Hof van Cassatie: Arrest van 31 Mei 2001 (België). RG C000301Fv
- Section :
- Jurisprudence
- Source :
- Justel N-20010531-15
- Numéro de rôle :
- C000301Fv
Résumé :
Wanneer er geen minnelijke aanzuiveringsregeling wordt getroffen, kan de beslagrechter, overeenkomstig art. 1675/12, § 1, GerW., met inachtneming van de gelijkheid tussen de schuldeisers, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen die met name uitstel of herschikking van betaling van de schulden in hoofdsom, interesten en kosten kan bevatten, alsook de opschorting, voor de duur van de aanzuiveringsregeling, van de gevolgen van de zakelijke zekerheden, zonder dat die maatregel de grondslag ervan in het gedrang kan brengen; dat voorbehoud strekt enkel ertoe het gemeenschappelijk pand van de schuldeisers onaangeroerd te laten (1).
Arrêt :
BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën,
Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,
tegen
1. H. M.,
2. C. P.,
3. COFIDIS, naamloze vennootschap,
4. EULER COBAC BELGIUM, naamloze vennootschap,
5. CITIBANK, naamloze vennootschap,
6. BANK VAN DE POST, naamloze vennootschap,
7. FORTIS BANK, naamloze vennootschap,
Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.
HET HOF,
Gehoord het verslag van raadsheer Echement en op de conclusie van advocaat-generaal De Riemaecker;
Gelet op het bestreden arrest, op 27 maart 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Luik;
Over het middel : schending van de artikelen 7, 8, 9 van de wet van 16 december 1851, zijnde de hypotheekwet, die Boek III, titel XVIII van het Burgerlijk Wetboek heeft vervangen, 422, 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, 1675/7, 1657/11, 1675/12 en 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek,
doordat het arrest, met bevestiging van de bestreden beschikking waarbij de beslagrechter uitspraak had gedaan over de gegrondheid van het verzoek van de verweerder H. dat ertoe strekt een collectieve schuldenregeling te verkrijgen, met toepassing van de artikelen 1675/11 en 1675/12 van het Gerechtelijk Wetboek, voor de duur van achtenvijftig maanden een gerechtelijke aanzuiveringsregeling oplegt waarin wordt bepaald dat alle op de dag van de neerlegging van het verzoekschrift bestaande schuldvorderingen, met inbegrip van de schuldvordering van eiser, naar rato van het bedrag ervan, in achtenvijftig maandelijkse stortingen zullen worden betaald, en doordat het arrest de beslissing om in de opgelegde gerechtelijke aanzuiveringsregeling geen rekening te houden met het door eiser aangevoerde voorrecht, bedoeld in de artikelen 422 en 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 waardoor eiser in dezelfde mate als de gewone schuldeisers, onderworpen wordt aan de regel van de gelijkheid, hierdoor verantwoordt dat "het voorrecht dat kleeft aan een schuldvordering, ingeval de rechter die kennisneemt van een verzoek tot collectieve schuldenregeling, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opmaakt, het aan een schuldvordering verbonden voorrecht enkel "geldt" met toepassing van artikel 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek", dat is wanneer, op zijn verzoek, alle voor beslag vatbare goederen van de schuldenaar, op initiatief van de schuldbemiddelaar, te gelde worden gemaakt, maar niet wanneer de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, zoals te dezen, alleen "maatregelen bevat als bedoeld in de artikelen 1675/11 en 1675/12 van het Gerechtelijk Wetboek, namelijk" maatregelen "die elke tegeldemaking van de goederen van de schuldenaar uitsluiten" en die "de gelijkheid tussen de schuldeisers in ieder geval moeten eerbiedigen", en dat de wetgever door de wet van 5 juli 1998 waarbij het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld door invoeging van de artikelen 1675/2 tot 1675/19 met betrekking tot de procedure van de collectieve schuldenregeling, "de Schatkist niet heeft willen bevoordelen", te meer daar de aangenomen regel niet in strijd is met artikel 172 van de Grondwet,
terwijl, hoewel artikel 1675/7, §1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de beschikking waarbij de rechter het verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling toelaatbaar verklaart "een toestand van samenloop doet ontstaan tussen de schuldeisers" van de verzoeker en de aldus ontstane samenloop weliswaar de rechter, die een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opmaakt, overeenkomstig artikel 1675/12 van het Gerechtelijk Wetboek ertoe verplicht "de gelijkheid onder schuldeisers" te eerbiedigen, met toepassing van de artikelen 8 en 9 van de hypotheekwet van die regel toch wordt afgeweken, wanneer er tussen de schuldeisers "wettige redenen van voorrang" bestaan, dat is onder meer het geval wanneer aan één of meer schuldvorderingen een voorrecht verbonden is; dat voorrecht tot gevolg heeft dat de schuldeiser niet in samenloop komt met de andere schuldeisers en dat de regel van de gelijkheid niet geldt; de rechter, wanneer hij een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opmaakt, verplicht is aan dat voorrecht uitwerking te verlenen en de regel van de gelijkheid niet kan opleggen aan de schuldeiser die dat voorrecht bezit; zulks het geval is, zelfs als de gerechtelijke aanzuiveringsregeling niet bepaalt dat, op vraag van de schuldenaar, al zijn voor beslag vatbare goederen, op initiatief van de schuldbemiddelaar, met toepassing van artikel 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek te gelde zullen worden gemaakt; hoewel naar luid van artikel 1675/12, §1, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, de gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan bepalen dat voor de duur ervan "de gevolgen van de zakelijke zekerheden worden opgeschort", "die maatregel de grondslag ervan niet kan schaden"; hoewel de beschikking waarbij een verzoek tot gerechtelijke aanzuiveringsregeling toelaatbaar verklaard wordt, tot gevolg heeft dat tijdens de procedure, zowel ten aanzien van de schuldeiser die een voorrecht bezit, als ten aanzien van alle schuldeisers de loop van de interesten op zijn schuldvordering (artikel 1675/7, §1) en zijn recht van tenuitvoerlegging (artikel 1675/7, §2) opgeschort worden, de door de rechter opgelegde gerechtelijke aanzuiveringsregeling toch niet tot gevolg kan hebben dat na afloop van die procedure, de schuldeiser zijn voorrecht verliest en het niet kan uitoefenen; uit de omstandigheid dat de wetgever de rechter niet verboden heeft de belastingschulden ten dele in kapitaal kwijt te schelden niet kan worden afgeleid dat het recht van voorrang dat, krachtens de artikelen 422 en 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wettelijk verbonden is aan de belastingschuld, niet langer zou bestaan voor het saldo; het arrest bijgevolg, nu het, met bevestiging van de beroepen beschikking, voor de duur van achtenvijftig maanden, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling oplegt, waarin wordt bepaald dat alle op de dag van de neerlegging van het verzoekschrift bestaande schuldvorderingen, met inbegrip van de schuldvordering van eiser, naar rato van het bedrag ervan, in achtenvijftig maandelijkse stortingen zullen worden betaald, geen uitwerking verleent aan het door eiser aangevoerde voorrecht, waarvan het nochtans het bestaan niet ontkent, en bijgevolg de aangegeven wetsbepalingen schendt :
Overwegende dat uit het arrest volgt dat de beslagrechter het verzoekschrift van de eerste verweerder tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling, met toepassing van artikel 1675/6 van het Gerechtelijk Wetboek toelaatbaar heeft verklaard en de tweede verweerder als schuldbemiddelaar heeft aangewezen;
Dat de beslagrechter vervolgens, met toepassing van de artikelen 1675/11 en 1675/12 van het Gerechtelijk Wetboek, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling heeft opgelegd waarin wordt bepaald dat de op de dag van de neerlegging van het verzoekschrift bestaande schuldvorderingen, met inbegrip van de schuldvorderingen van eiser die zich beriep op een algemeen voorrecht op de inkomsten en de roerende goederen van alle aard, naar rato van het bedrag ervan, in achtenvijftig maandelijkse stortingen zullen worden betaald;
Overwegende dat krachtens artikel 1675/7 van het Gerechtelijk Wetboek, de beschikking van toelaatbaarheid van de vordering tot collectieve schuldenregeling een toestand van samenloop doet ontstaan tussen de schuldeisers en de opschorting van hun recht om de betaling persoonlijk te vorderen tot gevolg heeft;
Overwegende dat in geval van samenloop, het in de artikelen 7 en 8 van de hypotheekwet neergelegde beginsel van de gelijkheid onder de schuldeisers de regel is;
Dat naar luid van laatstgenoemde bepaling, de goederen van de schuldenaar strekken tot gemeenschappelijke waarborg voor zijn schuldeisers, en de prijs ervan onder hen wordt verdeeld naar evenredigheid van hun vordering, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang bestaan;
Overwegende dat, bij ontstentenis van een minnelijke schuldenregeling, de rechter, overeenkomstig artikel 1675/12, §1, van het Gerechtelijk Wetboek, mits eerbiediging van de gelijkheid onder schuldeisers, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan opleggen die de volgende maatregelen kan bevatten : uitstel of herschikking van betaling van de schulden in hoofdsom, interesten en kosten, alsook de opschorting, voor de duur van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, van de gevolgen van de zakelijke zekerheden, zonder dat deze maatregel de grondslag kan schaden, evenals opschorting van de uitwerking van de overdrachten van schuldvordering;
Overwegende dat artikel 1675/13, §1, eerste lid, eerste streepje, van dit wetboek weliswaar bepaalt dat de rechter bij de verdeling van de goederen van de schuldenaar rekening moet houden met de redenen van voorrang bij de verdeling van de goederen van de schuldenaar, maar dat artikel de rechter niet verbiedt aan een voorrecht geen uitwerking te verlenen, zolang de tegeldemaking van die goederen niet wordt overwogen;
Overwegende dat uit het onderling verband tussen die bepalingen en uit de opzet van de wet volgt dat, ook al kan de op grond van artikel 1675/12, §1, van het Gerechtelijk Wetboek bevolen opschorting van de gevolgen van de zakelijke zekerheden de grondslag van die zekerheden niet in het gedrang brengen, dat voorbehoud enkel ertoe strekt de gemeenschappelijke waarborg voor de schuldeisers intact te laten;
Dat, wanneer er een voorrecht bestaat dat, zoals het bij artikel 422, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 aan eiser toegekende voorrecht, slaat op de inkomsten en de roerende goederen van alle aard van de schuldenaar, de rechter, teneinde de betaling van de schulden zonder tegeldemaking van die waarborg te verzekeren, een aanzuiveringsregeling kan opleggen waarin wordt voorzien in de evenredige verdeling van de beschikbare inkomsten van de schuldenaar;
Overwegende dat de wet door aan de rechter die mogelijkheid toe te kennen, het doel van de aanzuiveringsregeling wil bevorderen dat, blijkens artikel 1675/3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek erin bestaat de financiële toestand van de schuldenaar weer in orde te brengen door hem, in de mate van het mogelijke, in staat te stellen zijn schulden te betalen en tegelijkertijd hem en zijn gezin de mogelijkheid te bieden een menswaardig bestaan te leiden;
Dat het arrest, dat het krachtens artikel 1675/12, §1, van het Gerechtelijk Wetboek de aanzuiveringsregeling oplegt waartegen het middel opkomt, geen van de aangevoerde wetsbepalingen schendt;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
OM DIE REDENEN,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door eerste voorzitter Marchal, voorzitter Verougstraete, raadsheer Parmentier, afdelingsvoorzitter Boes, de raadsheren Waûters, Bourgeois, Echement, Storck, Mathieu, en in openbare en voltallige terechtzitting van eenendertig mei tweeduizend en een uitgesproken door eerste voorzitter Marchal, in aanwezigheid van advocaat-generaal De Riemaecker, met bijstand van griffier Massart.
Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Waûters en overgeschreven met assistentie van griffier Van Geem.