Hof van Cassatie: Arrest van 31 Mei 2002 (België). RG F010041F

Date :
31-05-2002
Langue :
Français Néerlandais
Taille :
4 pages
Section :
Jurisprudence
Source :
Justel N-20020531-14
Numéro de rôle :
F010041F

Résumé :

De valsheidsvordering die bij tussenvordering bij het Hof wordt ingediend is niet ontvankelijk wanneer blijkt uit het antwoord dat op de middelen moet worden gegeven dat de betichting tot staving van de middelen ten betoge dat de eisers in de valsheidprocedure geen dagvaarding van de griffie van het hof van beroep hebben ontvangen zonder te betwisten dat de griffie ze heeft gestuurd, geen weerslag heeft op de oplossing van de voorziening (1).

Arrêt :

Ajoutez le document à un dossier () pour commencer à l'annoter.
Nr. F.01.0041.F.
1. D. J. en
2. B. R.-M.,
Mr. Pierre Melan, advocaat bij de balie te Namen, tegen BELGISCHE STAAT, minister van Financiën.
Mr. François T' Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.
I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 14 februari 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Luik.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer Philippe Echement heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.
III. Middelen
De eisers voeren vier middelen aan.
Ze zijn als volgt gesteld :
1. Eerste middel
Geschonden wettelijke bepaling
- artikel 385 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Aangevochten beslissingen en redenen
Het arrest vermeldt eerst "dat bij het oproepen van de zaak, noch de (eisers), noch iemand voor hen verschenen is, hoewel de griffie aangetekend een oproeping had gezonden aan de in de voorziening opgegeven woonplaats waarin de rechtsdag ter kennis werd gebracht" en verklaart vervolgens, "uitspraak doende overeenkomstig artikel 385 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de voorziening ontvankelijk, gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935 ; het verklaart ze ongegrond en veroordeelt de (eisers) in de kosten".
Grieven
Het arrest, volgens hetwelk de zaak in staat van wijzen is, hoewel de eisers de oproeping naar de terechtzitting van het hof van beroep niet hebben ontvangen, is niet naar recht verantwoord en schendt artikel 385 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, aangezien de in dat wetboek vastgelegde procedure die wordt ingeleid bij aangetekend schrijven, niet afgewikkeld is ; bijgevolg moet worden vastgesteld dat niet voldaan is aan de in dat artikel voorgeschreven vormvereisten, waarmee men zich ervan wil vergewissen dat de verstekgevende partij wel degelijk ervoor gekozen heeft niet op de terechtzitting te verschijnen in welk geval dat wetboek bepaalt dat het arrest evenwel geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen ; in deze zaak zijn de eisers niet geldig opgeroepen door de Post, dat is de lasthebber van de griffie, en kon er dus geen sprake zijn van een arrest dat geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen ; het arrest schendt artikel 385 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht van de akten, dat neergelegd is in artikel 1320 van het Burgerlijk Wetboek ;
- artikel 149 van de Grondwet.
Aangevochten beslissingen en redenen Het arrest vermeldt eerst "dat bij het oproepen van de zaak, noch de (eisers), noch iemand voor hen verschenen is, hoewel de griffie aangetekend een oproeping had gezonden aan de in de voorziening opgegeven woonplaats waarin de rechtsdag ter kennis werd gebracht" en verklaart vervolgens, "uitspraak doende overeenkomstig artikel 385 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de voorziening ontvankelijk, gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935 ; het verklaart ze ongegrond en veroordeelt de (eisers) in de kosten".
Grieven Uit de omstandigheid dat de griffie de oproeping aangetekend had gezonden aan de in de voorziening opgegeven woonplaats leidt het arrest ten onrechte af dat de eisers de oproeping hebben ontvangen ; het gaat om een verkeerde interpretatie ; uit de door de griffie neergelegde brief kan niet worden afgeleid dat de eisers rechtsgeldig zijn opgeroepen en dat zij die oproeping hebben ontvangen ; het bestreden arrest begaat een rechtsdwaling en verstoort de wettelijke regeling van het bewijs ; van het geschrift, namelijk de brief van de griffie, mag er geen uitlegging worden gegeven die de betekenis verdraait ; het arrest uit een vermoeden, zijnde de ontvangst van die oproeping door de eisers, maar geen werkelijkheid ; het arrest verdraait de betekenis van de duidelijke en formele bewoordingen van de brief van de griffie ;
de bewijskracht van de geschriften is miskend ; de uitlegging van dat stuk is niet verenigbaar met de bewoordingen ervan ; het arrest miskent de bewijskracht van de akten die neergelegd is in artikel 1320 van het Burgerlijk Wetboek, en artikel 149 van de Grondwet.
3. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen Algemeen beginsel van het recht van verdediging, neergelegd in artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Aangevochten beslissingen en redenen Het arrest vermeldt eerst "dat bij het oproepen van de zaak, noch de (eisers), noch iemand voor hen verschenen is, hoewel de griffie aangetekend een oproeping had gezonden aan de in de voorziening opgegeven woonplaats waarin de rechtsdag ter kennis werd gebracht ; dat het hof (van beroep) niets anders kan doen dan zich aan te sluiten bij de pertinente overwegingen van de beslissing van de directeur die een nauwkeurige omschrijving geven zowel van de feiten als van de toepassing op deze zaak van de desbetreffende rechtsbeginselen ; dat de (eisers) voor het hof (van beroep) dienaangaande geen enkel nieuw gegeven aanbrengen" ; het arrest verklaart vervolgens, "uitspraak doende overeenkomstig artikel 385 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de voorziening ontvankelijk, gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935 ; het verklaart ze ongegrond en veroordeelt de (eisers) in de kosten".
Grieven Het op verstek gewezen vonnis miskent het recht van verdediging, aangezien de eisers de oproeping voor de terechtzitting van het hof van beroep niet hebben ontvangen ; zij hebben hun rechten niet kunnen doen gelden en hun argumenten niet kunnen uiten omdat zij de oproeping niet hebben ontvangen ; er is niet voldaan aan de voorwaarden die artikel 385 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voorschrijft en bijgevolg kon het hof van beroep geen arrest wijzen dat geacht wordt jegens de eisers op tegenspraak te zijn gewezen ; aldus miskent het arrest het recht van verdediging dat neergelegd is in artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4. Vierde middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de Grondwet ;
- algemeen rechtsbeginsel dat elke beslissing met redenen moet zijn omkleed.
Aangevochten beslissingen en redenen Het arrest vermeldt eerst "dat het hof (van beroep) niets anders kan doen dan zich aan te sluiten bij de pertinente overwegingen van de beslissing van de directeur die een nauwkeurige omschrijving geven zowel van de feiten als van de toepassing op deze zaak van de desbetreffende rechtsbeginselen ; dat de (eisers) voor het hof (van beroep) dienaangaande geen enkel nieuw gegeven aanbrengen" ; het arrest verklaart vervolgens, "uitspraak doende overeenkomstig artikel 385 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de voorziening ontvankelijk, gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935 ; het verklaart ze ongegrond en veroordeelt de (eisers) in de kosten".
Grieven Het arrest antwoordt niet op de argumenten en middelen die de eisers in hun voorziening voor het hof van beroep hebben aangevoerd ; het arrest vermeldt dat de eisers "voor het hof (van beroep) dienaangaande geen enkel nieuw gegeven aanbrengen" ; het arrest is onvoldoende en verkeerd met redenen omkleed, aangezien de eisers in werkelijkheid geen toegang tot de rechtszaal hebben gehad ; er dient nochtans vastgesteld dat het hof (van beroep) de middelen van de eisers heeft onderzocht, aangezien het arrest zegt dat de eisers "voor het hof (van beroep) dienaangaande geen enkel nieuw gegeven aanbrengen" ; dat antwoord is ontoereikend en ongeschikt ; het hof (van beroep) heeft duidelijk op geen enkele manier de argumenten van de eisers beantwoord ; het arrest schendt artikel 149 van de Grondwet en miskent het algemeen rechtsbeginsel dat elke beslissing met redenen moet zijn omkleed.
IV. Beslissing van het Hof I. Over de valsheidsvordering bij tussenvordering :
Overwegende dat de eisers, in hun verzoekschrift dat op 24 augustus 2001 ter griffie van het Hof is neergelegd, de valsheid aanvoeren van het uittrekstel van het register van de Post waarin twee handtekeningen voorkomen waarvan zij beweren dat het niet de hunne zijn ;
Overwegende dat de betichting van valsheid die wordt aangevoerd tot staving van de middelen ten betoge dat de eisers de oproeping van de griffie van het hof van beroep voor de terechtzitting van 17 januari 2001 niet hebben ontvangen, zoals blijkt uit het antwoord op de middelen, geen weerslag heeft op de beslechting van hun voorziening ;
Dat de eisers niet betwisten dat de griffie die oproeping voor voornoemde terechtzitting aangetekend heeft verstuurd, op welke terechtzitting het debat is geopend en dan gesloten verklaard ;
Dat de vordering doelloos is, zodat zij niet-ontvankelijk is ;
II. Over de voorziening :
1. Eerste middel Overwegende dat artikel 385 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat, indien bij het oproepen van de zaak, een van de partijen verstek laat gaan niettegenstaande de griffie bij een ter post aangetekende brief heeft gezonden aan de in de voorziening opgegeven woonplaats, er uitspraak wordt gedaan op de conclusies van de andere partij en het arrest in elk geval geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen ;
Overwegende dat het arrest dat vaststelt "dat bij het oproepen van de zaak, noch de (eisers), noch iemand voor hen verschenen is, hoewel de griffie aangetekend een oproeping had gezonden aan de in de voorziening opgegeven woonplaats waarin de rechtsdag ter kennis werd gebracht" voornoemd artikel 385 juist toepast ;
Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
2. Tweede middel Overwegende dat het arrest niet beslist dat de eisers daadwerkelijk de oproeping hebben ontvangen maar dat zij regelmatig zijn opgeroepen ;
Dat het middel feitelijke grondslag mist ;
3. Derde middel Overwegende dat artikel 6.1. van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet van toepassing is op betwistingen betreffende de rechten en plichten in belastingzaken, behoudens ingeval de fiscale procedure leidt of kan leiden tot een straf die voortvloeit uit een strafvervolging in de zin van die bepaling ; dat het middel niet aanvoert dat er tegen de eisers een dergelijke procedure is ingesteld ;
Overwegende dat, voor het overige, de miskenning van het algemeen beginsel van het recht van verdediging uitsluitend is afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde schending van artikel 385 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ;
Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
4. Vierde middel Overwegende dat het middel niet nader bepaalt welke middelen het arrest niet zou hebben beantwoord ;
Dat het middel, zoals verweerder betoogt, niet-ontvankelijk is ;
OM DIE REDENEN, HET HOF Verwerpt de valsheidsvordering bij tussenvordering en de voorziening ;
Veroordeelt de eisers in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Philippe Echement, waarnemend voorzitter, de raadsheren Christian Storck, Jean de Codt, Didier Batselé en Sylviane Velu, en in openbare terechtzitting van eenendertig mei tweeduizend en twee uitgesproken door raadsheer Philippe Echement, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.