid stelt zijn wettigheidscontrole uit te oefenen nu het arbeidshof niet aangeeft waarin de inkorting der rechten of verzwaring der
verplichtingen van verweerster, grondslag voor de nietigverklaring van de clausule, zouden bestaan (schending van artikel 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978), aldus niet alleen een geschil opwerpend dat door de conclusies der partijen was uitgesloten (schending van het algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd, volgens hetwelk de rechter geen aan de openbare orde vreemde betwisting mag opwerpen waarvan het bestaan door de conclusies der partijen uitgesloten wordt), doch tevens eiseres recht van verdediging miskent (schending van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging);
Wat het eerste onderdeel betreft :
Overwegende dat het arbeidshof oordeelt dat de terugbetaling door eiseres van de door verweerster gemaakte kosten bij het verrichten van haar arbeid als handelsvertegenwoordigster, niet als loon in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet kan worden aangezien; dat het daaruit afleidt dat "(het) beding tot terugbetaling van de beroepskosten begrepen in het globale bruto-commissieloon van 6,10 % op het verkoopcijfer" nietig is met toepassing van artikel 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet "daar het ertoe strekt de rechten van de werkneemster te verkorten of haar verplichtingen te verzwaren";
Overwegende dat een beding in een arbeidsovereenkomst wegens strijdigheid met de Arbeidsovereenkomstenwet of haar uitvoeringsbesluiten, krachtens artikel 6 van die wet, nietig is, wanneer het de rechten welke die wetgeving aan de werknemer verleent, inkort of de verplichtingen welke diezelfde wetgeving hem oplegt, verzwaart;
Overwegende dat, blijkens het arrest, het beding in kwestie bepaalt hoe het commissieloon waarop verweerster contractueel aanspraak heeft, wordt berekend;
Dat de Arbeidsovereenkomstenwet de vaststelling van het verschuldigde commissieloon of de wijze van berekening ervan niet regelt; dat het arbeidshof overigens niet vaststelt met welke wetsbepaling het bedoelde beding strijdig is; dat het niet volstaat te beslissen dat de gemaakte kosten geen loon zijn in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet, zonder tevens vast te stellen dat het begrip loon die betekenis heeft in een wetsbepaling die op het beding toepasselijk is;
Dat het arbeidshof zijn beslissing dat het beding de rechten van verweerster inkort of haar verplichtingen verzwaart, derhalve niet naar recht verantwoordt en artikel 6 van de Arbeidsovereenkomstenwet schendt door dit beding nietig te verklaren;
Dat het onderdeel in zoverre gegrond is;
Om die redenen, vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over "de vordering tot betaling van achterstallige commissielonen en betaalde feestdagenvergoeding en eindejaarspremies", alsmede over het bedrag van de verschuldigde uitwinningsvergoeding; beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest; houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over; verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Brussel.